Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3924

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3098
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3098

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Heek),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2018 (het eerste primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres toegekende loongerelateerde uitkering in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 30 november 2018 voortgezet als een vervolguitkering naar een mate van een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij besluit van 23 oktober 2018 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar WIA-uitkering naar aanleiding van een melding van toename van klachten, met ingang van 13 augustus 2018 ongewijzigd wordt voortgezet.

Bij besluit van 11 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de werkgever van eiseres tegen de beslissing van 22 augustus 2018 gegrond verklaard en de WIA-uitkering van eiseres met ingang van 30 november 2018 omgezet naar een vervolguitkering op grond van de Wet WIA naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Per september 2019 wordt dit percentage gewijzigd naar 45 tot 55%. Het bezwaar van eiseres tegen de beslissing van 23 oktober 2018 is ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 20 mei 2020 heeft eiseres een schriftelijke toelichting ingediend. Verweerder heeft hier op 7 juli 2020 op gereageerd.

Nadat geen van de partijen binnen de hiervoor gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht ter zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een zitting achterwege blijft en met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek op 22 juli 2020 gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was gedurende 34,87 uur per week werkzaam als chauffeur bij [bedrijf] Op 3 december 2014 heeft eiseres zich ziekgemeld vanwege toegenomen PTSS-klachten, lichamelijke klachten en depressieve klachten. Na een wachttijd van 104 weken is eiseres met ingang van 30 november 2016 voor 35-80% (55,51%) arbeidsongeschikt beschouwd.

Op 14 augustus 2018 heeft eiseres een melding toename klachten ingediend per 13 augustus 2018. Vervolgens vond er op 20 september 2018 een WIA-beoordeling plaats. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

Grondslag van het bestreden besluit

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres met ingang van 13 augustus 2018 ongewijzigd voor 35-80% arbeidsongeschikt wordt beschouwd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wijkt af van het oordeel van de primaire arbeidsdeskundige en acht eiseres met ingang van 18 oktober 2018 voor 52% arbeidsongeschikt. Na een uitlooptermijn van twee maanden wordt de mate van arbeidsongeschiktheid aangepast op 45 tot 55%. De Functionelemogelijkhedenlijst (FML) van 18 oktober 2018 blijft van kracht. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op medische en arbeidskundige rapportages.

Beoordelingskader

3. De rechtbank overweegt dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapportages van verzekeringsartsen, wanneer deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en de daarop gebaseerde besluiten zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapportages niet aan de genoemde eisen voldoen of dat de medische beoordeling juist is. Dit kunnen ook niet medisch geschoolden doen, maar voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling juist is, is in beginsel een rapport van een arts noodzakelijk.

Zorgvuldigheid

4. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was aanwezig bij de hoorzitting en heeft dossieronderzoek verricht. Hij heeft alle beschikbare medische informatie meegewogen bij zijn oordeel, waaronder het huisartsenjournaal, de brief van klinisch psycholoog F. Zwanepol van 19 september 2018 en de brief van psychotherapeut M.S. van Rijsoort van 8 mei 2018. In het rapport van 23 april 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden uitgelegd hoe hij tot zijn beoordeling is gekomen.

Medische beoordeling

5. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is, omdat zij meer beperkingen heeft dan zijn aangenomen. Zij is niet in staat om 30 uur per week te werken. Sinds 2016 krijgt eiseres een WIA-uitkering op basis van PTSS (na een onterechte detentie), een persoonlijkheidsstoornis met theatrale kenmerken en uitingen die mogelijk als psychotische overschrijding te duiden zijn. Ook is er sprake van IBS. Eiseres heeft regelmatig last van buiklachten met diarree, oorsuizen en duizeligheid. Verweerder heeft te weinig beperkingen aangenomen ten aanzien van haar buikklachten en hoofdpijnklachten. Naast de bekende klachten heeft eiseres nu ook diabetes en een hoge bloeddruk. Door de PTSS-klachten heeft eiseres angst voor kleine en/of afgesloten ruimtes. Ook voelt eiseres zich onveilig in het donker en wacht daarom met slapen tot het licht wordt.

6. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is vastgesteld. Eiseres is beperkt geacht ten aanzien van het persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen en werktijden. Anders dan eiseres stelt, valt niet in te zien dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden met de klachten van eiseres.

