Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3837

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1902
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak buiten zitting. Beroep ongegrond. Aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument. Dwangsomregeling niet van toepassing omdat eiser niet de aanvrager is. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1902

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [.], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het pand aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] in [.] aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Bij besluit van 18 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om uitspraak te doen zonder dat hij is gehoord op een zitting.

Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd op het schriftelijk verzoek van de rechtbank om een dergelijke toestemming te geven. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat de zitting achterwege blijft en heeft de rechtbank het onderzoek op 1 juli 2020 gesloten.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. Eiser is eigenaar van het pand aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] in [.] (hierna: het pand). Bij brief van 13 december 2016 heeft verweerder aan eiser het voornemen meegedeeld om dit pand als gemeentelijk monument aan te wijzen. Eiser heeft in een zienswijze zijn bezwaar tegen dit voornemen bij verweerder kenbaar gemaakt. Bij brief van 16 oktober 2018 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld omdat verweerder geen besluit heeft genomen over de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument. Verweerder heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft eiser verweerder op 11 november 2018 verzocht om het pand niet als monument aan te wijzen. Bij brief van 12 december 2018 heeft eiser verweerder weer in gebreke gesteld, deze keer omdat verweerder niet heeft gereageerd op zijn laatste verzoek. Hierop heeft verweerder aan eiser laten weten dat er nog geen aanwijzingsbesluit is genomen ten aanzien van het pand, omdat de procedure nog in de besluitvormingsfase is. Bij brief van 11 februari 2019 heeft eiser verweerder opnieuw in gebreke gesteld voor het niet tijdig afhandelen van zijn verzoek om het pand niet aan te wijzen als monument. Eiser heeft verweerder ook verzocht een geldbedrag van € 1.260,- aan hem over te maken omdat de termijn van de ingebrekestelling van 12 december 2018 is overschreden. Op

14 april 2019 heeft eiser een klacht ingediend over de handelwijze van verweerder. Vervolgens heeft eiser op 20 mei 2019 beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Bij brief van

6 juni 2019 heeft eiser verweerder nogmaals in gebreke gesteld omdat verweerder geen besluit heeft genomen op zijn verzoek om het pand niet als monument aan te wijzen. Bij brief van 17 juni 2019 heeft verweerder de klachten van eiser gegrond verklaard ten aanzien van de lange periode van de besluitvorming en de gebrekkige communicatie vanuit verweerder. Vervolgens heeft verweerder op 25 juni 2019 het aanwijzingsbesluit (het primaire besluit) genomen. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt, waarna verweerder het bestreden besluit heeft genomen.

Dwangsommen

2. Eiser heeft de rechtbank verzocht te beslissen dat verweerder de verbeurde dwangsommen aan hem moet betalen en dat verweerder binnen een door de rechtbank te bepalen korte termijn een inhoudelijk besluit moet nemen. Inmiddels heeft verweerder een inhoudelijk besluit genomen, maar eiser is van mening dat er wel dwangsommen zijn verbeurd.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ingebrekestelling van 16 oktober 2018 geen doel treft, omdat het om een procedure gaat die niet is gestart op een aanvraag van eiser. Het verzoek van eiser, gedateerd 11 november 2018, aan verweerder om het pand niet als monument aan te wijzen is volgens verweerder geen verzoek om een besluit te nemen. Daarom treffen de ingebrekestellingen die daarop zien, ook geen doel.

Wettelijk kader

4. Volgens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet onder een besluit worden verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het derde lid van dit artikel vermeldt dat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.

Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom aan de aanvrager verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Oordeel van de rechtbank

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat de dwangsomregeling niet van toepassing is en dat verweerder geen dwangsommen verschuldigd is.

5.2.

Op 16 oktober 2018 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld omdat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen over de aanwijzing als gemeentelijk monument van zijn pand.

De rechtbank stelt vast dat het verweerder is geweest die de procedure tot aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument in gang heeft gezet. Er is in dit geval geen sprake van een besluit op aanvraag. Uit artikel 4:17, derde lid, van de Awb volgt dat eiser verweerder niet in gebreke kan stellen voor het niet nemen van een besluit over de aanwijzing van het pand als monument, omdat eiser in deze procedure geen aanvrager is.

