Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3827

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
16/240521-19(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een restaurant in Bunnik. Verdachte en zijn twee mededaders zijn gekleed in het zwart het restaurant ingegaan, met zwarte maskers op en blauwe latex handschoenen aan. Bij de overval is gebruik gemaakt van een mes en een vuurwapen, met welke wapens de aanwezige personen ook daadwerkelijk zijn bedreigd. De dader met het vuurwapen heeft deze onder andere gericht op de eigenaresse van het restaurant en haar elfjarige dochter. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/240521-19(P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 januari 2020, 2 april 2020 en 27 augustus 2020. Op laatstgenoemde datum vond de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaats.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.C. Smits, en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, samengevat, op neer dat verdachte:

op 18 augustus 2019 te [woonplaats] samen met anderen een geldbedrag van € 850,- heeft weggenomen van restaurant [restaurant] en/of [slachtoffer] , terwijl deze diefstal werd vergezeld met geweld en/of bedreiging met geweld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Door verschillende getuigenverklaringen kreeg de politie de vluchtroute van de drie daders die de overval hebben gepleegd in beeld. Op de vluchtroute zijn onder andere blauwe handschoenen aangetroffen, met daarop DNA van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . De daders van de overval droegen ook blauwe handschoenen. Volgens de officier van justitie zijn de blauwe handschoenen dan ook dadersporen. Daar komt bij dat getuige [getuige 1] verdachte heeft herkend. Voorts wordt op 19 augustus 2019 melding gemaakt dat er een naast de kerk, waar het masker is aangetroffen, een scooter staat geparkeerd. Later bleek het te gaan om de scooter van verdachte.

De officier van justitie acht het alternatieve scenario van verdachte, welk scenario inhoudt dat hij in de periode van de overval in de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] weleens schoonmaakte en daarbij dezelfde soort blauwe handschoenen droeg en deze in de woning zou hebben laten slingeren, onaannemelijk mede omdat dit door de bewijsmiddelen wordt weersproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Op basis van de stukken in het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte één van de daders is die de gewapende overval hebben gepleegd. Andere scenario’s kunnen gezien de inhoud van het dossier niet worden uitgesloten en om die reden dient verdachte, mede verwijzend naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam1, te worden vrijgesproken.

Allereerst ontkent verdachte enige betrokkenheid bij de gewapende overval. In de tweede plaatst is er geen enkel direct bewijs dat verdachte in het restaurant is geweest en één van de drie daders is. In de derde plaats levert het DNA-profiel van verdachte dat is aangetroffen op de handschoenen geen bewijs op dat verdachte bij de overval betrokken was. Handschoenen zijn verplaatsbare objecten, waaraan volgens de jurisprudentie (zie uitspraak van de rechtbank Overijssel2) minder bewijswaarde wordt gehecht. Bovendien heeft verdachte voor het aantreffen van zijn DNA op de handschoenen een aannemelijke verklaring afgelegd. Het enige bewijs van substantiële aard betreft de herkenning van getuige [getuige 1] . Deze herkenning acht de verdediging echter niet voldoende specifiek en de waarneming vond plaats onder schemerige omstandigheden vanuit een rijdende auto. Hierdoor is de herkenning onbetrouwbaar en kan niet worden gebruikt als bewijsmiddel. Hierbij verwijst de raadsman naar een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden3 en de Rechtbank Noord-Holland4.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 5

Op 19 augustus 2019 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van een gewapende overval 6:

“Op 18 augustus 2019 was ik aan het werk in mijn restaurant, [restaurant] , in [woonplaats] . Ik zag drie zwart geklede mannen binnenkomen. Ik draaide mij om en zag dat er twee mannen over de balie heen sprongen. Ik zag meteen een lang mes van ongeveer 30 centimeter. (…) Ik zag ineens een man bij de glazen deur staan. Ik zag dat hij een vuurwapen in zijn hand had. Ik zag dat hij op mij richtte, maar ook door het restaurant heen naar alle andere personen die binnen waren. Volgens mij hoorde ik hem iets zeggen van: "op de grond, op de grond". (…) Er is ook geld uit de kassa gestolen. Dat is 850,00 euro.”

