Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3862

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
C/16/507083 / HA RK 20-208
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Wrakingsverzoek wegens regiehandeling van de rechter. Verzoek ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

locatie Lelystad

zaaknummer / rekestnummer: C/16/507083 / HA RK 20-208

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 11 september 2020

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: verzoeker.

Hierbij is belanghebbende:

de stichting

SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,

zetelend te [vestigingsplaats] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de met gesloten deuren gehouden zitting van de familierechter op 6 augustus 2020 met daarin het wrakingsverzoek van verzoeker

  • -

    de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de rechter van 18 augustus 2020

  • -

    een schriftelijke reactie van verzoeker van 27 augustus 2020 op de schriftelijke reactie van de rechter.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 28 augustus 2020 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen verzoeker en diens echtgenote mevrouw [A] die ook bij de zitting op 6 augustus 2020 aanwezig was. De rechter heeft in haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek laten weten niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling.

1.3.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. M.A.A. ter Meer-Siebers als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer C/16/506294 / JL RK 20-543. Het gaat in die zaak om een verzoek van Samen Veilig om vervangende toestemming voor de aanvraag van een ID-kaart van de minderjarige dochter van verzoeker en zijn vrouw die bij pleegouders woont.

2.2.

Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek.

2.2.1.

Verzoeker en zijn vrouw hebben vaker een zitting gehad bij de rechter waarbij een medewerker van Samen Veilig betrokken was. De aanleiding voor de wraking is, volgens verzoeker, de gang van zaken op de zitting op 6 augustus 2020, meer specifiek, de wijze waarop verzoeker en zijn vrouw werden behandeld, maar ook dat Samen Veilig feiten verzwijgt, en tenslotte het vaste patroon in behandeling van verzoeker en zijn vrouw, waardoor zij het gevoel hebben met de rug tegen de muur te zijn gezet.

2.2.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker zijn verzoek nader toegelicht. Samen Veilig heeft als bijlage bij haar verzoek om vervangende toestemming rapporten van de gezinsvoogd gevoegd waar onjuistheden in staan. In andere stukken van Samen Veilig staan ook allemaal fouten. Deze fouten worden niet gecorrigeerd. Daar heeft verzoeker in het verleden klachtprocedures over gevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling van een kort geding dat de dag voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden heeft Samen Veilig verzoeker toegezegd stukken aan hem over te leggen. Vervolgens blijkt dat Samen Veilig niet de volledige stukken overlegt. Het proces-verbaal van de zitting van 6 augustus 2020, waarnaar de rechter in haar reactie op het wrakingsverzoek verwijst, blijkt ook niet compleet, omdat daar niet in terug te lezen is dat de rechter verzoeker en zijn vrouw aan het begin van de zitting een preek heeft gegeven. Bovendien schrijft de rechter in haar reactie dat tijdens de zitting verzoeker en zijn vrouw hebben gemeld dat zij een vordering tot schadevergoeding hebben ingediend, maar noemt de rechter daarbij de verkeerde gecertificeerde instelling. Ook is dit onderwerp niet in het proces-verbaal opgenomen. Dit alles is niet open en niet eerlijk.

2.2.3.

Omdat de rechter niet aanwezig is bij de mondelinge behandeling van dit wrakingsverzoek, terwijl zij kan verklaren over de zitting die op 30 januari 2020 heeft plaatsgevonden, verzoekt verzoeker de wrakingskamer om aanhouding van deze procedure totdat de rechter terug is. Verzoeker vindt het van belang om haar reactie over de zitting op 30 januari 2020 te krijgen, omdat het allemaal met elkaar in verband staat en verzoeker tijdens die zitting heeft verzocht om een onderzoek.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat uit haar handelen geen bevooroordeeldheid dan wel partijdigheid spreekt. Daartoe voert zij aan dat zij het eens is met verzoeker dat Samen Veilig in het verzoek storende fouten heeft gemaakt (geboorte data van twee kinderen zijn verwisseld en een dubbele woonplaats van een van de kinderen van verzoeker), maar dat dat er niet toe moet leiden dat daardoor het verzoek van Samen Veilig niet kon worden behandeld. Voor zover verzoeker van mening is dat vanwege die fouten het verzoek moest worden afgewezen deelt de rechter die mening niet.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

De wrakingskamer is van oordeel dat uit de door verzoeker aangevoerde gronden niet blijkt van (een schijn van) vooringenomenheid van de rechter. De wrakingskamer overweegt hiertoe als volgt.

