Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3829

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
16/244042-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een restaurant in Bunnik. Verdachte en zijn twee mededaders zijn gekleed in het zwart het restaurant ingegaan, met zwarte maskers op en blauwe latex handschoenen aan. Bij de overval is gebruik gemaakt van een mes en een vuurwapen, met welke wapens de aanwezige personen ook daadwerkelijk zijn bedreigd. De dader met het vuurwapen heeft deze onder andere gericht op de eigenaresse van het restaurant en haar elfjarige dochter. Een andere dader had een mes bij zich en heeft daarmee dreigend zwaaiende bewegingen gemaakt en geroepen dat iedereen op de grond moest liggen. Ook is er door deze persoon een glas in de richting van de ober in het restaurant gegooid. Verdachte heeft het geld gepakt. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hieraan zijn de algemene en bijzondere voorwaarden gesteld. Het adolescentenstrafrecht is niet toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/244042-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,

nu gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 januari 2020, 2 april 2020, 11 juni 2020 en 27 augustus 2020. Op laatstgenoemde datum vond de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaats.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.C. Smits en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. H.S.K. Jap-a-Joe, advocaat te Utrecht naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, samengevat, op neer dat verdachte:

op 18 augustus 2019 te [woonplaats] samen met anderen een geldbedrag van € 850,- heeft weggenomen van restaurant [restaurant] en/of [slachtoffer] , terwijl deze diefstal werd vergezeld met geweld en/of bedreiging met geweld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen gelet op de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal van aangifte en het proces-verbaal van bevindingen betreffende de beschrijving van de camerabeelden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft het ten laste gelegde bekend en zijn raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzittingen van 11 juni 2020 en
    27 augustus 2020;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door mevrouw [slachtoffer] van 19 augustus 2019, genummerd PL0900-2019247807-1, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 12 tot en met 16;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek naar de filmbeelden van 29 augustus 2019, genummerd 201908221151.8695, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 116 tot en met 146.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 18 augustus 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag van 850 euro dat geheel aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan Restaurant [restaurant] en/of [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en een medewerker en gasten van voornoemd restaurant, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door

- gemaskerd en gewapend voornoemd restaurant binnen te dringen en over de toonbank te springen en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en een mes dreigend in de richting van die [slachtoffer] en die medewerker en gasten te houden en te tonen en

- een glas te gooien richting die medewerker en gasten en

- de woorden te schreeuwen: ‘iedereen op de grond’.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht toegepast dient te worden en verwijst hierbij naar het rapport van de reclassering waarin dit wordt geadviseerd en naar drie uitspraken1. Daarnaast heeft de verdediging naar voren gebracht dat in de kamerstukken omtrent de toepassing van het adolescentenstrafrecht beschreven staat dat gekeken dient te worden naar impulsief en risicovol gedrag, gebrek aan zelfcontrole, het niet goed kunnen overzien van gevolgen en de leeftijd van de betrokkene. Verdachte was 19 jaar toen hij dit feit pleegde. De moeder van verdachte heeft verklaard dat zij al meer dan twee jaar de grip op haar zoon kwijt is. Voorts noemt de reclassering verdachte beïnvloedbaar. Verdachte heeft verklaard dat hij destijds niet goed heeft nagedacht over het door hem gepleegde feit. Volgens de raadsvrouw leiden voornoemde omstandigheden tot toepassing van het adolescentenstrafrecht. Daar komt bij dat in de kamerstukken staat, dat de ernst van een strafbaar feit in combinatie met een verdachte met een blanco strafblad, een indicatie is voor de toepassing van het adolescentenstrafrecht.

De raadsvrouw heeft verder aangegeven dat zij met de officier van justitie van mening is dat een vrijheidsstraf passend is. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank, anders dan de eis van de officier van justitie, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij oplegging van bijzondere voorwaarden, waaronder begeleiding. Begeleiding is volgens de reclassering nodig. Een lange gevangenisstraf zal verdachte niet goed doen. Hij dient een kans te krijgen om te leren van wat er is gebeurd. Verdachte realiseert zich nu wat hij heeft gedaan en hij wil de slachtoffers laten weten dat hij spijt heeft.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Adolescentenstrafrecht

Het uitgangspunt bij meerderjarigen is dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast. Toepassing van het jeugdstrafrecht kan alleen ingeval de verdachte ten tijde van het strafbare feit meerderjarig was, maar nog onder de 23 jaar en als omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.

