Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3880

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-08-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
UTR 20 /1106
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wlz, beroep ontvankelijk, medisch advies zorgvuldig tot stand gekomen, eerdere toekenning zorgprofiel was een fout, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1106

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Rhodes),

en

het CIZ, verweerder

(gemachtigde: mr. J. E. Koedood).

Inleiding en procesverloop

1.1.

Eiseres is bekend met Lewy-Body dementie, gepaard gaand met onder meer angsten en hallucinaties.

1.2.

Bij besluit van 4 december 2014 heeft het CIZ1 aan eiseres een indicatie toegekend voor het zorgprofiel Verpleging en Verzorging (VV) ‘beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met nadruk op begeleiding’ (hierna: zorgprofiel VV07) voor de duur van vijftien jaar.

1.3.

Naar aanleiding van een ambtshalve heronderzoek heeft het CIZ bij besluit van 18 oktober 2019 (primair besluit) de indicatie voor het zorgprofiel VV07 verlengd tot 17 januari 2020.2 Vanaf 17 januari 2020 is eiseres geïndiceerd voor het zorgprofiel VV05 ‘Beschermd wonen met intensieve dementiezorg’. Eiseres is het niet een met dit besluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.4.

Het CIZ heeft dit bezwaar ongegrond verklaard bij besluit gedagtekend op 30 januari 2020 (bestreden besluit). Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

1.5.

Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 6 juli 2020 gehouden via een beeld- en geluidverbinding (Skype). Partijen hebben zich op de zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

De ontvankelijkheid van het beroep

2. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiseres tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit.

3.1.

De rechtbank stelt voorop dat de hoogste bestuursrechters als uitgangspunt hanteren dat, ingeval van niet aangetekende verzending van een besluit, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat dat besluit is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres.

3.2.

Dit brengt met zich dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Contra‑indicaties kunnen meebrengen dat geoordeeld moet worden dat het besluit wel (eerder) moet zijn ontvangen, waarmee, zonder nader bewijs, ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden.3

4. Het standpunt van eiseres komt erop neer dat er niet van kan worden uitgegaan dat het bestreden besluit daadwerkelijk op de door het CIZ gestelde verzenddatum, 30 januari 2020, is verzonden. Gelet op hetgeen onder 3.2. is weergegeven, dient allereerst beoordeeld te worden of het CIZ aannemelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit op die datum is verzonden.

5. Vaststaat dat het CIZ het op 30 januari 2020 gedagtekende bestreden besluit naar het adres van de toenmalig gemachtigde van eiseres heeft verzonden en dat dit besluit op enig moment is ontvangen. Het bestreden besluit is evenwel niet aangetekend verzonden. Dat het bestreden besluit daadwerkelijk op 30 januari 2020 is verzonden blijkt volgens het CIZ uit een geautomatiseerd opgestelde lijst waarop een document pas wordt vermeld met een datum zodra het document (geautomatiseerd) wordt verzonden.
Op de zitting heeft de gemachtigde van het CIZ in dit verband toegelicht dat de datum zoals die in het systeem staat, de printdatum van het poststuk is. Het geprinte poststuk komt vervolgens direct op een stapel bij de administratie terecht waarna het poststuk op dezelfde dag wordt verzonden. Van de daadwerkelijke verzending wordt geen administratie bijgehouden, aldus het CIZ.

6. De rechtbank is van oordeel dat het CIZ met het voormelde niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit, gedagtekend op 30 januari 2020, ook daadwerkelijk op die dag is verzonden naar het adres van de toenmalig gemachtigde van eiseres.
Daarmee ligt in het onderhavige geval de vraag voor of sprake is van contra-indicaties als onder 3.2. bedoeld. De rechtbank stelt vast dat van dergelijke contra-indicaties niet is gebleken. Uit niets blijkt dat de toenmalig gemachtigde van eiseres het bestreden besluit omstreeks 30 januari 2020 heeft ontvangen. Hieruit volgt dat de verzending van het bestreden besluit op 30 januari 2020 niet aannemelijk is geworden. Daaruit vloeit voort dat niet kan worden vastgesteld dat het op 13 maart 2020 ingediende beroepschrift te laat is ingediend. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het beroep tijdig is ingediend en dus ontvankelijk is.

