Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3863

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
C/16/507006 / HA RK 20-204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Wrakingsverzoek wegens een procesbeslissing en het niet dan wel niet tijdig nemen van een procesbeslissing. Wrakingsverzoek ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

locatie Lelystad

zaaknummer / rekestnummer: C/16/507006 / HA RK 20-204

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 11 september 2020

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

verder te noemen: verzoekster.

Hierbij is belanghebbende:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gemachtigde mr. M. Siebrands te Hilversum.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de e-mail van 4 augustus 2020 van verzoekster inhoudende het wrakingsverzoek

  • -

    de reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 19 augustus 2020

  • -

    de e-mail van 28 augustus 2020 van mr. Siebrands

  • -

    de e-mail van 28 augustus 2020 van verzoekster.

1.2.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek voor de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken is gepland op 28 augustus 2020. Zowel verzoekster, mr. Siebrands als de betrokken rechter hebben de wrakingskamer vooraf bericht niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling. Het wrakingsverzoek is derhalve behandeld buiten aanwezigheid van verzoekster en belanghebbenden.

1.3.

De wrakingskamer heeft bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Bij de afdeling civielrecht van deze rechtbank, kamer voor kantonzaken, locatie Utrecht, is een zaak met het nummer 8059111 UC EXPL 19-10425 aanhangig. Verzoekster is in die procedure gedaagde partij, belanghebbende is eisende partij.

2.2.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. H.A.M. Pinckaers (hierna: de rechter). Zij is de rechter van bovengenoemde zaak.

2.3.

Verzoekster onderbouwt haar wrakingsverzoek als volgt.

2.3.1.

Verzoekster heeft de rechter meerdere keren verzocht om een comparitie. Aan dit verzoek is de rechter voorbij gegaan. Weliswaar heeft de rechter verzoekster bericht dat het verzoek tot het houden van een comparitie in overweging genomen zou worden, maar daar is de rechter niet meer op teruggekomen. In plaats daarvan heeft verzoekster een brief ontvangen met de mededeling dat vonnis gewezen zal worden en waarbij ook is meegedeeld dat de vonnisdatum verzet kan worden. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat als er ruimte is om de vonnisdatum te verzetten, er ook ruimte moet zijn om een comparitie te bepalen. Volgens verzoekster getuigt deze gang van zaken van willekeur.

2.3.2.

In haar e-mail van 28 augustus 2020 voert verzoekster nog aan dat het niet plaatsvinden van een comparitie haar procesgang kan schaden. Verzoekster heeft recht op een juist en eerlijk proces. Ondanks het uitbreken van het coronavirus zijn er mogelijkheden om op afstand een comparitie te houden. De rechter heeft die mogelijkheden buiten beschouwing gelaten dan wel deze niet voorgesteld. De keuze die de rechter maakt om tijdwinst te realiseren is niet in het voordeel van partijen. Verzoekster heeft processtukken niet ontvangen. Om ergens op te kunnen reageren moeten de stukken aan haar ter hand gesteld zijn. Verzoekster verzoekt de wrakingskamer de rechter op te dragen alsnog een comparitie te gelasten, omdat nog geen uitspraak is gedaan, of om de zaak door een andere rechter te laten behandelen.

2.4.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie geeft zij de volgende toelichting op het (administratieve) verloop van de procedure tussen verzoekster en belanghebbende. Bij brief van 12 juni 2020 heeft de griffier verzoekster en belanghebbende bericht dat in de zaak tussen hen vonnis zal worden gewezen. Ook is hen meegedeeld dat ernaar wordt gestreefd om op 8 juli 2020 uitspraak te doen. Met een e-mail van 17 juni 2020 heeft verzoekster de rechtbank bericht de rechter te zullen wraken als geen comparitie van partijen of getuigenverhoor zal worden gehouden. De griffie heeft dit bericht opgevat als een verzoek tot heropening van de inhoudelijke behandeling van de zaak. Omdat op zo’n verzoek de wederpartij moet worden gehoord, heeft de griffier het verzoek van verzoekster voorgelegd aan belanghebbende en haar om een schriftelijke reactie gevraagd. In die brief is verder meegedeeld dat de rechter de behandelend rechter zal worden en dat na ontvangst van bericht van belanghebbende een beslissing op het verzoek tot heropening genomen zou worden. De reactie van belanghebbende is op 15 juli 2020 ontvangen. Op dat moment was de rechter op vakantie. Op 4 augustus 2020 is het wrakingsverzoek gedaan. Toen de rechter teruggekeerd was van haar vakantie heeft zij het dossier weer voor het eerst gezien.