Op 19 augustus 2010 heeft getuige [getuige 2] het volgende verklaard over de gewapende overval 7:

“Toen ik terugliep naar de afhaalruimte hoorde ik geschreeuw. Ik hoorde iemand schreeuwen: "iedereen op de grond!". (…) Op dat moment zag ik dat een andere jongen met een pistool in zijn hand tussen de glazen deuren van de andere doorgang van het restaurant naar het afhaalgedeelte, verscheen. Ik zag dat de jongen met dat pistool richtte op de eigenaresse. (…) De zoon, die met zijn vader aan een tafeltje zat, was van zijn tafel opgestaan en was in de richting van die glazen deuren gelopen. Vermoedelijk wilde die zoon via die deur het restaurant verlaten. Dat kon niet omdat die jongen met het pistool in de doorgang stond en dat pistool ook op die zoon richtte. (…) Vanuit de positie die ik had kon ik ook de jongen met het mes achter de bar zien. Ik zag dat hij met het mes in mijn richting wees.”

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van het restaurant [restaurant] bekeken en daarover het volgende geverbaliseerd 8:

“Vanuit het restaurant gezien, komen uit de linker richting, een drietal personen hard aanrennen. Deze drie personen rennen achter elkaar het restaurant binnen. Deze drie personen hebben alle drie donkere sportkleding aan en dragen capuchons over hun

hoofd. Dader 1 heeft een masker voor zijn gezicht en heeft in zijn rechter hand een groot mes vast. Dader 1 zet zijn linker hand op de balie en springt soepel over de balie. Dader 1 draagt blauwe handschoenen. Dader 2 springt met zijn schoenen op de afhaalbalie. Dader 2 heeft een masker voor zijn gezicht en draagt om zijn handen blauwe handschoenen. Dader 2 is ook over de balie gesprongen. Dader 3 heeft een masker voor zijn gezicht en draagt om zijn handen blauwe handschoenen.

Dader 3 heeft in zijn linker hand een pistool vast en ondersteund met zijn rechter hand zijn linker hand. (…) Dader 1 rent achter de bar naar het einde van de bar. Dader 1 pakt vanaf de bar een wijnglas en gooit dit glas in de richting van de doorgang naar het restaurantgedeelte. (…) Dader 3 doet met zijn rechter hand een glazen toegangsdeur open en tegelijkertijd richt dader 3 met zijn linker hand een pistool richting het meisje. (…) Dader 3 richt zijn pistool in de richting van de jongeman. Dader 3 houdt zijn pistool in de richting van de aanwezigen in het restaurantgedeelte. De medewerkster loopt, half gebukt, in de richting van het achterste restaurantgedeelte waar het meisje naar toe was gerend. Halverwege stopt de medewerkster met lopen omdat dader 3 zijn pistool op de medewerkster richt. (…) Dader 1 gooit met zijn linkerhand een glas in de richting van de ober.

Nadat de overval plaats heeft gevonden heeft getuige [getuige 3] het volgende verklaard 9 :

“Ik was gisteren op bezoek bij mijn schoonmoeder. Zij woont in de aanleunwoningen van [naam] , [adres] , [woonplaats] . Deze woningen hebben in het midden een hofje waar je via vier kanten in en uit kan lopen. (…) Het moet rond 20:55 uur ‘s avonds geweest zijn. Op een gegeven moment zag ik in de hoek een jongen het hofje in komen rennen. Ik zag dat de jongen schrok toen hij ons zag staan, direct stopte met rennen, omkeerde en terug rende in de richting waar hij vandaan kwam.”

Nadat de overval plaats heeft gevonden heeft getuige [getuige 4] het volgende verklaard 10:

"Ik heb 18 augustus rond 21:15 uur drie jongens voorbij zien rennen in het donker gekleed

en zij hadden blauwe handschoenen aan. (…) Ik zag dat twee jongens de straat tegenover mijn woning in renden. Dit is de [straat] . (…) Vervolgens zag ik dat die twee jongens een brandgang in renden. Dit is de brandgang naast [adres] . Na ongeveer vijf a tien minuten zag ik dat dezelfde jongens weer de brandgang uit kwamen lopen. Ik heb de blauwe handschoenen niet meer gezien.”