De inhoudelijk beoordeling van het beroep

7. Eiseres had vanaf 4 december 2014 een indicatie voor zorgprofiel VV07. In het kader van een ambtshalve herindicatieonderzoek heeft onderzoeker [A] op 20 juni 2019 een huisbezoek afgelegd en heeft het CIZ informatie opgevraagd bij de huisarts van eiseres. Verder heeft het CIZ een medisch advies gevraagd, welk advies op 17 oktober 2019 is uitgebracht door medisch adviseur drs. S.F. Khan.

8. Op grond van dit advies heeft het CIZ het primaire besluit genomen. Nadat eiseres tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt is er met de huisarts van eiseres gesproken en heeft op 20 januari 2020 nog een huisbezoek plaatsgevonden. De informatie die hieruit naar voren is gekomen was voor het CIZ geen aanleiding om een nieuw en/of aanvullend medisch advies aan (een van) zijn medisch adviseurs te vragen.

9. Het CIZ heeft zich op grond van het advies van 17 oktober 2019 op het standpunt gesteld dat zorgprofiel VV07 niet meer passend is voor eiseres.4 Bij eiseres is wel sprake van gedragsproblematiek, te weten angsten, hallucinaties en reactief gedrag met betrekking tot de interactie, maar de ernst en frequentie hiervan zijn niet dusdanig dat er op basis van deze gedragsproblemen continu toezicht noodzakelijk is. Rondom de gedragsproblemen is geen actuele medische informatie bekend en er is geen zorg- en/of behandelplan met informatie over de achtergrond van het probleemgedrag, de effecten van eerdere behandeling of de prognose van het probleemgedrag. Ook is er de afgelopen jaren geen inzet van professionals of interventies noodzakelijk geweest rondom het gedrag. Het CIZ heeft op basis van het medisch advies een indicatie voor zorgprofiel VV05 toegekend omdat dit zorgprofiel naar zijn mening het meest passend is voor eiseres.

10. Eiseres heeft het medisch advies van 17 oktober 2019 betwist. Haar beperkingen zijn onderschat en haar (gedrags)problemen zijn toegenomen, wat kan worden verklaard uit het feit dat de bij haar geconstateerde ziekte progressief van aard is. Eiseres zou daarom een hogere indicatie moeten krijgen. In de brief van de huisarts van 27 september 2019 staat dat er niets bekend is over ernstige gedragsproblemen, maar onduidelijk is of de huisarts bij de beantwoording van die vraag hetzelfde beoordelingskader heeft gehanteerd als verweerders medisch adviseur. Gelet op de inhoud van de brief zegt de huisarts wel degelijk iets over de ernst van de problemen.

11. Volgens vaste rechtspraak mag het CIZ zijn besluitvorming baseren op een medisch advies als is gebleken dat dit advies volledig is en op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het ligt vervolgens op de weg van eiseres om medische stukken te overleggen die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid of zorgvuldigheid van het medisch advies.5

12. De rechtbank is van oordeel dat het door de medisch adviseur uitgevoerde onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het CIZ zijn besluitvorming daarop heeft kunnen baseren. Het medisch advies is gebaseerd op dossieronderzoek, de informatie verkregen tijdens het huisbezoek en de informatie van de huisarts. De medisch adviseur heeft hieruit de conclusie getrokken dat het probleemgedrag van eiseres, waaronder de ernst en frequentie, alsmede de ingezette interventies en evaluatie van het effect ervan, vanuit de medische gegevens onvoldoende duidelijk zijn om vast te kunnen stellen dat er sprake is van (blijvend) ernstig probleemgedrag waarvoor continu hulp, toezicht en sturing nodig is. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan deze conclusie van de medisch adviseur. Eiseres heeft de stelling dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat haar (gedrags)problemen zijn toegenomen, niet met medische informatie onderbouwd. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank ook geen aanleiding om er aan te twijfelen dat de medisch adviseur de informatie van de huisarts op een juiste en zorgvuldige manier heeft betrokken bij de totstandkoming van zijn advies. Eiseres heeft haar stelling dat de huisarts mogelijk een ander beoordelingskader heeft gehanteerd dan de medisch adviseur niet onderbouwd met (medische) stukken, bijvoorbeeld met een brief van haar huisarts. Voor zover eiseres heeft gesteld dat de ernst van haar problemen blijkt uit het feit dat de huisarts opname in een verpleeghuis geïndiceerd acht, is van belang dat de gemachtigde van het CIZ ter zitting heeft toegelicht dat het zorgprofiel VV05 ook wordt geïndiceerd in gevallen waarin opname in een verpleeghuis nodig is en dat het de eigen keuze van eiseres is om daar tot nu toe van af te zien. De enkele omstandigheid dat de huisarts net als de medisch adviseur van het CIZ opname in een verpleeghuis nodig vindt, is dan ook geen omstandigheid die afbreuk doet aan het medisch advies.
Gelet op het voorgaande slagen de onder 10. vermelde beroepsgronden van eiseres dus niet.

