Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3922

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4919
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wia

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4919

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat er geen reden is om terug te komen op de beslissing van 27 november 2013, waarbij eiseres per 27 januari 2014 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt werd verklaard. Eiseres heeft geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Bij besluit van 7 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 9 juni 2020 een schriftelijke toelichting op haar beroep ingediend.

Verweerder heeft op 18 juni 2020 gereageerd op de schriftelijke toelichting van eiseres.

Nadat geen van de partijen binnen de hiervoor gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht ter zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een zitting achterwege blijft en met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek op 20 juli 2020 gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was werkzaam als callcenter medewerker voor 38,5 uur per week. Op 7 december 2006 heeft eiseres zich ziekgemeld vanwege gezondheidsklachten na een auto-ongeval. Met ingang van 3 december 2008 is, mede vanwege een vergevorderde zwangerschap, aan haar een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een herbeoordeling is eiseres met ingang van 8 juli 2013 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard. Haar WIA-uitkering is op 8 juli 2013 beëindigd. Het hiertegen ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 27 november 2013 gegrond verklaard.

Verweerder heeft bij dat besluit eiseres met ingang van 27 januari 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht en de WIA-uitkering daarom per die datum beëindigd. Het beroep en hoger beroep tegen die beëindiging zijn ongegrond verklaard.

Op 16 mei 2017 heeft eiseres verzocht om een herleving van haar WIA-uitkering. Verweerder heeft eiseres met de beslissing van 18 mei 2017 meegedeeld dat er geen reden is om eiseres meer dan 35% arbeidsongeschikt te achten en heeft haar bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 20 juni 2017 weer om herleving van haar WIA-uitkering gevraagd. Verder heeft zij op 24 december 2017, 28 februari 2018 en 2 maart 2018 meldingen van een verslechtering van haar gezondheid gedaan bij verweerder. Verweerder heeft toen besloten om niet terug te komen op de besluiten van 27 februari 2018 en 15 maart 2018, waarbij eiseres per 8 juli 2013 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt werd verklaard. Op 17 december 2018 heeft eiseres wederom verzocht om een herbeoordeling, omdat haar gezondheid sinds 2013 verslechterd zou zijn. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

Grondslag van het bestreden besluit

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van nieuwe medische informatie of omstandigheden en eiseres nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op het rapport van de primaire verzekeringsarts van 24 januari 2019 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 september 2019.

Het oordeel van de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 27 november 2013 dat de WIA-uitkering van eiseres per 27 januari 2014 wordt beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is, vast staat door de bevestiging door deze rechtbank en de Centrale Raad van Beroep.

4. Een vaststaand besluit kan worden aangetast door verweerder te vragen om op dat besluit terug te komen. Dat is geregeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Men moet dan wel daarbij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermelden. Dat moet uiterlijk in bezwaar, zodat het bestuursorgaan daar rekening mee kan houden. Als er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, mag verweerder ervoor kiezen om het verzoek zonder inhoudelijke behandeling af te wijzen.

5. Verder is het ook nog mogelijk dat per een latere datum opnieuw recht op WIA-uitkering ontstaat. Daarvoor zijn twee mogelijkheden. Ten eerste wanneer men binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering alsnog 35% of meer arbeidsongeschikt wordt en die arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan men eerder recht had op een WIA-uitkering. Ten tweede wanneer men binnen vier weken na de beëindiging van de WIA-uitkering alsnog 35% of meer arbeidsongeschikt wordt en die arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere oorzaak dan op grond waarvan men eerder recht had op een WIA-uitkering. In dit geval betekent dit dat in 2013 bestaande beperkingen in relevante mate moeten zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindigingsdatum, dus voor 27 januari 2019. Nieuwe beperkingen moeten binnen vier weken zijn ontstaan, dus voor 23 februari 2014.

6. Verweerder heeft de melding van eiseres van 17 december 2018 aangemerkt als een verzoek om te beoordelen of eiseres wegens een verslechtering van haar gezondheid weer recht heeft op een WIA-uitkering.

Zorgvuldigheid

7. De rechtbank overweegt dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapportages van verzekeringsartsen, wanneer deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en de daarop gebaseerde besluiten zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapportages niet aan de genoemde eisen voldoen of dat de medische beoordeling juist is. Dit kunnen ook niet medisch geschoolden doen, maar voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling juist is, is in beginsel een rapport van een arts noodzakelijk.

8. Eiseres voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht, omdat de door haar in 2013 overgelegde medische informatie aan de arts Bakker nooit in het dossier is opgenomen. Het gaat onder andere om medische stukken over haar hart. Daarnaast heeft arts Bakker in het rapport van 31 juli 2013 onterecht vermeld dat de psychologische behandeling in 2008 is afgerond.