Naar aanleiding van de verklaringen van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] heeft verbalisant [verbalisant 2] een stukje van een blauwe latex handschoen en twee paar blauwe latex handschoenen aangetroffen en hier het volgende over opgeschreven 11:

“Tevens was er een getuige die omstreeks 21:00 uur één jongen een hofje van de aanleunwoningen [naam] , aan de [straat] t.h.v. perceel [nummer] te [woonplaats] , op had zien rennen. Het hofje heeft 4 in- en uitgangen. Bij de ingang aan de zijde van de Sint Barbarakerk zagen wij in de tuin een deel van een blauwe handschoen liggen. Wij kregen de opdracht deze veilig te stellen in een papieren zak. (…) Tijdens het buurtonderzoek aan de Burg. Vd Weijerstraat trof ik een bewoner welke de avond van de overval omstreeks 21:15 uur drie jongens had zien rennen. Twee jongens renden een brandgang in naast de woning aan de [adres] . Wij zijn na deze verklaring de brandgang ingelopen en troffen in de struiken in de brandgang twee paar blauwe handschoenen aan. Ik zag dat deze handschoenen in een 'propje' bij elkaar tussen de bladeren zaten. Ik zag dat er verschil van kleur was aan de handschoenen. Eén paar was donkerder blauw. Deze miste ook een deel van de handschoen. Dit paar was los van elkaar. Het tweede paar had een iets lichtere kleur blauw. Deze twee handschoenen waren in elkaar

gevouwen. Alsof je één handschoen uitdoet, vasthoudt met de andere hand terwijl je de tweede handschoen uitdoet en de eerste hierin vast zit. Omdat de twee paar handschoenen bij elkaar in de struiken gestoken waren, heb ik beide paren in één papieren zak gedaan.”

Waarneming van de rechtbank:

Op pagina 67 van het dossier is te zien dat de handschoenen in de brandgang naast de woning aan de [adres] op enige hoogte zijn aangetroffen in een klimopstruik.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft forensisch onderzoek verricht naar sporen op het aangetroffen stukje handschoen en op de twee paar handschoenen 12:

“Onderzoek handschoen met SIN AANA1137NL

Ik zag dat het een stukje van een blauwkleurige latex handschoen betrof. Ik zag

dat het stukje bestond uit één vinger en deel van de handpalm- en handrugzijde. Ik

vermoedde dat de buitenzijde bij aantreffen de oorspronkelijke binnenzijde was aangezien

het topje naar binnen gekeerd was.

Onderzoek handschoenen met SIN AANA1138NL

Ik zag dat het vier blauwkleurige latex handschoenen betrof. Ik heb deze handschoenen handschoen 1, 2, 3 en 4 genoemd. Ik zag dat handschoen 1 en 2 bij aantreffen in elkaar gevouwen waren en beiden geelkleurige vlekken bevatten. Ik vermoedde dat van alle vier de handschoenen de buitenzijde bij aantreffen de oorspronkelijke binnenzijde was omdat de manchetten en vingertopjes naar binnen gekeerd waren.

Opmerking verbalisant
Omdat ik vermoedde dat de buitenzijde bij aantreffen van alle handschoenen de

oorspronkelijke binnenzijde was, heb ik de buitenzijde bij aantreffen bemonsterd tijdens dit biologische vooronderzoek.

Veiliggestelde sporen

SIN AAMT3554NL

Relatie met SIN AANA1137NL

Plaats veiligstellen Handschoen aana1137nl: buitenzijde bij aantreffen.

SIN AAMT3555NL

Relatie met SIN AANA1137NL

Plaats veiligstellen Handschoen aanal137nl: binnenzijde bij aantreffen.

SIN AAMT3558NL

Relatie met SIN AANA1138NL

Plaats veiligstellen Handschoen aana1138nl: buitenzijde bij aantreffen hs3.

SIN AAMT3559NL

Relatie met SIN AANA1138NL

Plaats veiligstellen Handschoen aana1138nl: buitenzijde bij aantreffen hs4.”

Het NFI heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de veiliggestelde sporen aan de handschoenen 13:

SIN

Beschrijving DNA-profiel

DNA kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

AAMT3554NL#01

DNA-profiel van minimaal één persoon

Verdachte [verdachte]

Niet berekend

AAMT3559NL#01

DNA-mengprofiel van minimaal twee personen

- verdachte [verdachte]

- [medeverdachte 1]

Niet berekend vanwege overige resultaten.

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek

Bemonstering AAMT3558NL#01

Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van verdachte [verdachte] RABM4245NL en DNA-mengprofiel AMT3558NL#0l

zijn de volgende aannames gedaan: bemonstering AAMT3558NL#01 bevat DNA van drie personen; de personen in dit mengsel zijn niet verwant. Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

Hypothese 1: De bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en twee

willekeurige onbekende personen.

Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van drie willekeurige onbekende personen.

Het verkregen DNA-mengprofiel AAMT3558NL#01 is meer dan 1 miljard keer

waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.”

