Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3894

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
16/210632-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW door na het drinken van alcohol te gaan rijden op zijn bromfiets. Verdachte is vervolgens frontaal in botsing gekomen met het slachtoffer. Door dit ongeval heeft hij het slachtoffer zwaar en ook blijvend lichamelijk letsel toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/210632-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Polen),

wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 juli 2020 en 1 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.M.M. Pater, advocaat te Emmeloord, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

op 31 augustus 2019 te Almere als bestuurder van een bromfiets zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:

op 31 augustus 2019 te Almere als bestuurder van een bromfiets door zijn gedragingen gevaar op de weg heeft veroorzaakt dan wel het verkeer op de weg heeft gehinderd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte onder invloed van alcohol en met een hogere snelheid dan gelet op de verkeerssituatie ter plaatse verantwoord was, op zijn bromfiets heeft gereden. Verdachte is op de verkeerde weghelft terecht gekomen, waardoor er tussen hem en het slachtoffer een botsing is ontstaan. Het slachtoffer heeft hier zwaar lichamelijk letsel aan over gehouden. Wegens deze handelingen in het verkeer treft verdachte het verwijt van ernstige schuld, in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de botsing en het rijden onder invloed weliswaar heeft erkend maar dat het onvoldoende is om schuld aan te nemen in de zin van artikel 6 WVW. Daarnaast is er bij het slachtoffer geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. Het subsidiair ten laste gelegde kan volgens de raadsvrouw wel wettig en overtuigend bewezen worden met dien verstande dat het feit geen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad en dat verdachte niet te hard heeft gereden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in een proces-verbaal van bevindingen het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Op 31 augustus 2019 kregen wij de melding om te gaan naar het Spoorbaanpad ter hoogte van de kruising met de Suze Robertsonstraat. Daar zou een aanrijding hebben plaatsgevonden tussen een bromfiets en een fietser. Ter plaatse zagen wij, verbalisanten, twee personen op het fietspad liggen. Wij zagen dat er een elektrische fiets in de berm lag waarvan het voorwiel gebroken was en de voorvork van het frame was losgekomen. Wij zagen dat er tevens een snorfiets en een bromfiets op het fietspad stonden. Wij zagen dat de bromfiets schade had aan de voorzijde. Wij zagen de twee slachtoffers. De man bleek later te zijn genaamd: [verdachte] .

De vrouw bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] . Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat [slachtoffer] een diepe snee over de gehele breedte van

haar kin had. Ik zag dat [verdachte] wankel op zijn benen stond. Ik rook dat [verdachte] riekte naar het inwendig gebruik van alcohol.2

[slachtoffer] heeft bij de politie volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van verhoor slachtoffer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Op 31 augustus 2019, was ik op het Spoorbaanpad te Almere. Ik reed op de elektrische fiets van mijn werk. Ik zag dat er voor mij, in tegengestelde richting, twee scooters achter elkaar reden op de, voor mij, linker weghelft. Het volgende moment dat ik mij kan herinneren, lag ik in de ambulance. Ik ben afgevoerd naar het Academisch ziekenhuis in Amsterdam (AMC) Daar is een snee in mijn kin gehecht en hebben ze foto's van mijn nek gemaakt. Ik heb te horen gekregen dat ik twee nekwervels heb gebroken. De dokter zei dat als ik een (1) nekwervel lager had

gebroken, dat ik een dwarslaesie zou hebben gehad.3

Een schriftelijk bescheid, te weten een letselrapportage forensische geneeskunde van 6 september 2019 opgemaakt door M.J. Hondius, AIOS forensische geneeskunde onder supervisie van N.C.A.M. Lachmann, forensisch arts FMG:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer]

Geboortedatum: [1983]

Gemelde toedracht: op 31 augustus 2019 is betrokkene op weg van haar werk naar huis van haar fiets gereden door een scooter.

Behandeling/toelichting: fractuur van processus transversus van C6 en C7 rechts (waarvoor nekbrace (“Miami-J kraag”)), wond kin (gehecht).

Vermoeden inwendig letsel: ja.

Toelichting: breuk in de zesde en zevende halswervel (vastgesteld op de SEH van het AMC). Betrokkene draagt een nekbrace. Diverse kneuzingen borstkas, rechter arm, linker duim, rechter boven en onderbeen, linker bovenbeen en knie.

Verwachting blijvende schade: ja.

