Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3891

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
8201503 UC EXPL 19-13136 NK/35171
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opdracht. Onbetaalde advocatennota. Niet nagekomen en ontbonden betalingsregeling; gedaagde was bekend met het tarief en het niet aanvragen van een toevoeging; artikel 7:405 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8201503 UC EXPL 19-13136 NK/35171

Vonnis van 26 augustus 2020

inzake

[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats 1] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. S.G. Dorrestein,

tegen:

[gedaagde] , zonder bekende woonplaats of werkelijk verblijf zowel in als buiten Nederland,

wonende te [woonplaats 2] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J. Dongelmans.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 november 2020 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties,

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 3 april 2018 heeft [gedaagde] aan [eiser] opdracht gegeven om haar als advocaat bij te staan in de echtscheidingsprocedure met haar ex-partner. Dezelfde dag heeft [eiser] de aan hem gegeven opdracht onder meer als volgt aan [gedaagde] bevestigd:

“Hierdoor bevestig ik u n.a.v. onze uitgebreide bespreking van hedenmiddag hij mij op kantoor te Utrecht dat ik uw echtscheidingszaak voor u in behandeling heb genomen. (...)

Wij hebben uw persoonlijke omstandigheden en de ontstane situatie alsmede de diverse manieren waarop deze zaak kan worden aangepakt uitgebreid besproken en u hebt mij uitgelegd dat u zoveel als mogelijk wilt proberen in onderling overleg eruit te komen. Ik heb u daarnaast geïnformeerd over de procedure (zowel de voorlopige voorzieningen als de echtscheidingsprocedure).

(...)

Voor wat betreft de kosten van rechtsbijstand leg ik vast dat ik met u een uurtarief van € 250,00 exclusief 6% kantoorkosten en BT\V per uur overeen ben gekomen. Gezien het te verwachten vermogen bij de verdeling van de gemeenschap alsmede de te verwachten partneralimentatie komt u immers niet in aanmerking voor gefinancierde rechtshulp. Mijn kantoor declareert normaliter maandelijks met een maximale betaaltermijn van 14 dagen. Bij de facturen die ons kantoor aan u stuurt, zitten specificaties waarop aangegeven staat voor welke werkzaamheden u moet betalen. Daarbij wordt gerekend met eenheden van zes minuten en worden alle werkzaamheden die dezerzijds worden verricht ook in rekening gebracht. Daarbij moet u bedenken dat telefoongesprekken en het verwerken van e-mailberichten (in- en uitgaand) ook tot de werkzaamheden behoren.

Vanwege uw huidige persoonlijke situatie waarbij u nauwelijks inkomen heeft en niet kunt beschikken over spaargelden is het niet mogelijk om mijn kosten nu al te betalen. Daarom zal ik pas declareren nadat ik dat met u heb besproken c.q. aan u heb kenbaar gemaakt. Het zal afhangen van het moment waarop u kunt beschikken over meer inkomen en/of partneralimentatie danwel wanneer het vermogen liquide kan worden gemaakt. Ik houd u tussentijds in ieder geval op de hoogte van mijn kosten en zal dit regelmatig met u bespreken zodat wij beiden inzicht houden en u weet wanneer ik zal declareren en voor hoeveel.

Op deze overeenkomst zijn, zoals u weet, de algemene voorwaarden en een interne klachtenregeling van [handelsnaam] van toepassing. Deze kunt u raadplegen op onze website www. [.] .nl, danwel zullen op uw verzoek aan u worden gezonden.

(...)”

2.2.

Op 17 april 2018 heeft [gedaagde] de opdrachtbevestiging getekend.

2.3.

Op 10 mei 2018 om 11:46 uur heeft [eiser] per e-mail onder meer aan [gedaagde] geschreven:

“(...) We hebben daarom afgesproken dat ik een verzoek zal maken voor voorlopige voorzieningen (maatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure), een echtscheidingsverzoek gereed zal leggen en een brief zal maken voor uw ex. Bijgaand treft u deze concepten aan. (...)

Ik heb u geadviseerd om een duidelijke geldlening aan te gaan bij uw ouders en dat de betalingen aantoonbaar zijn (dus later te bewijzen). Ik zal deze gelden laten van uw ex terugvorderen (...).