3.4.

De wrakingskamer vat het wrakingsverzoek in de kern als volgt op: door het gesprek tijdens de zitting te brengen van de fouten in het verzoek van Samen Veilig naar de inhoud van het verzoek, is de rechter voorbij gegaan aan die fouten. Daardoor heeft de rechter de ogen gesloten voor het feit dat er door Samen Veilig onjuistheden en onvolledigheden aan haar worden gepresenteerd. Om die reden moet zij worden geacht vooringenomen te zijn.

3.5.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de wrakingskamer voorop dat de rechter die de zaak behandelt de regie voert: de rechter bepaalt het verloop en de voortgang van de procedure en de zitting en ook de wijze van behandeling van de zaak. De rechter heeft in deze regierol een aanzienlijke vrijheid. De beslissing van de rechter om – ondanks de fouten in het verzoek van Samen Veilig – over te gaan op de inhoudelijke behandeling van het verzoek is naar het oordeel van de wrakingskamer een beslissing over de wijze van behandeling van de zaak tijdens de zitting. Dergelijke procedurele beslissingen kunnen in beginsel geen grond vormen voor wraking. Dit is alleen anders als (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gekozen bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Door verzoeker is niet gesteld dat dit het geval is, en hiervan is de wrakingskamer ook niet gebleken.

3.6.

Voor zover verzoeker het wrakingsverzoek grondt op fouten in het proces-verbaal overweegt de wrakingskamer als volgt. Vooropgesteld wordt dat een proces-verbaal een zakelijke weergave inhoudt van het besprokene tijdens een zitting. Dat brengt mee dat niet alles wat gezegd is in het proces-verbaal wordt opgenomen. Daar komt bij dat verzoeker tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek desgevraagd heeft verklaard niet te kunnen duiden hoe hij door de door hem gestelde fouten in het proces-verbaal in zijn belangen is geschaad. Daardoor kan ook deze omstandigheid niet leiden tot de conclusie dat de rechter vooringenomen is ten aanzien van verzoeker, zodat ook dit geen grond voor wraking oplevert.

3.7.

Ten slotte heeft verzoeker tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek verzocht om aanhouding totdat de rechter terug is van haar vakantie, zodat in aanwezigheid van de rechter besproken kan worden wat op de zitting van 30 januari 2020 aan de orde is gekomen over een onderzoek waarom verzoeker destijds heeft verzocht. Het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen. De wrakingskamer ziet geen noodzaak voor aanhouding, omdat dit onderwerp niet zou kunnen bijdragen aan een oordeel van de wrakingskamer over voorliggend wrakingsverzoek. Daaraan ligt ten grondslag dat een partij een verzoek tot wraking moet doen onmiddellijk nadat hem de feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die voor hem leiden tot het standpunt dat de rechter niet onpartijdig is. De zitting waarop dit aanhoudingsverzoek ziet heeft al in januari van dit jaar plaatsgevonden, zodat op dat moment de feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend waren, dus ook met betrekking tot diens verzoek tot een onderzoek. Om die reden kunnen die feiten en omstandigheden vanwege het tijdsverloop niet achteraf aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd worden. Om die reden wordt het aanhoudingsverzoek afgewezen en kan op het wrakingsverzoek worden beslist.

3.8.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5. en 3.6. is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de betrokken teamvoorzitter en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer C/16/506294 / JL RK 20-543 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Haeck, voorzitter, en mr. M.C. Oostendorp en mr. D.J. van Maanen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.S.J. Goeman-Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.

de griffier de voorzitter

de griffier is buiten staat te tekenen

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open