7. De primaire verzekeringsarts concludeert in het rapport van 18 oktober 2018 dat er geen sprake is van toegenomen klachten of beperkingen. De aangegeven klachten en beperkingen en de gegevens van de huisarts liggen in dezelfde lijn, net als eiseres’ functioneren in het dagelijkse leven. De primaire verzekeringsarts heeft een urenbeperking aangenomen van maximaal 8 uur per dag en maximaal 30 uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijkt niet af van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. In het rapport van 23 april 2019 concludeert hij dat er geen sprake is van een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden’. Eiseres is aangewezen op licht mentaal werk en met haar detentie-ervaring is in de FML van 18 oktober 2018 rekening gehouden. Dit sluit aan bij de conclusie van psycholoog Zwanepol, die het functioneren van eiseres als licht beperkt kwalificeert.

8. Dat eiseres beperkt is ten aanzien van de aandacht en het zich kunnen herinneren blijkt niet uit het dossier. Overigens is eiseres wel beperkt geacht voor complex werk, waardoor een hoge graad van concentratie in het werk niet van haar gevraagd zal worden. Door een beperking aan te nemen waardoor eiseres is aangewezen op een voorspelbare werksituatie is rekening gehouden met de door eiseres ervaren beperkingen ten aanzien van het structureren van de omgeving. Ook met de spanningshoofdpijn en buikklachten van eiseres is rekening gehouden. Eiseres is hiervoor beperkt geacht ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Daarnaast is als passende voorwaarde op de werkvloer opgenomen dat er een wc op de werkplek aanwezig dient te zijn.

9. De rechtbank kan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed volgen en neemt daarbij in overweging dat eiseres in beroep geen objectiveerbare medische informatie heeft overgelegd, die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de FML van 18 oktober 2018. Aan de manier waarop eiseres zelf haar klachten ervaart, kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis toekomen. Verweerder heeft voldoende rekening gehouden met de gezondheidssituatie van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 60 van de Wet WIA

10. Eiseres voert verder aan dat zij na 8 april 2019 langer dan twee maanden volledig arbeidsongeschikt is geweest en haar mate van arbeidsongeschiktheid daarom op 80-100% arbeidsongeschikt moet worden vastgesteld. Gelet op artikel 60, tweede en derde lid, van de Wet WIA, is de inkomenseis bij een verlaging van haar mate van arbeidsongeschiktheid pas weer na 24 maanden van toepassing.

11. Volgens artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA wordt een inkomenseis herzien op het moment dat een wijziging in de resterende verdiencapaciteit twee kalendermaanden heeft geduurd. Op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA geldt voor de verzekerde, die op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering, of die gedurende tenminste twee kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, als bedoeld in het tweede lid, geen inkomenseis tot de dag dat zijn resterende verdiencapaciteit hoger dan 20% van zijn maatmaninkomen per uur is geweest gedurende een periode van 24 kalendermaanden. Deze periode eindigt op het moment dat de verzekerde gedurende ten minste twee kalendermaanden slechts in staat was met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

12. De rechtbank stelt vast dat een beroep op de uitlooptermijn van 24 maanden op grond van artikel 60 van de Wet WIA alleen van toepassing is op de loonaanvullingsuitkering. Dit geldt niet voor eiseres’ vervolguitkering. Verweerder heeft eiseres’ loongerelateerde uitkering terecht met ingang van 30 november 2018 omgezet naar een vervolguitkering. De beroepsgrond slaagt niet.

Arbeidskundige beoordeling

13. In bezwaar heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functie van medewerker kleding en textielreiniging laten vervallen, omdat de medewerkers in die functies niet naar eigen inzicht het werk kortdurend kunnen onderbreken voor een toiletbezoek. De overige geduide functies blijven gehandhaafd.

Veilige werkomgeving

14. Tegen de arbeidskundige beoordeling voert eiseres aan verweerder onvoldoende heeft getoetst of de functies in een vertrouwde en veilige werkomgeving worden uitgeoefend.

15. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeert in het rapport van 16 juni 2020 dat bij dit punt een categoriale onderbouwing volstaat. Of er in specifieke functies sprake is van een vertrouwde, veilige werkomgeving en of er gewerkt wordt in een fatsoenlijk bedrijf waar mensen met wederzijds respect met elkaar omgaan, betreft een subjectieve zienswijze en wordt door de arbeidsdeskundig analist niet onderzocht of vastgelegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep merkt verder op dat het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) uitsluitend bestaat uit algemeen geaccepteerde arbeid. De rechtbank kan dit volgen. Daarnaast heeft eiseres niet onderbouwd dat er geen sprake is van een voor haar vertrouwde, veilige werkomgeving waar mensen met wederzijds respect met elkaar omgaan. De beroepsgrond slaagt niet.

