Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3832

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
UTR 20/2633 en UTR 20/2560
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

VOG; huisgenoot van gastouder; subjectieve toets; tijdsverloop; pleegdatum niet doorslaggevend; ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 20/2633 en UTR 20/2560


uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. K. Cras),

en

de Minister voor Rechtsbescherming, verweerder(gemachtigde: mr. C.A.M.V. van Kleef).

Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor verzoeker om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) in zijn hoedanigheid als huisgenoot van een gastouder (zijn moeder) afgewezen.

Bij besluit van 11 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer UTR 20/2560). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer 20/2633).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Vrijstelling van het griffierecht

1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Verzoeker heeft daarvoor een verklaring over zijn inkomen en vermogen overgelegd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek moet worden toegewezen. Verzoeker hoeft dan ook geen griffierecht te betalen.

Het spoedeisend belang

2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist.

3. Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft omdat hij vanwege het niet hebben van een VOG geen vaste woon- of verblijf plaats heeft en noodgedwongen een min of meer zwervend bestaan lijdt. Omdat hij zich niet kan inschrijven in de BRP kan verzoeker geen aanspraak maken op een zorgverzekering en hij kan geen toeslagen of studiefinanciering aanvragen of ontvangen. Zijn moeder kan niet stoppen met haar werkzaamheden als gastouder, omdat dan het gezinsinkomen wegvalt, aldus verzoeker.

4. De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat door het niet verlenen van een VOG verzoeker zich in een moeilijke woonsituatie bevindt en neemt daarom aan dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek.

Ten aanzien van het beroep

5. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook in de hoofdzaak (het beroep).

Het bestreden besluit

6. Verzoeker heeft in de hoedanigheid van huisgenoot van een gastouder, zijn moeder, een VOG aangevraagd. Verweerder heeft de VOG geweigerd, omdat uit het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) blijkt dat verzoeker op 28 maart 2019 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en een geldboete van € 12.000,- wegens dader of mededader voor het telen van verdovende middelen en wegens deelneming aan een vereniging. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan het objectieve criterium is voldaan. Verweerder is van mening dat verzoekers strafrechtelijke veroordeling een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de hoedanigheid van huisgenoot van een gastouder. Herhaling van het strafbare feit brengt het risico met zich mee dat verzoekers strafbare gedraging als voorbeeldgedrag wordt gezien dat door minderjarigen wordt gevolgd of gekopieerd. Op grond van toetsing aan het subjectieve criterium is verweerder tot de conclusie gekomen dat de belangen van verzoeker bij afgifte van de VOG minder zwaar wegen dan de in deze te beschermen belangen van de samenleving. Hoewel sprake is van één strafbaar feit, is er geen sprake van een licht vergrijp en gaat het om een feit dat ook in Nederland niet licht bestraft wordt. Volgens verweerder is de periode die is verstreken sinds de strafrechtelijke veroordeling, gezien de verkorte terugkijktermijn van twee jaren en de voorlopige hechtenis van drie weken, te kort om te kunnen concluderen dat geen risico voor de samenleving meer bestaat.

Het toetsingskader

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet betwist dat wordt voldaan aan het objectieve criterium van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Verweerder heeft gelet op de leeftijd van verzoeker daarbij terecht de verkorte terugkijktermijn van twee jaar toegepast.1 Als wordt voldaan aan het objectieve criterium, dan weigert verweerder in beginsel de VOG.

8. Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat de VOG niet geweigerd mag worden, ondanks de aanwezigheid van een risico voor de samenleving (het objectieve criterium). Relevante omstandigheden zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. In het geval dat na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan worden gekomen en twijfel bestaat over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.2

9. Kern van voorliggend geschil is de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval aan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico meer gewicht toekomt dan aan het belang van verzoeker bij afgifte van de VOG.

Standpunt van verzoeker

10. Verzoeker is van mening dat de belangenafweging bij het verstrekken van de VOG in zijn voordeel moet uitvallen.

10.1

Over de hoeveelheid antecedenten en het tijdsverloop voert hij aan dat het gaat om één feit, een misstap, en dat de pleegdatum buiten de terugkijktermijn valt zodat er voldoende tijd is verstreken waarin hij heeft laten zien dat hij niet heeft gerecidiveerd. Uit de uitspraak van 3 april 2019 van de hoogste bestuursrechter3 blijkt volgens verzoeker dat bij het tijdsverloop van het subjectieve criterium ook gekeken moet worden naar de pleegdatum. Volgens verzoeker heeft verweerder dat ten onrechte niet gedaan. Verweerder heeft al daarom onvoldoende gemotiveerd waarom het tijdsverloop van ruim twee jaren sinds het justitiecontact niet in het voordeel van verzoeker uitvalt. Daarbij komt dat verzoeker zich in de afgelopen twee jaren positief heeft ontwikkeld. Verzoeker heeft dit toegelicht en met stukken onderbouwd, waaruit blijkt dat er geen risico voor herhaling is.