5.3.

Verder heeft eiser verweerder bij brieven van 12 december 2018, 11 februari 2019 en

6 juni 2019 in gebreke gesteld omdat verweerder niet heeft gereageerd op zijn verzoek om het pand niet als monument aan te wijzen.

De rechtbank kwalificeert dit verzoek niet als een aanvraag tot het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Uit de tekst van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb volgt dat het daarbij moet gaan om een handeling die naar haar aard gericht is op rechtsgevolg. Het verzoek van eiser om niet een aanwijzingsbesluit te nemen, levert geen rechtsgevolgen op: eiser wil daarmee bereiken dat de toestand van het pand blijft zoals hij is. Gelet hierop is er geen sprake van een aanvraag tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb en kan eiser verweerder daarom, gelet op artikel 4:17, derde lid, van de Awb, niet in gebreke stellen.

De rechtbank merkt op dat indien eiser het niet eens is met (het voornemen tot het nemen van) het aanwijzingsbesluit, hem juridisch de volgende wegen openstaan : het inbrengen van een zienswijze bij verweerder tegen het voornemen tot het nemen van het aanwijzingsbesluit, het maken van bezwaar bij verweerder tegen dit besluit en het indienen van beroep bij de rechtbank tegen de beslissing op dit bezwaar. Eiser heeft hiervan ook gebruik gemaakt.

De beroepsgrond slaagt niet.

Redengevende omschrijving

6. Eiser voert aan dat de redengevende omschrijving niet deugdelijk is onderbouwd, omdat op grond van die omschrijving ieder pand in [.] beschreven kan worden. De redengevende omschrijving vermeldt dat het pand vooral aan de voorzijde van monumentale waarde is. De aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument is daarom een onevenredig zwaar middel, aangezien hiermee naast de voorzijde van het pand, ook de binnen- en achterzijde van het pand beschermde status geniet. Door het aanwijzingsbesluit zijn bouwkundige handelingen die voorheen vergunningsvrij waren, nu vergunningplichtig.

7. Uit de redengevende omschrijving blijkt volgens verweerder duidelijk dat het pand als monument dient te worden aangewezen vanwege enkele specifieke aan het gebouw toe te schrijven kenmerken. Op grond van deze redengevende omschrijving heeft de Commissie voor Welstand en Monumenten (CWM) een positief advies uitgebracht over de waardestelling en de aanwijzing als gemeentelijk monument. Het aanwijzen van een pand als gemeentelijk monument beoogt een specifiek doel dat anders is en verder strekt dan een eventuele bescherming van de karakteristieken via bijvoorbeeld het bestemmingsplan of het vergunningstelsel. Aanwijzen als monument beschermt namelijk de bijzondere waarde en kenmerken van het pand. Verweerder verwijst daarbij naar de redengevende omschrijving van 16 juni 2016, het advies van de CWM van 19 april 2017 en het Advies van de Commissie bezwaarschriften van 21 oktober 2019.

Oordeel van de rechtbank

8.1.

Verweerder heeft beleidsruimte bij de aanwijzing van een pand als beschermd gemeentelijk monument. De rechtbank moet het bestreden besluit daarom terughoudend toetsen. Dit betekent dat de rechtbank zich bij haar beoordeling moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid, met afweging van alle betrokken belangen, tot het aanwijzingsbesluit heeft kunnen komen.

8.2.

Op grond van de redengevende omschrijving heeft de CWM een positief advies uitgebracht over de waardestelling en de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in meerdere uitspraken overwogen dat verweerder in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen aan een advies van de CWM1. Het overnemen van een advies behoeft geen nadere toelichting, tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel ten grondslag heeft mogen leggen.

8.3.