Inmiddels lopen de kosten van rechtsbijstand ook op. Bijgaand treft u een overzicht aan met de kosten tot heden (Euro 2.250 + 6% kk (135) + BTW (500.85) = Euro 2.885,85). Ik zou deze binnenkort in rekening willen brengen om de kosten niet teveel op te laten lopen. Wellicht kunt u daarvoor ook een lening sluiten en kan ik deze met de rente eveneens van uw ex terugvorderen. Graag verneem ik spoedig of dat mogelijk is danwel bespreek ik graag een andere oplossing hiervoor.

(...)”

2.4.

Op 10 mei 2018 om 14:15 uur heeft [gedaagde] per e-mail onder meer aan [eiser] geantwoord:

“Ik heb inmiddels een nieuwe aanstelling gekregen bij (...) het is voor 36 uur per week, woensdag 16 mei zal mij de arbeidsovereenkomst aangeboden worden aan de hand daarvan zal ik het contract aangaan. Maar op dit moment is het dus nog niet concreet omdat ik nog niet weet wat mijn salaris zal zijn.

(...)

Wat bertreft de betaling aan u zou ik daar graag een regeling voor willen treffen.

Voor de rest ziet alles er goed uit.

(...)”

2.5.

Op 15 mei 2018 om 14.02 uur heeft [eiser] per e-mail onder meer aan [gedaagde] geschreven:

“Ik heb nog geen terugkoppeling van je gekregen m.b.t. de betaling van mijn kosten. Je zou nog navragen bij jouw ouders of zij hier een lening voor kunnen verstrekken aan jou. Weet je al meer?

Indien dat niet lukt, ontvang ik graag jouw voorstel over een afbetaling maar omdat ik binnenkort het verzoek voorlopige voorzieningen en echtscheidingsverzoek ga indienen en griffierecht en deurwaarderskosten moet maken, heb ik wel een voorschot van € 1.210,00 (€ 1.000 + BTW) nodig. Kun je mij hier z.s.m. over berichten want ik wil dat

graag voor mijn vertrek geregeld hebben?”

2.6.

Op 15 mei 2018 om 15:34 uur heeft [gedaagde] per e-mail onder meer aan [eiser] geantwoord:

“Mijn ouders gaan dat voorschot betalen, zou je de rekening van 1000,00 excl de btw kunnen sturen naar (...).

Dan zullen ze dat gelijk aan jou overmaken.

Voor de resterende kosten wil ik graag een betalingsregeling treffen morgen weet ik wat mijn salaris word en wat ik dan maandelijks aan jou kan betalen.

(...)”

2.7.

Op 15 mei 2018 om 15:55 uur heeft [eiser] per e-mail (met bijgevoegde voorschotnota ten bedrage van € 1.210,00 inclusief btw) onder meer aan [gedaagde] geschreven:

“Dat is prima. Bijgaand tref je de nota aan (...)

Graag hoor ik morgen jouw voorstel voor de rest.”

2.8.

Op 19 juni 2018 heeft [eiser] per e-mail onder meer aan [gedaagde] geschreven:

“(...) Ik zal de rechtbank verzoeken z.s.m. een nieuwe datum te bepalen voor de voorlopige voorzieningen. Zodra ik verneem, laat ik het je weten.

V.w.b. de kosten van rechtsbijstand heb ik je verteld dat er op dit moment een bedrag van ca. € 5.300 + 6% kk en BTW open staat en nog griffierecht en deurwaarderskosten. Je hebt een voorschot van € 1.000 + BTW voldaan (via jouw ouders). Je kunt beginnen als receptioniste voor 4 dagen en hebt ook nog een andere sollicitatie lopen. Zodra je inkomsten ontvangt, zul je het mij laten weten. Vanaf dan zul je maandelijks een bedrag gaan voldoen. Indien de rechtbank een alimentatie oplegt aan jouw ex en het lukt ook dat te innen, zullen we kijken of daarmee versneld op de kosten kan worden ingelopen. (...)”

2.9.

Op 2 juli 2018 heeft [eiser] een declaratie aan [gedaagde] gestuurd, waarin een deel van de verrichtingen, het griffierecht en de deurwaarderskosten zijn verrekend met het reeds betaalde voorschot.

