Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3881

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
UTR 20 /769
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand, erfenis, terugvordering. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/769

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug, verweerder

(gemachtigde: V.V. Tuchkova).

Inleiding en procesverloop

1. Eiser ontving vanaf 24 september 2015 een bijstandsuitkering.

1.1.

Nadat eisers vader overleed op [overlijdensdatum 1] 2013 kreeg zijn moeder het vruchtgebruik over het vermogen. Eiser heeft op 16 mei 2018 gemeld dat zijn moeder op [overlijdensdatum 2] 2018 is overleden. Op 31 oktober 2018 is de bijstand op eisers verzoek stopgezet. Eind december 2018 heeft eiser een erfenis ontvangen van € 60.000,-.

1.2.

Op 11 oktober 2019 (primair besluit 1) heeft verweerder vanwege de ontvangst van de erfenis de vermogensoverschrijding vastgesteld op € 52.419,93 en daarbij aan eiser meegedeeld dat hij een apart besluit ontvangt over de terugvordering van de bijstand. Op 31 oktober 2019 (primair besluit 2) heeft verweerder over de periode van 24 september 2015 tot en met 31 oktober 2018 een bedrag van € 26.420,39 (netto) van eiser teruggevorderd. Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 6 januari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 21 juli 2020 via een Skypeverbinding. Eiser was aanwezig op de zitting. Met eiser was meegekomen de heer [A] , die op de zitting door de rechtbank als informant is gehoord. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het oordeel en de overwegingen van de rechtbank

2. Verweerder heeft de bijstand van eiser over de periode van 24 september 2015 tot en met 31 oktober 2018 teruggevorderd omdat sprake is van achteraf verkregen middelen over een periode waarover bijstand is verleend. Eisers heeft immers op [overlijdensdatum 1] 2013 aanspraak gekregen op zijn aandeel in de nalatenschap van zijn vader en hij heeft na het overlijden van zijn moeder feitelijk de beschikking gekregen over zijn erfdeel uit de erfenis van zijn vader.

3. Eiser vindt het onterecht dat verweerder de hele bijstandsuitkering terugvordert vanwege de erfenis die hij na het overlijden van zijn moeder heeft ontvangen. Eiser had na het overlijden van zijn vader slechts een niet-opeisbare vordering op zijn moeder en kon toen dus niet beschikken over zijn kindsdeel omdat het vermogen in vruchtgebruik aan zijn moeder werd gegeven. Eiser kreeg pas de beschikking over de erfenis na het overlijden van moeder.

4. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom.

4.1.

In artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw staat het volgende: Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan de kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand: anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

4.2.

Het is vaste rechtspraak van hoogste bestuursrechter in dit soort zaken1 dat artikel 58, tweede lid, onder f, ten eerste van de Pw een zelfstandige terugvorderingsgrondslag biedt als bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt.

De aanspraak op een erfdeel ontstaat op het moment van overlijden van de erflater. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering over worden gegaan.

5. Dat artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw ook gaat over de situatie waarin aanspraken aanwezig zijn waar nog niet feitelijk over kan worden beschikt, zoals bij een onverdeelde boedel, blijkt uit de wetsgeschiedenis.2 Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f van de Pw heeft dezelfde tekst als artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Uit de wetsgeschiedenis van de WWB blijkt dat met artikel 58 van de WWB wordt aangesloten bij artikel 82 van de Algemene bijstandswet (Abw).3 In de Memorie van Toelichting bij dit laatste artikel staat dat dit artikel een terugvorderingsgrond geeft als bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt.4 Dit betekent dat in de rechtspraak is aangesloten bij de bedoeling van de wetgever.

5.1.

Dat eiser feitelijk niet over het erfdeel uit zijn vaders nalatenschap kon beschikken en dat hij bij het overlijden van zijn vader niet bekend was met de hoogte van het bedrag dat hij zou ontvangen uit zijn vaders nalatenschap - omdat zijn moeder de beschikking kreeg over alle goederen en rechten en daarmee bevoegd was de erfenis ‘op te maken’ - betekent niet dat de aanspraak niet is ontstaan. Bij het overlijden van zijn vader kreeg eiser een geldvordering van ruim € 90.000,- op zijn moeder. Deze vordering was een schuld van zijn moeder en moest als zodanig na haar overlijden als eerste uit de nalatenschap worden betaald. Eiser had een aanspraak op middelen waarover hij feitelijk nog niet kon beschikken.

