Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3865

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
16/029318-03 (vordering verlenging tbs)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging van tbs-maatregel met dwangverpleging met twee jaar. Het huidige beveiligingsniveau blijft gewenst en noodzakelijk om de veiligheid te kunnen waarborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/029318-03 (vordering verlenging tbs)

Beslissing op grond van artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 14 september 2020

in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats] ,

verblijvende in de [verblijfplaats] te [plaatsnaam 1] ,

hierna te noemen: betrokkene.

1 De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:

- het Gerechtshof Amsterdam, zittinghoudende te Arnhem van 24 oktober 2005, waarbij de betrokkene ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege omdat hij zich -onder meer- schuldig heeft gemaakt aan moord, meermalen gepleegd;

- stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling is ingegaan op 12 september 2014;

- de meest recente verlengingsbeslissing van deze rechtbank van 13 september 2018, waarbij de termijn van terbeschikkingstelling is verlengd met twee jaar;

- de vordering van de officier van justitie d.d. 10 augustus 2020, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar;

- het verlengingsadvies van [verblijfplaats] van 29 juli 2020, opgemaakt door [A] (behandelcoördinator) en [B] (psychiater, directeur behandelzaken, plaatsvervangend hoofd van de inrichting), inhoudend het advies om de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaar;

- de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene, over de periode 16 april 2018 tot en met 13 juli 2020.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De behandeling van de zaak heeft op 31 augustus 2020 ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie, mr. E. ter Braak;

- de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. H. Anker, advocaat te Leeuwarden;

- de deskundige, [A] .

3 Het standpunt van de inrichting

Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 1 genoemde rapport. De deskundige voornoemd heeft ter zitting het advies van de inrichting toegelicht.

Het standpunt luidt – zakelijk weergegeven – dat er bij de betrokkene nog steeds sprake is van een stoornis. Ook is het recidiverisico nog aanwezig. Dit risico wordt bij beëindiging van de maatregel ingeschat als hoog.

Het advies luidt de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen voor de duur van twee jaar.

De deskundige heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen een verlenging voor de duur van één jaar.

4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting haar vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaar gehandhaafd.

5 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een verlenging van de maatregel voor de duur van een jaar. Daartoe is aangevoerd dat het onzeker is hoe de gezondheid, met name de dementie, van betrokkene zal verlopen en dat de wijze waarop dat zal verlopen van invloed zal zijn op te maken keuzes. De raadsman verwijst naar het advies, waarin te lezen is dat afhankelijk van het beloop van de dementie en de invloed hiervan op het functioneren van betrokkene, herhaaldelijk geëvalueerd zal moeten worden of langer verblijf in een forensische setting nog noodzakelijk is of dat overplaatsing naar een andere instelling, meer gespecialiseerd in het bieden van zorg aan psychogeriatrische patiënten, op verantwoorde wijze zou kunnen plaatsvinden. De raadsman is van mening dat zich binnen een jaar ontwikkelingen kunnen voordoen die van invloed kunnen zijn op door de rechtbank te nemen beslissingen.

6 Het oordeel van de rechtbank

Maximering

Betrokkene is bij arrest van 24 oktober 2005 veroordeeld -onder meer- wegens moord, meermalen gepleegd.

De rechtbank heeft in de verlengingsbeslissing van 13 september 2018 overwogen dat de opgelegde terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd.

Stoornis en recidivegevaar

Uit het verlengingsadvies blijkt dat er nog steeds sprake is van een stoornis bij betrokkene, te weten:

  • -

    autismespectrumstoornis;

  • -

    schizoïde-persoonlijkheidsstoornis;

  • -

    antisociale persoonlijkheidsstoornis;

  • -

    uitgebreide vasculaire neurocognitieve stoornis, zonder gedragsstoornissen: vasculaire dementie;

  • -

    problemen verband houdend met justitiële maatregelen.

Het recidivegevaar wordt bij beëindiging van de maatregel als hoog ingeschat.

De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van het advies te twijfelen en neemt dit over.

Verlenging

Gelet op het advies van de inrichting en de toelichting daarop van de deskundige en hetgeen overigens ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist.

Uit het verlengingsadvies komt naar voren dat in betrokkenes problematiek geen wezenlijke verandering is gekomen. Met de aanwezigheid van een progressieve dementiële aandoening is de verwachting dat betrokkene geleidelijk slechter zal gaan functioneren. De verwachting is niet dat het delictrisico nog zodanig zal kunnen afnemen dat een regulier resocialisatietraject aan de orde kan zijn. Een verloftraject wordt ook niet meer geïndiceerd en haalbaar geacht. Het huidige beveiligingsniveau blijft gewenst en noodzakelijk om de veiligheid te kunnen waarborgen.

De komende periode zal gekeken worden naar een geschikte verblijfsplek voor betrokkene, waar hem passende forensische en medisch geriatrische zorg geboden kan worden. Gebleken is dat [naam locatie] in [plaatsnaam 2] , onderdeel van de [naam kliniek] , voornemens is een forensische verpleegafdeling op te richten. De kliniek is momenteel met [naam locatie] in overleg over de eventuele opties om betrokkene daarheen over te plaatsen. Zodra het plan over het opzetten van een forensische verpleegafdeling definitief is, zal er een intake gepland worden. Mocht [naam locatie] geen optie blijken te zijn, dan zal verzocht worden een zorgconferentie in te plannen om te bespreken wat een goede plek voor betrokkene zou kunnen zijn, aangezien de huidige kliniek vanwege de vasculaire dementie bij betrokkene op termijn geen goede verblijfsplek is.

De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van betrokkene om de termijn van terbeschikkingstelling met een jaar te verlengen. Het uitgangspunt van de rechtbank is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat de maatregel langer zal moeten voortduren dan een jaar, de terbeschikkingstelling - behoudens bijzondere omstandigheden - verlengd dient te worden met een termijn van twee jaar.
De rechtbank stelt op basis van het verlengingsadvies, de door de deskundige ter zitting gegeven toelichting en het ziekteverloop tot nu toe vast dat niet te verwachten is dat zich binnen een jaar ontwikkelingen voordoen die van invloed zijn op het gevaarscriterium en waardoor de wenselijkheid en de noodzaak van het voortduren van de maatregel opnieuw beoordeeld zal moeten worden.Ook overigens is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een verlenging met een jaar vereist. De rechtbank zal daarom de maatregel met twee jaar verlengen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van [betrokkene] met twee jaar.

Deze beslissing is genomen door mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mrs. M.E. Falkmann en D. Riani el Achhab, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2020.