Ten tijde van het plegen van het feit was verdachte negentien jaar en dus meerderjarig. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd geen aanknopingspunten om af te wijken van het uitgangspunt om het volwassenenstrafrecht toe te passen.

Reden voor toepassing van het jeugdstrafrecht kan blijkens het wegingskader voor adolescentenstrafrecht allereerst gelegen zijn in de handelingsvaardigheden van een verdachte. Gedacht kan worden aan een verdachte met een verstandelijke beperking, een verdachte die kinderlijk is, zijn eigen gedrag nauwelijks kan organiseren en risico’s van zijn gedrag nauwelijks kan inschatten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor deze conclusie. De reclassering vermeldt in haar rapport van 18 maart 2020 juist dat geen sprake is van een verstandelijke beperking en dat verdachte in staat wordt geacht om zijn eigen gedrag te regelen.

Reden voor toepassing van het jeugdstrafrecht kan verder gelegen zijn in de mogelijkheden tot en noodzaak van pedagogische beïnvloeding en een gezinsgerichte aanpak. Ook hiervoor ziet de rechtbank geen aanleiding. De reclassering schrijft hierover op dat gezinsgerichte hulpverlening niet noodzakelijk is. De omstandigheid dat moeder tegen de reclassering zegt al twee jaar de grip op verdachte kwijt te zijn, ziet de rechtbank ook als een contra-indicatie voor een pedagogische insteek.

De door de reclassering genoemde omstandigheden dat verdachte wel nog thuis woont, first offender is en dat een dagbesteding nodig is, vormen mede gelet op het voorgaande onvoldoende reden het jeugdstrafrecht toe te passen.

Strafoplegging

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op het restaurant [restaurant] te [woonplaats] . Verdachte en zijn twee mededaders zijn gekleed in het zwart het restaurant ingegaan, met zwarte maskers op en blauwe latex handschoenen aan. Bij de overval is gebruik gemaakt van een mes en een vuurwapen, met welke wapens de aanwezige personen ook daadwerkelijk zijn bedreigd. De dader met het vuurwapen heeft deze onder andere gericht op de eigenaresse van het restaurant en haar elfjarige dochter, alsmede een gast die probeerde het restaurant te ontvluchten. Een andere dader had een mes bij zich en heeft daarmee dreigend zwaaiende bewegingen gemaakt en geroepen dat iedereen op de grond moest liggen. Ook is er door deze persoon een glas in de richting van de ober in het restaurant gegooid. Verdachte heeft verklaard dat zijn rol inhield dat hij het geld zou pakken en dit heeft hij gedaan. Hij is over de bar gesprongen en heeft het geld weggenomen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij dit alles heeft gedaan in een restaurant waar hij als invaller werkzaam was en zelfs na de overval nog gewerkt heeft.

Door gemaskerd en bewapend een restaurant binnen te gaan en te bevelen dat iedereen op de grond moest gaan liggen, heeft verdachte met zijn mededaders een enorm bedreigende situatie gecreëerd voor de eigenaresse van het restaurant, haar elfjarige dochter, haar personeel en de gasten. Het betreft een zeer ernstig feit. Te meer gelet op het feit dat de overval zorgvuldig was voorbereid. De rollen waren verdeeld en een dag eerder zijn maskers aangeschaft. Door het dragen van donkere kleding en het gebruik van wapens, latexhandschoenen en maskers is niet alleen een extra bedreigende situatie gecreëerd maar dit getuigt er ook van dat de daders goed hebben nagedacht hoe ze hiermee weg konden komen. , Een dergelijke overval maakt een grove inbreuk op het gevoel van veiligheid en heeft doorgaans een grote impact op het leven van de slachtoffers en mensen uit de wijk. Verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan en tijdens het plegen van de overval niet goed had nagedacht. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij dit niet heeft gedaan en kennelijk vooral heeft gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 2 december 2019 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies

van 18 maart 2020, uitgebracht door Reclassering Nederland. In dit rapport komt naar voren

dat verdachte tot de normgroep behoort waarvan 19 tot 33 procent binnen één tot twee jaar

recidiveert. Dit duidt op een gemiddeld recidiverisico. Dit risico zal afnemen zodra er

passende hulpverlening dan wel begeleiding wordt opgestart. Het is van belang dat verdachte

een zinvolle en structurele dagbesteding heeft en een behandeling volgt die gericht is op

delict preventie en het verkrijgen van inzicht in de keuzes die hij maakt en de gevolgen

daarvan. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden onder meer een meldplicht, een ambulante behandeling en het vinden en behouden van een dagbesteding.

De straf

Kijkend naar de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan voor een overval op een winkel waarbij is gedreigd of licht geweld is gebruikt uit van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Als strafverzwarende omstandigheid neemt de rechtbank mee dat er tijdens de overval gebruik is gemaakt van een vuurwapen en een mes. Voorts weegt de mate van professionaliteit van de voorbereiding en uitvoering van de overval, bestaande uit de rolverdeling, het dragen van nagenoeg dezelfde zwarte kleding met de dezelfde zwarte maskers (die een week van te voren door onder andere verdachte zijn aangeschaft) en de latex handschoenen, in strafverzwarende zin mee. Tot slot neemt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid de zeer heftige situatie die is ontstaan tijdens de overval mee, waarbij een vuurwapen is gericht op onder andere de eigenaresse en haar elfjarige dochter.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat verdachte, ten opzichte van zijn mededaders, uiteindelijk enige vorm van verantwoordelijkheid heeft genomen door enige openheid van zaken te geven. Daarbij is hij bij de overval niet degene geweest die geweld heeft gebruikt dan wel daarmee heeft gedreigd. Daarnaast neemt de rechtbank de jonge leeftijd van verdachte in zijn voordeel mee en de door de reclassering geschetste noodzaak tot hulpverlening die ertoe leidt dat verdachte als hij vrijkomt zich gedurende twee jaar zal moeten houden aan de genoemde voorwaarden. .

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank ziet aanleiding om daarvan tien maanden voorwaardelijk op te leggen. Enerzijds als stok achter de deur voor verdachte om niet opnieuw strafbare feiten te plegen en anderzijds omdat de rechtbank het noodzakelijk acht dat verdachte zich aan de nader te noemen bijzondere voorwaarden houdt. De rechtbank acht hierbij van belang dat uit het rapport van de reclassering blijkt dat de kans op recidive bij verdachte afneemt als hij begeleid wordt. Om die reden acht de rechtbank de bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling en een zinvolle dagbesteding, passend en geboden.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het

nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in

artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde

lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder

begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat

nodig vindt. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste

afspraak;

* zich laat behandelen door forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke

zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele

proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan

de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* meewerkt aan het vinden en behouden van een zinvolle en structurele

dagbesteding;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving

van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee, voorzitter, mrs. G. Perrick en H.F. Koenis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 september 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2019 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van 850 euro, in elk geval een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Restaurant [restaurant] en/of [slachtoffer] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en/of een of meer medewerkers en/of gasten van voornoemd restaurant, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- gemaskerd en/of gewapend voornoemd restaurant binnen te dringen en/of over de toonbank te springen en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een mes dreigend) in de richting van die [slachtoffer] en/of die medewerker(s) en/of gasten te houden en/of te tonen en/of

- een glas te gooien richting die [slachtoffer] en/of medewerker(s) en/of gasten en/of

- de woorden te schreeuwen: ‘iedereen op de grond’, althans woorden van gelijke aard of strekking.

1 ECLI:NL:OGEAA:2015:57, ECLI:NL:RBZWB:2015:5804 en ECLI:NL:RBMNE:2015:5541.