Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3859

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
UTR 20/28
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA. WGA-vervolg, ao-percentage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/28

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: T. Rook).

Inleiding

1.1

Eiser heeft vroeger gewerkt als machine operator. Sinds 6 maart 2010 ontvangt eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In het verleden heeft het Uwv meerdere besluiten genomen over de uitkering van eiser. Sinds het besluit van 27 december 2018 bedroeg het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser 45,63%.

1.2

Bij besluit van 14 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser per 11 mei 2019 omgezet in een WGA-vervolguitkering op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

1.3

Het bezwaar dat eiser hiertegen heeft gemaakt, heeft verweerder bij besluit van 12 december 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.4

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020 via Skype for business. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Waar gaat de zaak over?

2. Volgens verweerder heeft eiser per 11 mei 2019 recht op een WGA-vervolguitkering. Verweerder gaat daarbij uit van een arbeidsongeschiktheidspercentage in de klasse van 45 tot 55%. Eiser is het hier niet mee eens en vindt zichzelf meer arbeidsongeschikt, namelijk 80 tot 100%. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser moet de rechtbank beoordelen of verweerders besluit tot toekenning van deze uitkering juist is. De rechtbank moet dat beoordelen aan de hand van de medische toestand van eiser op 11 mei 2019.

Wat vindt de rechtbank?

Bejegening

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich onjuist bejegend voelt door enkele medewerkers van het Uwv die bij het nemen van het bestreden besluit betrokken waren. Hij heeft dat in zijn beroepschrift toegelicht. De rechtbank kan geen oordeel geven over de bejegening van eiser door medewerkers van het Uwv. Zoals de rechtbank ook tijdens de zitting aan eiser heeft uitgelegd, beoordeelt de rechtbank namelijk alleen de inhoud van het bestreden besluit. Over de bejegening door medewerkers van het Uwv kan eiser als hij dat wenst een klacht bij het Uwv indienen.

Inhoudelijke beoordeling

4. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:

 op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;

 geen tegenstrijdigheden bevatten, en;

 voldoende begrijpelijk zijn.

De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiser dan wel aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de medische rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe iemand zichzelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing van is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.

Heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig onderzoek gedaan?

5. Eiser vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep Van der Voort geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Eiser voelt zich daardoor niet serieus genomen in de beoordeling van zijn ziekte. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich volgens eiser te veel gebaseerd op de mening van de primaire verzekeringsarts Bhaggoe. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen lichamelijk onderzoek heeft gedaan en niet heeft gekeken naar de grote hoeveelheid medicijnen die eiser moet gebruiken. Ook vindt eiser dat er recente medische informatie van zijn behandelaar had moeten worden ingewonnen. Hij heeft zelf een update van 24 december 2019 van zijn behandelaar psychiater Van Loon aan de rechtbank gestuurd.

6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, eiser persoonlijk gezien bij de hoorzitting en zich daarbij een indruk van de (psychische) toestand van eiser gevormd. Eiser heeft hem bij de hoorzitting ook gewezen op de medicatie die hij gebruikt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beschikbare medische informatie bij de beoordeling betrokken, onder meer de informatie van behandelend psychiater Van Loon van 4 december 2018. Dat was de meest recente informatie die beschikbaar was over de medische toestand van eiser per 11 mei 2019, de datum waar het om gaat bij de beoordeling van deze zaak. In reactie op de medische update van 24 december 2019 die eiser bij zijn beroep heeft ingediend, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 5 februari 2020 een aanvullend rapport opgesteld. Hierin concludeert hij dat de door eiser ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om zijn standpunt te wijzigen. Hij wijst erop dat uit de informatie van Van Loon blijkt dat er na 11 mei 2019 sprake is van een terugval.