2.10.

Op 1 augustus 2018 heeft [eiser] een e-mail met overzicht van de verrichtingen tot een bedrag van € 10.509,54 inclusief btw aan [gedaagde] gestuurd. Verder is daarin de afspraak vastgelegd dat [gedaagde] nogmaals bij haar ouders zou nagaan of zij een aanvullend voorschot van € 1.000,00 zouden willen betalen en ook de afspraak dat [gedaagde] na ontvangst van haar salaris over juli 2018 een voorstel zal doen voor een maandelijkse betaling aan [eiser] .

2.11.

Op 3 augustus 2018 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eiser] geschreven:

“Helaas kunnen mijn ouders me niet meer bijstaan.

Ik heb een netto salaris van € 1421,00.

Als (...) zijn betalingsverplichtingen blijft voldoen dus € 1200,00 per maand betalen heb ik een totaal van € 2600,00 dan zou mijn aflossing € 500,00 per maand zijn.

Ik hoop dat je hiermee kunt instemmen.”

2.12.

Op de aan [gedaagde] toegezonden voorschotdeclaratie van 30 augustus 2018 ten bedrage van € 500,00 is vermeld dat de betaling daarvan is verricht op 29 augustus 2018.

2.13.

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2018 betreffende de door [gedaagde] verzochte voorlopige voorzieningen is bepaald dat [gedaagde] gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en is de man bevolen aan [gedaagde] de goederen strekkende tot haar dagelijks gebruik beschikbaar te stellen, te weten (...). De rechtbank heeft verder geconcludeerd dat de draagkracht van de man niet toereikend is voor het betalen van een bijdrage aan partneralimentatie.

2.14.

Op de aan [gedaagde] toegezonden voorschotdeclaratie van 29 oktober 2018 is vermeld dat op 27 oktober 2018 een betaling van € 200,00 aan [eiser] is gedaan. Op de aan [gedaagde] toegezonden voorschotdeclaratie van 27 december 2018 is vermeld dat op 4 december 2018 een betaling van € 200,00 aan [eiser] is gedaan.

2.15.

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 december 2018 is de echtscheiding tussen [gedaagde] en haar ex-partner uitgesproken. Daarbij is bepaald dat [gedaagde] het recht heeft om de echtelijke woning nog tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand te blijven bewonen. Verder zijn [gedaagde] en haar ex-partner bevolen om tot verdeling van hun gemeenschap over te gaan ten overstaan van een notaris. [gedaagde] is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan.

2.16.

[gedaagde] heeft kort daarna een andere advocaat, namelijk mr. J. Dongelmans, in de arm genomen. Vervolgens heeft deze advocaat bij e-mail van 14 januari 2019 aan [eiser] meegedeeld:

“Intussen heb ik een bespreking gehad met mevrouw [gedaagde] , die u eerder heb bijgestaan in de echtscheidingsprocedure bij de Rechtbank in Utrecht, welke procedure heeft geresulteerd in de beschikking van 14 december jl.

Ik krijg van cliënte nog stukken aangeleverd en zal het dossier dan bestuderen, maar bericht u nu alvast wel dat cliënte ervoor kiest om met mij als advocaat verder te gaan in deze zaak, zodat u het dossier kunt sluiten.

De beschikking van 14 december jl. lezende en overigens ook de beschikking voorlopige voorzieningen van 21 september 2018 kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat er wellicht wat zaken zijn blijven liggen c.q. onderbelicht zijn gebleven van uw zijde bij de rechtbank, terwijl ik mij ook verbaas over de door u verzochte veroordeling van partijen om ten overstaan van de notaris over te gaan tot verdeling van de gemeenschap. Mij lijkt dat weinig efficiënt en bovendien ook extra geld kostend (nieuwe procedure).

Ik ga het dossier nog nader bestuderen en met cliënte bespreken en kom dan nog bij u

op de zaak terug.

Vooralsnog schort cliënte de betalingsregeling, die zij met u had afgesproken op, enerzijds omdat zij op dit moment onvoldoende financiële ruimte heeft om deze na te komen, anderzijds omdat er wellicht over de hoogte en juistheid van die declaraties waarschijnlijk wel het nodige te zeggen is.”