Lichaamsdeel: rug.

Beschrijving: verdikking van de spieren aan de rechterzijde van de rug, waardoor scheefstand van de rug. Pijnlijk bij aanraking en beweging in alle richtingen.

Soort: kneuzing.4

[getuige] heeft bij de politie volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat de fietser, die vanaf de Suze Robertsonstraat te Almere kwam, van mij af

fietste over het Spoorbaanpad, in de richting van het Station Almere Parkwijk. Ik zag

dat een meisje op een snorfiets over het Spoorbaanpad reed en mij naderde.

Ik zag dat achter het meisje een man op een bromfiets naderde. Ik zag dat deze

bromfiets harder reed dan het meisje op de snorfiets. Ik zag dat de bromfiets naar,

voor zijn, links verplaatste en op de andere weghelft terecht kwam. Ik schat de

snelheid van de bromfiets op dat moment ongeveer 45 kilometer per uur. Ik zag dat de bromfiets frontaal botste met het meisje dat op de elektronische fiets, die van mij

af reed. Ik zag dat het meisje van de elektronische fiets, met een harde smak op de

grond terecht kwam. Ik zag dat de man op de bromfiets ook viel en dat hij en zijn

bromfiets ten val kwamen. Ik rook een stevige geur van alcohol bij de man vandaan komen.5

Verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting van 1 september 2020 het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Op 31 augustus 2019 heb ik een woordenwisseling gehad met mijn vrouw. Ik heb vervolgens een glas bier en twee glazen wodka gedronken. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik mijn helm opzette en op de bromfiets wegreed. Ik heb achteraf gehoord dat ik een ongeluk heb veroorzaakt. Ik heb een totale black-out gehad en kan mij het ongeluk daardoor niet herinneren.

Bewijsoverweging

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 31 augustus 2019 een woordenwisseling heeft gehad met zijn vrouw waarna hij alcohol heeft gedronken. Na het nuttigen van alcohol is verdachte weggereden op zijn bromfiets. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op het Spoorbaanpad met snelheid heeft getracht een voor hem rijdende snorfiets in te halen. Bij zijn inhaalmanoeuvre is verdachte met zijn bromfiets op de andere (voor hem: linker) weghelft terecht gekomen en hij is frontaal in botsing gekomen met het slachtoffer dat daar op de voor haar bestemde rechter weghelft op haar elektrische fiets reed. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte had in de gegeven situatie anders kunnen en moeten handelen door simpelweg niet onder invloed van alcohol op zijn bromfiets te rijden en aan het verkeer deel te nemen. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcoholgebruik leidt tot versmalling van het blikveld en ernstige vermindering van het reactievermogen. Daarnaast had verdachte zijn snelheid op de bromfiets moeten aanpassen aan de verkeerssituatie en zich bij het inhalen van de snorfietser voor hem ervan moeten vergewissen dat het fietspad vrij was van tegemoetkomend verkeer. Dat alles heeft hij niet gedaan. Door zich op voornoemde wijze in het verkeer te gedragen is verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend geweest zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Het verweer van de raadsvrouw dat de gedragingen van verdachte onvoldoende zijn om schuld aan te nemen in de zin van artikel 6 WVW wordt dan ook verworpen.

Zwaar lichamelijk letsel

Gelet op de aard en ernst van het letsel bij het slachtoffer, namelijk een breuk in de zesde en zevende halswervel, diverse kneuzingen en de verwachting van blijvende schade, zoals weergegeven in de hiervoor genoemde letselrapportage, is de rechtbank van oordeel dat het letsel dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW juncto artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Conclusie

Het voorgaande voert de rechtbank tot het oordeel dat het primair ten laste gelegde feit bewezen is.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 31 augustus 2019 te Almere als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten het fietspad gelegen aan het Spoorbaanpad, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,

- na voorafgaand gebruik van alcohol en

- met een hogere snelheid dan

gelet op de verkeerssituatie ter plaatse veilig en verantwoord was en

- vervolgens een voor hem, verdachte, rijdende bromfietsster in te halen en op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer te gaan rijden en daarbij met zijn, verdachtes, bromfiets onvoldoende rechts te houden en te blijven rijden en

- daarbij niet voldoende te kijken en zich ervan te vergewissen dat het fietspad vrij was van verkeer en

- vervolgens frontaal te botsen tegen een voor hem, verdachte, op dat fietspad tegemoetkomende fietsster, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten twee gebroken halswervels en meerdere kneuzingen