9. De primaire verzekeringsarts heeft eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht. Eiseres heeft toen alles kunnen inbrengen wat volgens haar van belang was. Hij heeft de medische klachten van eiseres in het rapport van 23 februari 2018 uitgebreid uiteengezet en verklaard wat er lichamelijk onderzocht is bij eiseres. Eiseres is na de hoorzitting van 2 september 2019 ook medisch onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en hij heeft zijn bevindingen uiteengezet in het rapport van 30 september 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij alle beschikbare medische informatie meegewogen bij zijn oordeel. De rechtbank kan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen volgen en is van oordeel dat er geen sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat verweerder op verzoek van eiseres bij brief van 4 september 2019 een overzicht heeft gegeven van de beschikbare medische informatie en dat verweerder aan eiseres heeft verzocht om de ontbrekende informatie toe te sturen. Eiseres had de ontbrekende informatie die zij in 2013 had ingebracht opnieuw kunnen inbrengen. De rechtbank stelt vast dat het dossier veel medische stukken uit 2013 bevat. Ook bevat het dossier medische informatie over haar hart. Eiseres heeft niet duidelijk kunnen maken welke medische informatie niet bij de beoordeling is betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Medische beoordeling

10. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is, omdat haar beperkingen zijn onderschat. Eiseres is ziek en is niet in staat om te werken. In 2010 is eiseres 100% arbeidsongeschikt verklaard en alle klachten die zij toen had heeft zij nu nog steeds en zijn zelfs verergerd. Er is onvoldoende rekening gehouden met het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS), krachtverlies in haar handen, dubbele nekhernia, slijtage in de nek, scheve bekken, osteopenie aan de rug en heupen. Ook is er geen rekening gehouden met de migraine, astma en krachtverlies in haar linkerarm. Eiseres is niet in staat om 8 uur per dag en 40 uur per week te werken. Eiseres heeft nog steeds last van PTSS en depressie. Ook heeft zij hartklachten, tinnitus en vertigo. Door de tinnitus is eiseres ook verdergaand energetisch beperkt. Hier is geen rekening mee gehouden in de Functionelemogelijkhedenlijst (FML). Daarnaast heeft arts Heuvelman in het rapport van 23 februari 2018 onterecht vermeld dat eiseres ‘ik ben toch niet beperkt’ zou hebben gezegd. Eiseres heeft bij het aanvullend beroepschrift medische informatie toegevoegd van onder andere haar cardioloog dr. E. Aidi en haar KNO-arts A. Senf. Eiseres verzoekt de rechtbank om een deskundige te benoemen.

11. De primaire verzekeringsarts concludeert in het rapport van 14 januari 2019 dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten en omstandigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zag geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. In het rapport van 30 september 2019 concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de verschillende ziektebeelden bij eiseres niet sterk invaliderend zijn. Eiseres heeft mogelijkheden om te functioneren en uit het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt niet dat eiseres niet kan werken. De rechtbank kan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed volgen. Alle door eiseres ervaren klachten zijn in zijn beoordeling meegewogen en hiermee is voldoende rekening gehouden in de FML van 23 februari 2018. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd en de door haar ingebrachte medische informatie, geen reden om te twijfelen aan de juistheid hiervan. Dat arts Heuvelman volgens eiseres in het rapport van 23 februari 2018 onterecht heeft vermeld dat eiseres ‘ik ben toch niet beperkt’ zou hebben gezegd, maakt ook niet dat er sprake is van een onjuiste beoordeling. Wat eiseres zelf aangeeft over de beperkingen die zij ervaart en de stelling van haar cardioloog dat eiseres volledig arbeidsongeschikt is, weegt onvoldoende op tegen het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die gespecialiseerd is in het vaststellen van arbeidsbeperkingen. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Eiseres voert ook aan dat verweerder in 2014 had moeten onderzoeken of het recht op de WIA-uitkering van eiseres niet herleeft vanwege arbeidsongeschiktheid die is ingetreden binnen vier weken na de dag waarop het recht is geëindigd. De brief waarin eiseres’ cardioloog verklaart dat eiseres volledig arbeidsongeschikt is, is gedateerd op 24 februari 2014, terwijl de uitkering op 27 januari 2014 is geëindigd.

13. De rechtbank stelt vast dat de cardiale klachten van eiseres al in 2013 zijn betrokken in de beoordeling en daarna niet zijn toegenomen. Een beoordeling van de vraag of de klachten binnen vier weken na 27 januari 2014 zijn ontstaan, kan dus achterwege blijven.

Deskundige

14. Nu geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling ziet de rechtbank geen reden om een deskundige te benoemen.

Conclusie

15. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geweigerd aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen.

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 augustus 2020 door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.