2.17.

[eiser] heeft vervolgens bij e-mail van 31 januari 2019 onder meer het volgende aan mr. Dongelmans bericht:

“Hierdoor kom ik terug op uw e-mail van 14 januari 2019. In die e-mail gaf u aan dat u de zaak van mevrouw [gedaagde] overneemt van mij. Van mevrouw [gedaagde] zelf heb ik helemaal niets vernomen.

U gaf tevens aan dat u nog stukken aangeleverd zou krijgen van uw cliënte en de zaak met haar zou bespreken en er daarna bij mij op terug zou komen. Inmiddels zijn we ruim twee weken verder en heb ik niets meer van u (of mevrouw [gedaagde] ) vernomen.

Voor wat betreft de financiële afwikkeling met mijn kantoor gaf u aan dat mevrouw [gedaagde] de betalingsregeling met mij opschort.

Ik ben mij vanzelfsprekend terdege bewust van de financiële situatie van mevrouw op dit moment en dat is ook de reden waarom ik de betalingsregeling met mevrouw [gedaagde] op een zo laag niveau heb geaccepteerd in afwachting van de financiële afwikkeling tussen de echtelieden en eventueel andere financiële ontwikkelingen aan haar zijde. Het kan echter niet zo zijn dat uw cliënte de betalingsregeling eenzijdig beëindigt en er nu niets meer wordt betaald c.q. geen regeling wordt getroffen voor de afwikkeling daarvan. Ik verzoek mevrouw [gedaagde] dan ook (via u) om de betalingsregeling van € 200,00 per maand voorlopig voort te zetten, in afwachting van de financiële afwikkeling danwel een nadere afspraak met haar. Mevrouw [gedaagde] heeft tot dusver € 2.310,00 betaald in deze zaak, inclusief € 368,54 aan deurwaarderskosten en griffierecht. Op dit moment staat er nog € 20.151,33 open aan te declareren werkzaamheden inclusief kantoorkosten en BTW. (...)”

2.18.

Bij e-mail van 27 februari 2019 heeft [eiser] de tussen partijen getroffen betalingsregeling uiteindelijk buiten rechte ontbonden wegens betalingsverzuim. Dezelfde dag heeft [eiser] de eindnota ten bedrage van € 19.221,44 aan [gedaagde] gezonden. Ondanks aanmaningen is deze factuur onbetaald gebleven.

2.19.

Bij beschikking van 12 mei 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap bekrachtigd en met betrekking tot de bijdrage van de man vernietigd. Verder heeft het hof, opnieuw rechtdoende, bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving in het register bij de burgerlijk stand, 2 mei 2019, aan [gedaagde] als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 5.117,00 per maand zal betalen.

2.20.

Bij brief van 15 januari 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] een klacht over de rechtsbijstandverlening van [eiser] aan [gedaagde] ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten te Utrecht. [eiser] heeft op zijn beurt een klacht over mr. Dongelmans ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten te Den Haag. Beide klachten worden gevoegd behandeld door de deken te Utrecht.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] te voldoen € 20.464,65 (bestaande uit € 19.221,44 aan hoofdsom, € 277,00 aan rente tot 1 december 2019 en € 967,21 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 december 2020 tot de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat [gedaagde] jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen ingevolge de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, door het verschuldigde bedrag ad € 19.221,44, ondanks sommaties, onbetaald te laten. [eiser] stelt verder dat hij voortdurende rekening heeft gehouden met de financiële omstandigheden van [gedaagde] en een betalingsregeling met haar had getroffen, die door [gedaagde] zonder overleg is opgeschort. [eiser] maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten, omdat [gedaagde] in verzuim is geraakt, respectievelijk [eiser] de vordering uit handen heeft moeten geven.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde] baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende.

