Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3916

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 897
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking, herziening en terugvordering bijstand na opschorting, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/897

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, en [eiseres] , eiseres, te [woonplaats] , tezamen eisers

(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: drs. E. Siemeling).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van eisers met ingang van 26 juni 2019 gestopt. Voorts heeft verweerder die bijstand over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 herzien en de teveel betaalde bijstand over die periode - na verrekening met vakantiegeld en een nabetaling - tot een bedrag van € 610,80 van eisers teruggevorderd.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij besluit van 16 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit herzien, in die zin dat de uitkering van eisers wordt ingetrokken met ingang van 26 juni 2019 en alleen eiser hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de terugbetaling van de ten onrechte genoten bijstand over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 van € 610,80 netto (thans € 940,60 bruto).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype for Business plaatsgevonden op 17 augustus 2020. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser ontving met ingang van 1 september 2016 bijstand. Met ingang van 26 maart 2019 is eiseres bij eiser komen wonen. Zij heeft de Belgische nationaliteit en had daarom de eerste drie maanden vanaf laatstgenoemde datum geen recht op bijstand. Op 24 april 2019 hebben eisers een aanvraag om gezinsbijstand ingediend.

De intrekking van het recht op bijstand

2. Eisers hebben over de intrekking van het recht op bijstand met ingang van 26 juni 2019 aangevoerd dat de intrekking in het primaire besluit uitsluitend is gebaseerd op de vermeende overtreding van de inlichtingenplicht. Volgens eisers volgt verweerder de redenering dat de omstandigheid dat eiser niet heeft gereageerd op het in bezwaar gedane verzoek om informatie te verstrekken, een zelfstandige grond oplevert om de uitkering onder toepassing van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet (Pw) in te trekken. Hiermee gaat verweerder volgens eisers ten onrechte voorbij aan de weg die de wetgever in dit soort gevallen heeft gekozen, namelijk die van opschorting voorafgaand aan eventuele intrekking (artikel 54, eerste en vierde lid, van de Pw). Het had volgens eisers temeer op de weg van verweerder gelegen om toepassing te geven aan het eerste en vierde lid van artikel 54 van de Pw. Dit omdat de in bezwaar opgevraagde informatie hoofdzakelijk betrekking had op de periode na 26 juni 2019 en die informatie in de primaire fase vrijwel geen rol speelde. De weg van het derde lid van artikel 54 Pw staat volgens eiser pas open voor verweerder, als eiser door overtreding van de inlichtingenplicht met betrekking tot de in bezwaar opgevraagde stukken verweerder informatie zou hebben onthouden én verweerder, als hij hiervan wel had geweten, op grond daarvan het recht op bijstand zou hebben ingetrokken. Een andere interpretatie zou volgens eisers impliceren dat verweerder bij elke schending van de inlichtingenplicht de mogelijkheid zou hebben om de bijstand in te trekken, stellende dat verweerder door de schending in het ongewisse zou verkeren over het (gedeeltelijk) bestaan van recht op bijstand. De bepaling om eerst te kunnen opschorten alvorens na een hersteltermijn te kunnen intrekken zou daarmee zijn bestaansrecht volledig hebben verloren.

3. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de weg staat aan de handhaving in bezwaar op een andere grond dan die waarop het primaire besluit steunt.1 De vraag is in dit geval dan of verweerder de bijstand op goede gronden op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw heeft ingetrokken. Voor de toepasselijkheid van artikel 54, derde lid, van de Pw is niet van belang of aan de intrekking al dan niet een (besluit tot) blokkering van de uitbetaling van de bijstandsuitkering of een opschorting van het recht op bijstand is voorafgegaan.2

4. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 26 maart 2019 bij eiser is komen wonen. Eiser had op dat moment een (aanvullende) bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande, zodat voor hem de inlichtingenplicht van artikel 17 van de Pw gold. De omstandigheid dat eiseres bij hem kwam wonen, was van invloed op (de hoogte van) het recht op bijstand. Eiser zou door de samenwoning immers in ieder geval niet meer in aanmerking komen voor bijstand naar de norm van een alleenstaande. Eiser had verweerder daarom op de hoogte moeten stellen van het feit dat zijn echtgenote bij hem was komen wonen. Ook had hij alle (financiële) informatie over eiseres moeten verstrekken. Aan deze verplichtingen heeft eiser evenwel niet voldaan. Al op 26 maart 2019 was dus al sprake van schending van de inlichtingenplicht, waardoor het voor verweerder niet mogelijk was om recht op bijstand van eiser vast te stellen. Verweerder heeft eiser alsnog in de gelegenheid gesteld om aan zijn inlichtingenplicht te voldoen. Zo heeft verweerder bij brieven van 9 april 2019 en 3 juni 2019 informatie betreffende eisers opgevraagd die relevant was voor de vaststelling van het recht op bijstand. Daarna heeft verweerder nogmaals om aanvullende informatie verzocht bij brieven van 11 en 26 juli 2019, waarbij verweerder tevens het recht op bijstand heeft opgeschort. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet alle financiële gegevens over eiseres heeft overgelegd, zodat sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Aangezien de financiële situatie van het gezin door het gebrek aan informatie niet inzichtelijk is, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het recht op bijstand met ingang van 26 juni 2019 heeft ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw. De beroepsgronden van eisers slagen al hierom niet.

De herziening van het recht op bijstand

5. Met betrekking tot de herziening van het recht op bijstand over de maanden januari tot en met maart 2019 betwisten eisers het standpunt van verweerder dat leningen ook inkomsten kunnen zijn. Zij stellen dat een geldlening kenmerkend van inkomsten verschilt door de verplichting om terug te betalen.

6. De rechtbank stelt vast dat op de rekening van eiser verschillende stortingen hebben plaatsgevonden door [persoon 1] en [persoon 2] . Bij de stukken die eisers op 24 april 2019 hebben overgelegd bevinden zich verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] . Deze verklaringen zijn ongedateerd en er staat – kort gezegd - dat er geld is geleend aan eiser. Ook de stukken die op 29 juli 2019 zijn overgelegd bevatten verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] . Deze verklaringen zijn wel gedateerd en ook hierin wordt gesproken over het overmaken van geld. [persoon 1] heeft daarbij verklaard dat de terugbetaling contant is geweest. [persoon 2] heeft verklaard dat eiser hem het geleende bedrag nog niet heeft terugbetaald. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen op zichzelf niet als leenovereenkomst aan te merken. Evenmin kan uit deze verklaringen worden afgeleid dat van een leenovereenkomst sprake is geweest. Zo is niet gebleken van een concrete terugbetalingsverplichting. [persoon 1] heeft op 16 juli 2019 verklaard dat eiser de bedragen aan hem heeft terugbetaald, maar dit zou contant zijn geweest. Er is geen bewijs overgelegd dat deze terugbetaling voortvloeide uit een verplichting daartoe op grond van een leenovereenkomst. Ook de verklaring van [persoon 2] van 11 juli 2019 kan eisers niet baten. Hierin is immers slechts vermeld dat eiser de bedragen nog niet heeft terugbetaald. Van het bestaan van enige concrete afspraak in dit verband geeft deze verklaring geen blijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de bedragen daarom terecht niet als leningen heeft aangemerkt, maar als inkomsten. Verweerder heeft daarom het recht op bijstand terecht herzien met de bedragen van deze stortingen. De beroepsgronden van eiser op dit punt slagen niet.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 september 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 uitspraak van 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:419

2 uitspraak van 18 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5142