De rechter licht toe dat in de zaak van verzoekster en belanghebbende is bepaald dat vonnis zal worden gewezen, omdat verzoekster geen conclusie van dupliek heeft genomen en zij ook niet om uitstel heeft gevraagd om dat alsnog te doen. In dat geval is het gebruikelijk de inhoudelijke behandeling te sluiten en de zaak voor vonnis te zetten, hetgeen is gedaan en aan partijen is meegedeeld met de brief van 12 juni 2020. Het klopt dat verzoekster nog geen beslissing heeft gekregen op haar verzoek om heropening van de inhoudelijke behandeling en dat verzoekster zoals aan haar is meegedeeld binnen twee weken een beslissing had behoren te krijgen. Maar enige vertraging is in een vakantiemaand niet zo bijzonder dat daardoor getwijfeld kan worden aan de onpartijdigheid van de rechter.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

In de kern is het wrakingsverzoek gericht zowel tegen de beslissing van de rechter dat in de zaak van verzoekster vonnis gewezen zal worden, als tegen de omstandigheid dat de rechter geen beslissing heeft genomen op het verzoek van verzoekster om de inhoudelijke behandeling van de zaak te heropenen. Deze grond leidt de wrakingskamer af uit de omstandigheid dat verzoekster na het verstrijken van de toegezegde termijn voor de beslissing op de heropening haar wrakingsverzoek heeft ingediend. De bij e-mail van 28 augustus 2020 aangevoerde gronden moeten worden aangemerkt als nieuwe gronden, en worden om die reden buiten beschouwing gelaten. De wet schrijft voor dat alle wrakingsgronden tegelijk worden voorgedragen. Het doel van dit voorschrift is dat onnodige vertraging wordt voorkomen. Nieuwe omstandigheden worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het wrakingsverzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. De door verzoekster aangevoerde nadere gronden waren haar echter al vóór indiening van het wrakingsverzoek bekend waardoor zij tegelijk aangevoerd hadden kunnen worden. De later aangevoerde gronden zijn daarom te laat ingediend en worden niet in de beoordeling betrokken. Daar komt bij dat het verzoek van verzoekster aan de wrakingskamer om in de zaak tussen verzoekster en belanghebbende een comparitie te gelasten niet binnen haar taak en bevoegdheden valt.

3.4.

De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de rechter dat in de zaak tussen verzoekster en belanghebbende vonnis gewezen zal worden, moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Volgens de Hoge Raad komt de wrakingskamer over de juistheid van zo’n procesbeslissing geen oordeel toe. Wanneer een wrakingsverzoek is gericht tegen de motivering van een procesbeslissing geldt als uitgangspunt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat de motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de rechter onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. De Hoge Raad heeft wel één uitzondering geformuleerd. Als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven, zou daarin een grond voor wraking kunnen liggen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daar geen sprake van.

3.5.

De tweede omstandigheid die aan het wrakingsverzoek ten grondslag ligt, betreft het niet (tijdig) nemen van een procesbeslissing. Hoewel het niet correct is dat een beslissing niet genomen wordt binnen de aan partijen toegezegde termijn, kan dit geen reden voor wraking vormen, nu daaruit op zichzelf niet kan worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is ten aanzien van een van partijen. In dit geval lag de oorzaak van het niet tijdig nemen van de beslissing in de afwezigheid van de rechter in verband met haar vakantie. Het feit dat de rechter in het geheel geen beslissing heeft genomen op het verzoek om heropening van de inhoudelijke behandeling, ligt in de omstandigheid dat verzoekster tijdens deze vakantie het wrakingsverzoek heeft ingediend. Een wrakingsverzoek heeft tot gevolg dat de gewraakte rechter niet meer bevoegd is om nog enige beslissing in de betreffende zaak te nemen, met uitzondering van bepaalde gevallen die hier niet aan de orde zijn. Daardoor was het de rechter na terugkomst van haar vakantie niet meer toegestaan een beslissing op het verzoek van verzoekster nemen. Ook deze omstandigheid leidt ertoe dat het niet nemen van een beslissing niet kan leiden tot de conclusie dat de rechter vooringenomen is ten aanzien van verzoekster.

3.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter en belanghebbende, alsmede aan de betrokken teamvoorzitter en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 8059111 UC EXPL 19-10425 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, en mr. J.F. Haeck en mr. D.J. van Maanen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.S.J. Goeman-Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.

griffier wegens afwezigheid van de voorzitter

wordt deze beslissing getekend door de oudste rechter

De griffier is buiten staat te tekenen.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.