(te weten onder meer aan de borstkas en de rechter arm en de linker duim en het rechter boven- en onderbeen en de knie) en verdikking van de rugspieren, werd toegebracht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 maanden geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren met aftrek van de periode dat het rijbewijs van verdachte reeds ingevorderd is geweest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, indien de rechtbank tot een veroordeling van het primaire feit komt, bij het bepalen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast is verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat er naast de strafzaak een civiele zaak jegens verdachte loopt.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW door na het drinken van alcohol te gaan rijden op zijn bromfiets. Bij een inhaalmanoeuvre heeft verdachte vervolgens zijn snelheid onvoldoende aangepast aan de verkeerssituatie aldaar en heeft hij zich onvoldoende ervan vergewist of het fietspad vrij was van tegemoetkomend verkeer. Verdachte is vervolgens frontaal in botsing gekomen met het slachtoffer. Door dit ongeval heeft hij het slachtoffer zwaar en ook blijvend lichamelijk letsel toegebracht.

De persoon van verdachte

Uit een op naam van verdachte gesteld Uittreksel justitiële documentatie van 30 juni 2020 blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking met justitie is gekomen voor een soortgelijk feit.

De straf en de maatregel

De rechtbank heeft bij het bepalen van de soort en zwaarte van de op te leggen straf rekening gehouden met de mate van schuld en acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten geven in het geval van het veroorzaken van een verkeersongeval onder invloed van alcohol, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg en waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, een taakstraf van 160 uren aan. Als bijkomende straf is ingevolge die oriëntatiepunten een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden aan de orde. De rechtbank merkt op dat de oriëntatiepunten geen onderscheid maken tussen verschillende soorten motorvoertuigen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de strafeis zoals door de officier van justitie verwoord. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 160 uren passend en geboden. Indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, wordt deze vervangen door 80 dagen hechtenis. De rechtbank zal daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opleggen voor de duur van 18 maanden.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 80 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

- ontzegt verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Loots, voorzitter, mrs. R.B. Eigeman en H. den Haan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Tason Avila, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 september 2020.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 31 augustus 2019, te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten (het fietspad gelegen aan) het Spoorbaanpad, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of
- met onverminderde snelheid, althans met een hogere snelheid dan gelet op de verkeerssituatie ter plaatse veilig en/of verantwoord was en/of
- (vervolgens) een voor hem, verdachte, rijdende bromfietsster in te halen en/of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer te gaan rijden
en/of (daarbij) met zijn, verdachtes, bromfiets onvoldoende rechts te houden en/of te blijven rijden en/of
- (daarbij) niet, althans niet voldoende, te kijken en/of zich ervan te vergwissen dat het fietspad / voornoemde weg vrij was van verkeer en/of
- (vervolgens) frontaal te botsen tegen een voor hem, verdachte, op dat fietspad tegemoetkomende fietsster,
waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten twee gebroken halswervels en/of een of meerdere kneuzingen (te weten onder meer aan de borstkas en/of de rechter arm en/of de
linker duim en/of het rechter boven- en/of onderbeen en/of de knie) en/of verdikking van de rugspieren, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de
uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 31 augustus 2019, te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een voertuig (bromfiets), daarmee rijdende op de weg, te weten (het fietspad gelegen aan) het Spoorbaanpad,
- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of
- met onverminderde snelheid, althans met een hogere snelheid dan
gelet op de verkeerssituatie ter plaatse veilig en/of verantwoord was en/of
- (vervolgens) een voor hem, verdachte, rijdende bromfietsster in heeft gehaald en/of op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer is gaan rijden en/of (daarbij) met zijn, verdachtes, bromfiets onvoldoende rechts heeft gehouden en/of is blijven rijden en/of
- (daarbij) niet, althans niet voldoende, heeft gekeken en/of zich ervan heeft vergewist dat het fietspad / voornoemde weg vrij was van verkeer en/of
- (vervolgens) frontaal is gebotst tegen een voor hem, verdachte, op dat fietspad tegemoetkomende fietsster,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 26 oktober 2019, genummerd PL0900-2019261724-1, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 80 van het digitale dossier. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina’s 24 en 25.

3 Pagina 13.

4 Pagina’s 15, 16 en 18.

5 Pagina’s 11 en 12.