Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3833

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
UTR 20/22
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huurtoeslag; artikel 6:19 Awb besluit; onderhuur; geen schriftelijke overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/22


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.P.M. Boelens),

en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten dat de huurtoeslag over het jaar 2019 niet wordt aangepast en dat [A] (hierna: [A] ) blijft meetellen bij de berekening van de huurtoeslag.

Bij besluit van 23 december 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 8 april 2020 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en het primaire besluit gedeeltelijk herzien door [A] vanaf 1 augustus 2019 voor de huurtoeslag aan te merken als onderhuurder en tot die datum als medebewoner.

Eiseres heeft de gronden van haar beroep aangevuld.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het bestreden besluit I

1. Verweerder heeft bij het besluit van 8 april 2020 het bestreden besluit I herzien. Verweerder is in het bestreden besluit II voor een deel tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiseres. De rechtbank merkt daarom laatstgenoemd besluit aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep van eiseres van rechtswege ook daartegen is gericht. Nu eiseres geen belang heeft bij handhaving van haar beroep gericht tegen het bestreden besluit I, is het beroep daartegen niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet wel reden om te bepalen dat verweerder het griffierecht aan eiseres moet vergoeden en om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in bezwaar en in beroep.

Standpunten van partijen

2. Eiseres voert aan dat [A] voor de berekening van de huurtoeslag ten onrechte als medebewoner is aangemerkt. Eiseres verzoekt daarom om de huurtoeslag vanaf 17 augustus 2017 opnieuw te berekenen zonder dat het inkomen van [A] wordt meegenomen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake moet zijn van een schriftelijke overeenkomst om [A] te kunnen aanmerken als onderhuurder. Nu deze schriftelijk overeenkomst pas op 30 augustus 2109 is opgemaakt, kan [A] niet met terugwerkende kracht per 17 augustus 2017 als onderhuurder worden aangemerkt. Er was tot die tijd immers sprake van mondelinge afspraken. Gelet op de door eiseres gemaakte afspraken merkt verweerder vanaf 1 augustus 2019 [A] aan als onderhuurder. Tot die datum wordt hij als medebewoner betrokken bij de berekening van de huurtoeslag.

Oordeel rechtbank

4. Vast staat dat eiseres en [A] in de periode van belang, te weten 17 augustus 2017 tot en met 31 juli 2019 op hetzelfde toeslagadres staan ingeschreven in de basisregistratie personen. De vraag is of verweerder in die periode terecht [A] als medebewoner heeft aangemerkt en zijn toetsingsinkomen bij de bepaling van de hoogte van de huurtoeslag van eiseres heeft betrokken. De rechtbank oordeelt van wel. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

5. Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 2, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen volgt dat een medebewoner is de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt. Hieruit volgt dat onderhuur slechts wordt aangenomen, indien de desbetreffende overeenkomst, voorafgaand aan de periode van belang, niet alleen is gesloten, maar ook in een gedateerde en ondertekende akte is vastgelegd. Dit betreft een dwingendrechtelijke bepaling. Het bewijs dat sprake is van onderhuur kan niet op een andere wijze dan door middel van een schriftelijke onderhuurovereenkomst worden geleverd1. De in deze zaak overgelegde overeenkomst is gedateerd en opgemaakt op

30 augustus 2019. Met die overeenkomst heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij al vanaf 17 augustus 2017 op basis van een schriftelijke overeenkomst tot onderhuur een kamer heeft verhuurd aan [A] .

6. Voor zover eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat de aard van de relatie ten opzichte van de huursubsidieaanvrager bepalend is voor de vraag of er sprake is van een medebewoner en de schriftelijkheids-eis geen zelfstandige betekenis toekomt maar slechts bewijs levert, slaagt dat gelet op het voorgaande niet. Eiseres heeft het dwingendrechtelijk voorgeschreven bewijs niet geleverd. Uit de gespreksnotities blijkt wel dat eiseres vanaf

9 november 2017 verweerder meerdere malen telefonisch heeft geïnformeerd over haar huursituatie met [A] , maar eiseres heeft daarna geen bewijsstukken zoals een onderling huurcontract met [A] en een verklaring van de woningbouwvereniging aan verweerder verstrekt om haar verhaal te ondersteunen. Het bankafschrift waarop enkel een betaling aan eiseres is te zien op 9 juli 2019 is ook gelet op wat onder r.o. 5 is overwogen onvoldoende. Eiseres is als aanvrager van huurtoeslag verantwoordelijk om verweerder alle gegevens te verstrekken om haar recht op huurtoeslag te kunnen vaststellen. Dat zij in de periode voorafgaande aan 1 augustus 2019 geen schriftelijke overeenkomst van onderhuur met [A] heeft overgelegd, komt daarom voor haar risico. Dat de woningbouwvereniging volgens eiseres aan haar de voorwaarde had gesteld om geen huurcontract met [A] te sluiten omdat zij in een sloopwoning woont, verandert het oordeel van de rechtbank niet.

Conclusie

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder vanaf 17 augustus 2017 tot en met

31 juli 2019 terecht [A] als medebewoner voor de huurtoeslag van eiseres heeft aangemerkt.

8. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond.

9. Zoals onder 1 is overwogen ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van II ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 3 september 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak wordt ook gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 De rechtbank vindt bevestiging voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:264), r.o. 3.1.