10.2

Over de wijze van afdoening van de strafzaak en de aard van het strafbaar feit voert verzoeker aan dat drugsdelicten in België over het algemeen veel zwaarder worden bestraft. Voor het louter vervoeren van kweekspullen van Nederland naar België wordt in Nederland niet zo’n hoge straf opgelegd. Verweerder heeft zelf opgemerkt dat bij een buitenlandse veroordeling voor bepaling van de ernst van het feit niet alleen naar de strafoplegging kan worden gekeken. De conclusie van verweerder dat ook naar Nederlandse maatstaven sprake is van een ‘niet licht’ vergrijp, is daarom volgens verzoeker niet juist. Bovendien was verzoeker zelf noch zijn advocaat-gemachtigde op de zitting aanwezig en heeft hij zich niet tegen de strafmaat kunnen verweren.

10.3

Verzoeker is tot slot van mening dat zijn persoonlijke omstandigheden en belangen bij afgifte van de VOG zwaarder wegen. Volgens verzoeker heeft verweerder zijn belangen niet kenbaar althans onvoldoende betrokken. Verzoeker brengt in dat kader naar voren dat hij weer naar school is gegaan en in oktober 2018 zijn HAVO diploma heeft gehaald. Daarna is verzoeker een leer/werktraject gestart als systeembeheerder. Verzoeker is ook ambassadeur voor de [naam stichting] . Als ondersteuning overlegt verzoeker een verklaring van 21 juli 2020 van de directeur van de [naam stichting] , [A] . Dat verzoeker zich hiervoor vrijwillig voor inzet, toont zijn verantwoordelijkheidsgevoel en volwassenheid en zijn poging om jongeren te behoeden voor de fouten die hij eerder zelf maakte. Daarbij is de VOG essentieel voor het gastouderbureau van zijn moeder en daarmee ook voor verzoeker die altijd bij haar heeft gewoond. Zonder VOG heeft verzoeker geen vaste verblijfplaats of inschrijfadres, waardoor hij geen zorgverzekering of studiefinanciering kan aanvragen. Verzoeker kan zo ook niet starten op de arbeidsmarkt, waarvoor hij zo hard heeft gevochten. Als zijn moeder met haar gastouderbureau moet stoppen, mist het gezin een inkomen. Zijn moeder is te oud om zich nog te laten omscholen. Tot slot wijst verzoeker erop dat hij overdag op school of aan het werk is en dus niet thuis als de kinderen bij zijn moeder op het gastouderbureau zijn.

Volgens verzoeker heeft verweerder dit allemaal onvoldoende erkend en meegewogen.

Oordeel van de voorzieningenrechter

11. De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat in het bestreden besluit niet goed is gemotiveerd waarom bij de belangenafweging van het subjectieve criterium bij de beoordeling van het tijdsverloop niet kan worden uitgegaan van de pleegdatum. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit met het verweerschrift evenmin duidelijk is geworden. Verweerder heeft slechts opgemerkt dat de Beleidsregels hiervoor geen ruimte beiden. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is.

12. Op zitting heeft verweerder toegelicht dat voor het tijdsverloop bij de belangenafweging is gekeken naar zowel de pleegdatum als de datum van veroordeling en dat dit ertoe heeft geleid dat verweerder in dit geval van de laatstbedoelde datum is uitgegaan. Daarvoor is voor verweerder van belang dat in het onderhavige geval tussen het justitiële gegeven, de veroordeling, en de pleegdatum niet meer dat twee jaar is verstreken. De voorzieningenrechter acht deze uitleg en toepassing van beoordeling van relevant tijdsverloop niet onredelijk. Verweerder sluit daarbij aan bij wat in de Beleidsregels is vermeld over de terugkijktermijn. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 20134. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met deze toelichting op zitting het motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld, zodat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt gepasseerd. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat verzoeker daardoor niet is benadeeld en overweegt daarover verder als volgt.