13. Eiseres heeft in beroep verder aangevoerd dat onduidelijk is waarom het CIZ terugkomt van de eerdere conclusie dat de gedragsproblemen zodanig ernstig waren dat zorgprofiel VV07 geïndiceerd was. Zij wil een vergelijking maken tussen de situatie nu en die in 2014 maar in het dossier ontbreken de medische stukken op grond waarvan het CIZ eerder zorgprofiel VV07 heeft geïndiceerd.

14. Het CIZ heeft in reactie op deze beroepsgrond zich in het verweerschrift en nader toelicht op de zitting, op het standpunt gesteld dat gezien de medische gegevens uit 2014 zoals vermeld in het medisch advies, ook in 2014 zorgprofiel VV07 voor eiseres niet het meest passend was. Ook toen voldeed eiseres immers niet aan de aanvullende criteria zoals genoemd in de Beleidsregel Wlz. Hieruit heeft het CIZ de conclusie getrokken dat bij de toekenning van VV07 in 2014 sprake is geweest van een fout.

15. De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, vast dat eiseres het standpunt van het CIZ dat bij de toekenning van de indicatie voor zorgprofiel VV07 in 2014 sprake was van een fout, niet (gemotiveerd) heeft betwist. Wel heeft eiseres aangevoerd dat zij van het CIZ de medische stukken wil ontvangen waarop het CIZ destijds de indicatie voor zorgprofiel VV07 heeft gebaseerd om zo een vergelijking te kunnen maken tussen de situatie toen en nu. Het CIZ heeft hierover terecht opgemerkt dat hij zo’n verzoek nooit heeft ontvangen. Het verzoek van eiseres om toezending van de medisch stukken is immers niet aan het CIZ gericht maar aan de rechtbank. Voorts stelt de rechtbank, anders dan eiseres stelt, vast dat de medische informatie op basis waarvan de indicatie in 2014 is afgegeven, voor haar bekend is. Immers, in het ‘CIZ overzicht dossier’ van 31 maart 2020, waarvan het medisch advies van 17 oktober 2019 deel uitmaakt, staat vermeld welke medische informatie het CIZ in 2014 bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Gelet hierop had eiseres bij haar behandelaars om een afschrift van deze medische informatie kunnen opvragen voor zover zij zelf niet (meer) over deze medische informatie beschikte en had zij haar behandelaars toestemming kunnen geven om deze informatie ook aan haar gemachtigde te sturen. Voorts dient voor ogen te worden gehouden dat alleen als eiseres (de medisch adviseurs van) het CIZ machtigt om deze medische informatie aan derden/haar gemachtigde te verstrekken, het CIZ aan dit verzoek had kunnen voldoen.
Gelet op het voorgaande kan de onder 13. vermelde beroepsgrond niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

16. De rechtbank merkt nog het volgende op. Over het door eiseres bij faxbericht van 6 juli 2020 overgelegde stuk van het Mobiel Geriatrisch Team van 3 juli 2020, heeft de rechtbank ter zitting de procesbeslissing genomen om dit stuk van 3 juli 2020 niet bij de beoordeling van het beroep te betrekken omdat het wel betrekken van dit stuk bij de beoordeling van het beroep in strijd is met het beginsel van de goede procesorde. De motivering van dit oordeel heeft de rechtbank op de zitting gegeven en is opgenomen in de zittingsaantekeningen.

17. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is.

18. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 augustus 2020 door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd om deze rechter

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten.

2 Op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).

3 Zie punt 4.1 van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1174.

4 Zie pagina’s 4 en 5 van het bestreden besluit.

5 Zie bv. punt 4.4 van de uitspraak van de CRvB van 8 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:33.