7. De rechtbank vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het onderzoek naar de toestand van eiser op een zorgvuldige manier heeft gedaan. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens eiser tijdens de hoorzitting een te kort onderzoek heeft verricht en eisers medicijnen niet voldoende in zijn beoordeling heeft betrokken, maakt niet dat dit onderzoek volgens de rechtbank onzorgvuldig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de meest recente informatie van psychiater Van Loon van 4 december 2018 meegewogen. Eiser heeft op de zitting erkend dat zijn klachten sinds mei 2019 zijn verslechterd. Daardoor is informatie van de psychiater van na die tijd niet goed bruikbaar om zijn situatie op 11 mei 2019 te beoordelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport bovendien eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden beargumenteerd hoe zijn beoordeling tot stand is gekomen. Dat betekent dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de drie voorwaarden voldoet. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is de medische beoordeling juist?

8. Eiser voert ook aan dat zijn gezondheid niet juist is beoordeeld. Hij vindt dat hij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden geacht. In 2012 en 2016 werd hij volledig arbeidsongeschikt geacht door het Uwv. Sindsdien is zijn situatie niet verbeterd, maar juist verslechterd. Eiser verwijst naar de update van 24 december 2019 van zijn behandelaar psychiater Van Loon en geeft aan dat ook zijn psychiater ervan overtuigd is dat eiser in zijn huidige situatie niet in staat is om te werken.

9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vindt dat het oordeel van de primaire arts Bhaggoe juist is. Hij sluit zich aan bij de diagnose die de primaire arts genoemd heeft, depressieve periode en posttraumatische stressstoornis (PTSS), en ook bij de overwegingen en conclusie van de primaire arts over de belastbaarheid van eiser. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn nadere rapport van 5 februari 2020 de door eiser ingebrachte medische informatie besproken. Die informatie geeft hem geen ander beeld van de aard en ernst van de medische problematiek van eiser per 11 mei 2019, de datum waar het om gaat voor de medische toestand van eiser in deze procedure. In essentie is namelijk sprake van dezelfde medische problematiek, een depressieve stoornis en PTSS. Dat er na 11 mei 2019 blijkbaar een verslechtering is geweest van de medische toestand van eiser, is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen in deze procedure.

10. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische onderbouwing van verweerders besluit. De rechtbank kan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van eiser volgen. De rechtbank gaat hieraan ook niet twijfelen doordat eisers psychiater gezegd zou hebben dat eiser niet kan werken, want de verzekeringsarts bezwaar en beroep is ervoor opgeleid om een oordeel te geven over de belastbaarheid voor arbeid en de psychiater niet. Dat eiser vindt dat hij meer beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen of dat eiser zijn klachten anders ervaart, maakt nog niet dat de medische beoordeling niet juist is. Alleen medisch geobjectiveerde klachten kunnen namelijk leiden tot het aannemen van beperkingen voor het verrichten van werk. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Is de arbeidsdeskundige beoordeling juist?

11. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat de beperkingen zoals deze zijn vastgesteld juist zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Vonk heeft in zijn rapport van 10 december 2019 beoordeeld welke functies op basis daarvan geschikt zijn voor eiser. Hij heeft gemotiveerd waarom de werkzaamheden die horen bij deze functies, de vastgestelde belastbaarheid van eiser niet overschrijden. Eiser heeft hier geen beroepsgronden tegen

aangevoerd en de rechtbank ziet geen reden voor twijfel aan de beoordeling.

Welke conclusie trekt de rechtbank?

12. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft berekend dat eiser op 11 mei 2019 voor 45,63% arbeidsongeschikt was. Verweerder is er bij de beoordeling dus terecht van uitgegaan dat eiser in de klasse 45 tot 55% arbeidsongeschikt valt. Ook aan de overige voorwaarden voor een vervolguitkering is voldaan. Dit betekent dat verweerder de uitkering van eiser per 11 mei 2019 terecht heeft voortgezet in de vorm van een vervolguitkering naar de klasse 45 tot 55%.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 10 september 2020 gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is niet in de gelegenheid

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.