In de redengevende omschrijving staat beschreven dat het hoekpand aan de [straatnaam 1]

[nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 1/letteraanduiding 1] - [nummeraanduiding 1/letteraanduiding 2] / [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] - [nummeraanduiding 3/letteraanduiding 1] - [nummeraanduiding 3/letteraanduiding 2] - [nummeraanduiding 4] - [nummeraanduiding 5] in 1932 werd gebouwd voor [A] naar ontwerp van [B] . Het pand is van algemeen belang voor de gemeente [.] vanwege cultuurhistorische-, architectuurhistorische-, situationele- en ensemblewaarden:

  • -

    als voorbeeld van een blok woon-winkelpanden uit de interbellum-periode in een gebied net buiten het oude centrum, toen [.] een tweede forse groeiperiode doormaakte die een verdere uitbreiding en verdichting van de centrumfuncties met zich meebracht;

  • -

    vanwege de ensemblewerking aan de nieuwe brink met [straatnaam 1] [nummeraanduiding 6] - [nummeraanduiding 7] (gemeentelijk monument) en [straatnaam 1] [nummeraanduiding 8/letteraanduiding 1] - [nummeraanduiding 8/letteraanduiding 2] / [straatnaam 3] [nummeraanduiding 9/letteraanduiding 1] - [nummeraanduiding 9/letteraanduiding 2] ;

  • -

    vanwege de voor de interbellum-periode in [.] kenmerkende bouwstijl met invloeden van expressionisme, met krachtige (hoek)accenten die op de stedenbouwkundige situatie inspelen, en die zich bij [straatnaam 2] [nummeraanduiding 5] / [straatnaam 1]

[nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 1/letteraanduiding 1] - [nummeraanduiding 1/letteraanduiding 2] met name laat zien in de kloeke torenvormige hoekoplossing met dakhuizen, omlopend balkon en vlaggenmasthouder;

- vanwege de gaaf bewaarde hoofdvorm, gevelindeling, materialisering en redelijk gaaf bewaarde detaillering.

8.4.

Verweerder heeft toegelicht dat uit de waardering van het pand blijkt dat het als monument moet worden aangewezen vanwege een aantal specifieke aan het gebouw toe te schrijven kenmerken. Zo valt in de redengevende omschrijving en het advies van de CMW te lezen: een zadeldak gedekt met gesmoorde opnieuw verbeterde Hollandse pannen, met daartussen een kloek, tamelijk gesloten hoekelement van vierbouwlagen tussen twee kleinere torentjes van drie bouwlagen. Verder heeft de CWM een groot aantal bijzondere details uit de bouwtijd als kenmerken genoemd, zoals de groene baksteen, balkonrand, geglazuurde vensterbanken, enkele deuren, gemetselde plantenbak en betonnen lateien en luifels.

Verder heeft de CWM de benoeming van de stijl en de zeldzaamheid van het pand toegelicht. Er zijn specifieke criteria voor de selectie van de gemeentelijke monumenten in het centrum van [.] geformuleerd. De monumenten vormen een collectie die de verschillende ontwikkelingsfasen van [.] en de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en stijlen illustreert en leesbaar maakt. De monumenten vertellen het verhaal van [.] . Zeldzaamheid en gaafheid kunnen een minder belangrijke rol spelen om de karakteristieken en het (ontwikkelings)beeld van het centrum te behouden. De bereidheid om over de karakteristieken en het verhaal van het pand met de eigenaren te spreken is altijd aanwezig. De monumenten kunnen wisselend, of niet, scoren op de verschillende criteria. Als een architect bijvoorbeeld niet bekend is, of als er meer werk van de architect aanwezig is in [.] , betekent dit niet dat de monumentale waarde onvoldoende is. De reden tot aanwijzing volgt uit een totaalwaardering waarbij één of meerdere criteria een rol spelen. Een reden tot aanwijzing kan in uitzonderlijke gevallen bijvoorbeeld zijn: enkel de uniciteit (zeldzaamheidswaarde), of als werk van een befaamde architect. Plaatselijke criteria spelen bij de aanwijzing van gemeentelijke monumenten tevens een rol.