Volgens [gedaagde] heeft [eiser] bij de verlening van rechtsbijstand aan haar beroepsfouten gemaakt en haar met hoge kosten en lege handen laten staan,

primair door:
a. zijn verplichting niet na te komen om haar te informeren over de mogelijkheid tot het aanvragen van een toevoeging voor gefinancierde rechtsbijstand bij de Raad voor de Rechtsbijstand;

b. bij de aanvang van zijn werkzaamheden voor haar geen toevoeging aan te vragen, hetgeen het ontstaan van de vordering had kunnen voorkomen;

subsidiair door:

c. de op 3 april tussen partijen gemaakte afspraak, inhoudende dat het declareren zal afhangen van het moment waarop zij, [gedaagde] , kan beschikken over meer inkomen en/of partneralimentatie en/of waarop het vermogen liquide kan worden gemaakt, niet na te komen en onnodige en ontoelaatbare druk op haar uit te oefenen om te gaan betalen, onder meer door haar te suggereren om geld van haar ouders te lenen;

meer subsidiair door:

d. haar niet op zodanige wijze bij te staan als zij van een goed handelend en bekwaam advocaat had mogen verwachten, in het bijzonder door na te laten om in het inleidende echtscheidingsverzoekschrift om verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te verzoeken en dit vooraf voldoende met haar te bespreken.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiser] tot betaling aan haar van een bedrag van € 2.310,00 binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020 en met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.6.

[gedaagde] meent dat zij aanspraak heeft op terugbetaling van het aan [eiser] betaalde bedrag van € 2.310,00. Zij licht toe dat [eiser] wellicht een bijdrage ter zake van de verleende toevoeging had moeten betalen en een wegens de toevoeging verminderd griffierecht, maar dat die betalingsverplichtingen door het niet aanvragen van de toevoeging niet zijn ontstaan, terwijl zij wel voornoemd bedrag aan [eiser] heeft betaald. Verder vindt [gedaagde] dat [eiser] beter had moeten adviseren, omdat zij een leek is en uit mag gaan van de deskundigheid van [eiser] . Het standpunt van [gedaagde] is dat zij de betalingen aan [eiser] daarom onverschuldigd heeft gedaan.

3.7.

[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.8.

Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat voor de beoordeling van de vordering relevant is het tussen partijen vaststaande feit dat [eiser] voor de door hem verleende rechtsbijstand aan [gedaagde] geen toevoeging bij de Raad voor Rechtsbijstand heeft aangevraagd. Uit de door [eiser] overgelegde verklaring van [gedaagde] van 26 maart 2020 (productie 23) blijkt dat zij daarvan op de hoogte was en toch [eiser] opdracht heeft gegeven om haar als advocaat bij te staan in de echtscheidingsprocedure. Zij verklaart daar immers onder meer in:

“(...) Ik heb hem in dat eerste gesprek wel gevraagd over een advocaat van onvermogen, maar hij vertelde mij dat ik daar niet voor in aanmerking kwam, omdat ik vermogend was. Hij heeft mij toen niets verteld over een vermogenstoets of resultaatstoets. (...)”

4.2.

Verder staat vast dat [eiser] het overeengekomen uurtarief van € 250,00 exclusief 6% kantoorkosten en btw in zijn e-mail van 3 april 2018 aan [gedaagde] heeft bevestigd. Uit de overgelegde mailwisseling tussen partijen blijkt dat [gedaagde] tijdens de uitvoering van de opdracht door [eiser] telkens op de hoogte is gebracht van de stand van de kosten zonder dat dit voor [gedaagde] aanleiding was en is om de kostenoverzichten op zichzelf te betwisten. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de kostenoverzichten met betrekking tot de verrichtingen en onkosten van [eiser] juist zijn en concludeert dat [gedaagde] op grond van de tussenpartijen gesloten overeenkomst in beginsel verplicht is tot betaling van de op die overzichten gebaseerde declaraties.

4.3.