De functie van medewerker postverzorging (SBC-code 315140)

16. Eiseres voert aan dat de functie van medewerker postverzorging niet geschikt is, omdat er sprake is van te veel afleiding en lawaai om de werkzaamheden goed te kunnen uitvoeren. Daarnaast kan eiseres de interne protocollen, privacyregels en werkinstructies niet volgen en kan zij het moeten distribueren van post in een veelvoud aan postvakken niet, omdat dit te complex is. Daarnaast is er sprake van een persoonlijk risico in de zin van poederbrieven. Er is ook sprake van een overschrijding op het gebied van handelingstempo, omdat men

100-200 poststukken per uur moet kunnen sorteren/verwerken. Het hanteren van een hoog handelingstempo is ook niet mogelijk door de combinatie van eiseres’ medicijnen, psychische klachten en fysieke klachten.

17. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet beperkt is geacht ten aanzien van afleiding door activiteiten van anderen, geluidsbelasting of voor het werken met een hoog handelingstempo. Daarnaast blijkt uit de omschrijvingen van de functies dat er geen sprake is van lawaai in de kantoortuin. De geluidsbelasting heeft namelijk alleen betrekking op het ’s morgens gedurende een half uur werken in de snijkamer. Alleen dan is er ook sprake van een hoog handelingstempo, gedurende de rest van de werktijd niet. Uit de FML blijkt ook dat het verhoogd persoonlijk risico in de functie geen overschrijding van eiseres’ belastbaarheid oplevert. Uit de functieomschrijving blijkt verder dat de functie bestaat uit eenvoudige routinematige werkzaamheden zonder (hoge) complexiteit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de functie passend is. De beroepsgrond slaagt niet.

De functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180)

18. Eiseres voert aan dat de functie van productiemedewerker industrie ongeschikt is, omdat er sprake is van een overschrijding ten aanzien van het samenwerken. Eiseres is aangewezen op een werksituatie waarin het samenwerken beperkt is tot een eigen afgebakende deeltaak. Dit strookt niet met het geregeld contact/overleg hebben met collega’s.

19. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uit de toelichting in de FML blijkt dat eiseres met anderen kan werken als zij een eigen, van tevoren afgebakende deeltaak heeft. Uit de functieomschrijving blijkt dat er alleen wordt samengewerkt met een eigen afgebakende deeltaak. Daarnaast blijkt uit de functieomschrijving ook dat de functie bestaat uit eenvoudige routinematige werkzaamheden zonder (hoge) complexiteit. Er is slechts een minimale of beperkte persoonlijke invulling van de functie aan de orde en de functie heeft een laag zelfstandigheidsniveau (maximaal 3 op een schaal van 1 tot 7). De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook deze functie geschikt is. De beroepsgrond slaagt niet.

De functie van medewerker tuinbouw (SBC-code 111010)

20. Eiseres voert aan dat de functie van medewerker tuinbouw ongeschikt is, omdat eiseres niet kan samenwerken. Ook is het handelingstempo van deze functie te hoog.

21. De rechtbank stelt vast dat er bij deze functie samengewerkt dient te worden met 1 à 2 collega’s aan een tafel met planten. De rechtbank ziet niet in dat er hierdoor sprake is van een overschrijding van eiseres’ belastbaarheid. Dat er bij ongeveer 500 planten per uur meeldraden verwijdert moeten worden met ongeveer 2 bloemen per plant, betekent niet dat er sprake is van een hoog handelingstempo. De rechtbank stelt ook vast dat de functie geen kenmerkende belasting heeft ten aanzien van een hoog handelingstempo. Eiseres is hiervoor overigens niet beperkt geacht. De rechtbank concludeert dat de functie geschikt is. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

22. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide functies.

Eindconclusie

23. Nu uit het arbeidskundig onderzoek blijkt dat eiseres met ingang van 18 oktober 2018 voor 52 % arbeidsongeschikt is, heeft verweerder de uitkering van eiseres terecht met ingang van 30 november 2018 omgezet naar een vervolguitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en met ingang van september 2019 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

24. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2020 door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.