5.2.

Juist op deze situatie ziet artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Pw. Dit betekent dat de stelling van eiser dat verweerder alleen mag terugvorderen over de periode vanaf het overlijden van zijn moeder op [overlijdensdatum 2] 2018 niet kan slagen. Verweerder mag terugvorderen tot het moment dat de aanspraak op het erfdeel uit zijn vaders nalatenschap ontstond, dat was toen de vader van eiser overleed op [overlijdensdatum 1] 2013. Omdat eiser pas vanaf 24 september 2015 bijstand kreeg mag verweerder terugvorderen tot dat moment. Achteraf wordt rekening gehouden met de later ontvangen middelen. Dat eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd hangt samen met het complementaire karakter van de Pw. Bij de terugvordering moet verweerder wel rekening houden met de (hoogte van) de middelen die eiser daadwerkelijk heeft ontvangen. Dit heeft verweerder gedaan. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

6. Eiser heeft verder aangevoerd dat het onbehoorlijk is dat verweerder altijd en dus ook in zijn situatie gebruikt maakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering. Volgens eiser mag verweerder in zijn situatie de bijstand niet terugvorderen omdat hij zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Bovendien wist verweerder op het moment dat eiser bijstand aanvroeg dat zijn vader was overleden maar heeft verweerder hem toen niet duidelijk gemaakt dat een eventuele erfenis in de toekomst een probleem zou kunnen gaan vormen. Als eiser dit had gewezen dan had hij wellicht een andere keuze gemaakt.

7. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder voert het beleid dat hij altijd gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de bijstand terug te vorderen, als bedoeld in artikel 58, tweede lid onder f van de Pw en dat verweerder kan afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit als hiertoe een dringende reden is.5 Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Naar het oordeel van de rechtbank valt verweerders beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.6

7.1.

In wat eiser heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen in vorenbedoelde zin. Dat eiser de inlichtingenplicht niet heeft geschonden kan niet als dringende reden worden aangemerkt reeds omdat voor de vraag of verweerder de bevoegdheid heeft om de bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw, terug te vorderen, niet van belang of de inlichtingenplicht al dan niet is geschonden. Dat verweerder eiser er niet over heeft geïnformeerd dat hij de bijstand mogelijk moet terugbetalen als hij alsnog zijn erfdeel uit erfenis van zijn vader zou ontvangen, kan ook niet als dringende reden worden aangemerkt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet wist van het overlijden van eisers vader wat eiser niet heeft weersproken - en dat er daarom in 2015 geen onderzoek is gedaan. Verweerder is voor informatie over – de aanspraak op – een erfenis afhankelijk van inlichtingen van degene die de bijstand aanvraagt. Het lag dan ook op de weg van eiser om op dat moment bij verweerder te informeren of en zo ja hoe, het gegeven dat hij een niet‑opeisbare vordering had op zijn moeder uit de erfenis van zijn vader, van invloed zou kunnen zijn op zijn recht op bijstand. De gevolgen van het feit dat eiser dat niet heeft gedaan komen, hoe vervelend ook, voor zijn risico.

8. Uit wat hiervoor is vastgesteld en overwogen volgt dat eiser geen gelijk krijgt. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 1 september 2020 door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is niet in staat deze rechter

uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:856.

2 Zie punt 14 van de uitspraak van meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland van 17 december 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:6088.

3 Kamerstukken II, 2002-2003, 28870, nr. 14, p. 5.

4 Kamerstukken II, 1991-1992, 22545, nr. 3, p. 172.

5 Artikel 4, eerste lid, van de ‘Beleidsregel herziening, intrekking en terugvordering Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijd Heuvelrug (RDWI) 2016’ (de Beleidsregel) en artikel 6, tweede lid, van de Beleidsregel.

6 Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 25 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2116.