De vraag die nog moet worden beantwoord is of de gevorderde som nu al volledig opeisbaar is. [gedaagde] beroept zich op de bij het sluiten van de overeenkomst gemaakte betalingsafspraak, die door [eiser] is weergegeven in de opdrachtbevestiging van 3 april 2018. In het verlengde van die afspraak zijn partijen echter betaling van een voorschotnota van € 1.210,00 overeengekomen en vervolgens hebben zij een betalingsregeling getroffen, inhoudende dat [gedaagde] termijnen van € 500,00 per maand aan [eiser] zou gaan betalen. Uit de correspondentie blijkt dat [gedaagde] dit termijnbedrag zelf heeft voorgesteld op basis van haar inschatting van haar toenmalige financiële situatie. Kort daarna heeft [eiser] geaccepteerd dat [gedaagde] het termijnbedrag aanpaste naar € 200,00 per maand, ondanks het niet weersproken feit dat [gedaagde] niet aan [eiser] heeft toegelicht of financieel heeft onderbouwd waarom zij tot de verlaging overging. Deze betalingsregeling bestond nog steeds op het moment dat [eiser] bericht kreeg van mr. Dongelmans dat [gedaagde] zich tot haar had gewend voor verdere rechtsbijstandverlening en dat de betalingsregeling tussen [gedaagde] en hem werd opgeschort. Niet weersproken is dat [gedaagde] ondanks een verzoek van [eiser] de betalingen in het kader van de betalingsregeling niet heeft hervat en aan [eiser] geen concreet onderbouwd betalingsvoorstel meer heeft gedaan.

4.4.

De kantonrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat [eiser] de betalingsregeling daarna rechtsgeldig op grond van betalingsverzuim heeft ontbonden en dat hij het volledige verschuldigde bedrag heeft mogen opeisen, zelfs als het zo zou zijn dat [eiser] – volgens het door [gedaagde] gevoerde en hierna te bespreken verweer – bij de uitvoering van de verleende diensten één of meer van de door [gedaagde] genoemde beroepsfouten heeft gemaakt.

Beroepsfouten

4.5.

[gedaagde] heeft het verweer gevoerd dat [eiser] bij de uitvoering van de verleende diensten beroepsfouten heeft gemaakt. Zij verbindt daaraan de conclusie dat zij niets aan [eiser] verschuldigd is. De kantonrechter acht dit niet juist. Op grond van de artikelen 7:405 en 7:406 BW is [gedaagde] immers verplicht tot betaling van het overeengekomen loon en de gemaakte onkosten aan [eiser] . Deze verplichting komt niet te vervallen als sprake zou zijn van een ondeugdelijke prestatie.

4.6.

Indien juist is dat [eiser] beroepsfouten heeft gemaakt of op andere wijze onvoldoende heeft gepresteerd – hetgeen niet vast staat, omdat [eiser] dit betwist – dan zou [gedaagde] hem voor de gevolgen daarvan eventueel aansprakelijk kunnen stellen en schadevergoeding kunnen vorderen. Omdat [gedaagde] niet heeft gesteld dat [eiser] aansprakelijk is voor de beweerde beroepsfouten, noch dat [gedaagde] als gevolg van die fouten schade heeft geleden, terwijl zij in reconventie ook geen schadevergoeding heeft gevorderd, komt de kantonrechter niet toe aan het beoordelen van het verweer ter zake van de beroepsfouten.

Conclusies

4.7.

De kantonrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de gevorderde hoofdsom in conventie volledig zal moeten worden toegewezen. In reconventie is de kantonrechter van oordeel dat de betalingen, waarvan terugbetaling wordt gevorderd, niet onverschuldigd zijn gedaan, omdat deze berusten op de overeenkomst van partijen. De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.

4.8.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. [eiser] heeft op 13 maart 2019 aan [gedaagde] een aanmaning (productie 19 bij de dagvaarding) gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal dan ook worden toegewezen.

4.9.

[gedaagde] zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.10.

De kosten aan de zijde van [eiser] worden in conventie begroot op:

- dagvaarding € 83,40

- griffierecht € 486,00

- salaris gemachtigde € 960,00 (2 punten x tarief € 480,00)

totaal in conventie € 1.529,40

en in reconventie op:

- salaris gemachtigde € 180,00 (2 x 0,5 punten x tarief € 180,00).

4.11.

De nakosten zullen in 'De beslissing' worden begroot. Daar staat ook hoe de wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie,

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 20.464,65 met de wettelijke rente over € 19.221,44 vanaf 1 december 2019 tot de voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.529,40, waarin begrepen € 960,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie,

5.5.

wijst de vordering af;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 180,00 aan salaris gemachtigde;

5.7.

verklaart de proceskostenveroordeling onder punt 5.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie en in reconventie tezamen,

5.8.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op

a. € 120,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling;

en

de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.