8.5.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de redengevende omschrijving voldoende specifiek is gemotiveerd voor dit pand en dat deze niet van toepassing is op elk pand in [.] . Met de redengevende omschrijving is voldoende onderbouwd dat het pand monumentwaardig is vanwege een aantal aan het gebouw toe te schrijven karakteristieken. Verweerder heeft daarom doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan het advies van de CWM. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het advies van de CWM onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet deugdelijk is onderbouwd. Eiser heeft ook geen tegenrapport van een deskundige ingediend waaruit dit blijkt.

De beroepsgronden slagen niet.

Subsidiariteit

9. Eiser voert verder aan dat verweerder voldoende andere minder zware beschermende maatregelen kan nemen om de karakteristieke eigenschappen van het pand te waarborgen. Zo kan verweerder het bestemmingsplan wijzigen en biedt de welstandsnota al extra bescherming voor de voorzijde van het pand.

10. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat een bestemmingsplan voorwaarden schept voor een gewenste ruimtelijke situatie. Ook de welstandnota beschermt niet de feitelijke materialisering en intrinsieke waarden van het pand. Bij plannen wordt de activiteit ten aanzien van het feitelijke pand/monument niet beoordeeld in het kader of de activiteit zich niet onevenredig verzet tegen de belangen van monumentenzorg. Het aanwijzen van een pand als gemeentelijk monument beoogt een specifiek doel. Dat doel is anders en strekt verder dan een eventuele bescherming van de karakteristieken via bijvoorbeeld het bestemmingsplan of het bouwergunningenstelsel. Aanwijzen als monument beschermt de bijzondere waarde en kenmerken van het pand.

Oordeel van de rechtbank

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat de welstandsnota en een wijziging van het bestemmingsplan de monumentale waarden van het pand niet voldoende beschermen. De rechtbank kan deze motivering goed volgen.

Belangenafweging

12.1.

Voor zover eiser nog heeft aangevoerd dat verweerder met deze aanwijzing onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen als eigenaar van het pand overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft toegelicht dat het aanwijzingsbeleid voor gemeentelijke monumenten is gericht op het benoemen en beschermen van het [.] erfgoed en dit te behouden voor de toekomst. Als gevolg van het aanwijzingsbesluit kan de situatie zich voordoen dat eiser een omgevingsvergunning zal moeten aanvragen voor een activiteit waarvoor hij vóór dit besluit geen monumentenvergunning hoefde aan te vragen. De monumentenvergunning is een middel om tot goede afspraken te komen tussen eiser en verweerder ten aanzien van aanpassing, herbestemming of restauratie. Met de aanwijzing als gemeentelijk monument worden de monumentale waarden, zoals beschreven in de redengevende omschrijving, een afwegingsfactor bij het besluit omtrent een omgevingsvergunning. Normaal onderhoud valt geheel buiten dit vergunningstelsel. Het beleid van verweerder is erop gericht de eigenaren te ondersteunen bij onderhoud, planvorming en restauratie. Deze ondersteuning komt tot stand door middel van technische advisering, begeleiding bij planvorming, vergunningen en uitvoering. Verder heeft verweerder toegezegd dat de leges voor het aspect monumenten in de omgevingsvergunning zo laag mogelijk worden gehouden. Verweerder heeft ook expertise en begeleiding aangeboden bij planvorming en uitvoering van werkzaamheden binnen de procedureregels van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

12.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat het behoud van de monumentale waarde van het pand zwaarder weegt dan de omstandigheid dat eiser een omgevingsvergunning moet aanvragen indien hij bouwwerkzaamheden in of aan het pand wil uitvoeren. Verweerder heeft daarbij de belangen van eiser en andere eigenaren voldoende zorgvuldig meegewogen bij het nemen van het aanwijzingsbesluit. Verweerder heeft toegelicht dat zijn beleid erop gericht is om de eigenaren te ondersteunen bij onderhoud, planvorming en restauratie.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

13. Gelet op al het voorgaande, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het pand aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] in [.] beschikt over zodanige monumentale waarden, dat het voor de aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking komt.

14. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 6 augustus 2020 gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:788.