13. Verzoeker heeft gesteld dat in andere besluiten en verweerschriften van verweerder bij het tijdsverloop van het subjectieve criterium soms de overweging staat ‘ook al wordt uitgegaan van de pleegdatum, de terugkijktermijn nog steeds niet is verstreken’. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit die overweging en gelet op de toelichting van verweerder ter zitting nog niet dat verweerder bij het subjectieve criterium aan het verstrijken van de terugkijktermijn uitgaande van de pleegdatum doorslaggevend gewicht toekent. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om in te gaan op het bewijsaanbod van verzoeker om die andere besluiten en verweerschriften van verweerder te overleggen.

14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel bij verzoeker sprake is van één antecedent, het tijdsverloop en de wijze waarop de strafzaak is afgedaan verweerder geen aanleiding hebben hoeven geven om de VOG, ondanks de aanwezigheid van een objectief vastgesteld risico voor de samenleving, toch af te geven. Hiervoor geeft de voorzieningenrechter de volgende redenen.

15. Verweerder heeft uiteindelijk voldoende gemotiveerd hoe het tijdverloop sinds de pleegdatum en de veroordeling, het justitieel gegeven, is meegewogen. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat, omdat tussen de pleegdatum en verzoekers veroordeling maar negen maanden zijn verstreken, het feit dat er al wel twee jaren zijn verstreken zonder justitie contact niet het gewicht toekomt dat verzoeker daaraan toekent. De uitspraak van

3 april 2019 waar verzoeker op heeft gewezen leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel uit die uitspraak volgt dat bij beoordeling van het subjectieve criterium in het algemeen, ook andere momenten, waaronder de pleegdatum, in deze afweging relevant kunnen zijn, verschilt de situatie van verzoeker met die in de uitspraak. Daartoe is van belang dat in genoemde uitspraak sprake was van een aanzienlijk langer tijdverloop tussen de pleegdatum en de datum van inschrijving in het JDS, te weten vier jaren, en twee jaren waren verstreken na ontdekking van het feit voordat het feit in het JDS werd ingeschreven.

16. Verder heeft verweerder voldoende gemotiveerd welk gewicht is toegekend aan de wijze van afdoening van de strafzaak. Uit de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, een celstraf verzwaard met een geldboete, heeft verweerder kunnen afleiden dat de Belgische rechter het strafbare feit verzoeker niet licht heeft aangerekend. Ook al verschilt het Belgische strafrecht van de Nederlandse en legt de Belgische strafrechter in het algemeen zwaardere straffen op, laat dat onverlet dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat telen van verdovende middelen en deelname aan een misdadige organisatie ook in Nederland niet licht bestraft wordt en dat geen sprake is van een licht vergrijp. Verzoeker heeft toegelicht dat hij vanwege financiële redenen geen verweer heeft gevoerd in de strafzaak en daarom de straf hoger is uitgevallen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder daarin geen aanleiding heeft hoeven zien om anders te concluderen over de wijze van afdoening van de strafzaak. Dat verzoeker bij verstek is veroordeeld, ook als dat het gevolg is van financiële overwegingen, mocht verweerder voor zijn risico laten.

17. De voorzieningenrechter stelt tot slot vast dat verweerder de persoonlijke ontwikkeling van verzoeker in de afgelopen twee jaar en de belangen van verzoeker bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Daarbij heeft verweerder ook gekeken naar de positieve verklaring van de directeur van de [naam stichting] . Op basis daarvan heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen het in het kader van de beoordeling van het objectieve criterium vastgestelde risico groter is dan het belang van verzoeker bij het verkrijgen van de gevraagde VOG. Daarnaast is de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker nog te recent om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen om afgifte van de VOG te rechtvaardigen. Verweerder heeft in redelijkheid van verzoeker mogen verlangen dat hij zich over een langere periode onthoudt van strafbare gedragingen. Dat als gevolg van de weigering tot afgifte van de VOG verzoeker zijn leer/werktraject niet kan voortzetten en dat ook het gastouderschap van zijn moeder op het spel staat, zijn gevolgen waarmee verweerder bij het vaststellen van de Beleidsregels al rekening heeft gehouden. De weigering van de VOG betekent niet dat verzoeker daarom geen ander verblijf- of inschrijfadres kan krijgen.

Conclusie

18. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder de aanvraag van verzoeker om een VOG te verlenen terecht heeft afgewezen.

19. Het beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

20. Gelet op de uitkomst van de bodemprocedure ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Proceskostenveroordeling

21. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.536,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 1.536,-.

Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2020 door mr. V.E. van der Does, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier

voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter en de griffier zijn beide verhinderd om de uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Paragraaf 3.1.1, aanhef en onder d van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 (de Beleidsregels).

2 Paragraaf 3.3. van de Beleidsregels.

3 Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtsprak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2019:1025.

4 ECLI:NL:RBAMS:2013:2445.