Getuige [getuige 1] heeft het volgende verklaard 14 :

“Op 16 augustus 2019, omstreeks 19.00 uur, bevond ik mij in de supermarkt Albert Heyn te Bunnik gelegen aan de van Hardenbroeklaan. Ik zag toen in de winkel drie jongemannen lopen. Ze vielen mij op omdat ze nogal stoer deden en liepen. Eén van die jongens herkende ik. Dit was de oudste zoon van de familie [familie] , welke woont aan het [adres] te [woonplaats] . Jongen 2: één van die andere jongens had een rood/rossig baardje. Geen snor. Ik denk dat de baard ongeveer 2 á 3 cm lang was. Het was een blanke jongen, leeftijd ongeveer 18/19 jaar. Op zondagavond 18 augustus 2019, omstreeks 21.05 uur, reed ik in mijn auto over de Burgemeester Weijersstraat richting de Stationsweg. Ik zag toen dat er drie personen over de Burgemeester van de Weijersstraat renden. Eén van de jongens had geen capuchon op en zodoende kon ik zijn gezicht zien. Ik zag dat deze dezelfde jongen was, degene met het rood/rossige baardje, welke ik de vrijdagavond daarvoor had gezien in de Albert Heyn samen met de oudste zoon van de familie [familie] .”

Verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting het volgende verklaard: 15

“Het klopt dat ik op die foto’s van de Albert Heijn sta. Ik doe daar vaak boodschappen.”

Getuige [getuige 1] heeft zijn herkenning van verdachte bevestigd tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris en het volgende verklaard 16 :

“Als ik het dossier goed lees dan reed u in de auto toen u die drie jongens zag, klopt dat?

Ja, ik reed op de Burgemeester van der Weijerstraat.

U gaf aan dat u een jongen herkende. Hoe zeker was u daarvan?

Heel zeker. Ik had hem de dagen ervoor ook gezien.

Waar herkende u hem aan?

Aan zijn ringbaardje.

Was er nog iets anders dan het ringbaardje waardoor u hem herkende?

Ja, aan zijn gezicht.”

Bewijsoverweging

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte één van de drie daders is die de overval op 18 augustus 2018 op het restaurant [restaurant] hebben gepleegd.

Uit onderzoek van het aangetroffen DNA-materiaal op de (delen van de) handschoenen blijkt dat het DNA-materiaal afkomstig kan zijn van verdachte (alsmede van de medeverdachte [medeverdachte 1] ). De hypothese dat de bemonstering DNA bevat van verdachte en twee

willekeurige onbekende personen, is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dan de hypothese dat het DNA afkomstig is van drie willekeurige personen. Op zich betekent dit gegeven niet zonder meer – zoals ook de raadsman naar voren heeft gebracht – dat het verdachte moet zijn geweest die betrokken was bij het plegen van de overval, mede gelet op het feit handschoenen op zichzelf verplaatsbare objecten zijn. Voor de bewijswaarde hiervan is mede bepalend wat de aard van het spoor is, op welke specifieke plaats het spoor is aangetroffen en of aangenomen moet worden dat het spoor daar door de dader is achtergelaten.

Op de camerabeelden van de overval heeft de politie gezien dat alle drie de daders tijdens de overval in het restaurant blauwe handschoenen droegen. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een jongen, gekleed in het zwart, het hofje waar hij zicht op had in zag rennen. Dit hofje was onderdeel van de vluchtroute die later door de politie op basis van meerdere getuigenverklaringen is gereconstrueerd. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij twee jongens, eveneens gekleed in het zwart, een brandgang in zag rennen met blauwe latex handschoenen aan en hij vijf á tien minuten later dezelfde jongens de brandgang uit zag rennen zonder handschoenen aan. Op aanwijzingen van deze getuigenverklaringen treft de politie in het hofje een stukje van een blauwe latex handschoen aan en in de brandgang twee paar handschoenen. Deze handschoenen worden in een prop, op enige hoogte, weggestopt in een klimopstruik door de politie gevonden. Gelet op de bevindingen van de politie, neemt de rechtbank aan dat de handschoenen binnenstebuiten zijn aangetroffen in de brandgang. De buitenzijde van de handschoenen was dus de oorspronkelijke binnenzijde van de handschoenen. Deze (oorspronkelijke) binnenzijde is bemonsterd en daarop is een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] donor kunnen zijn.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de specifieke plaats en wijze van aantreffen van de (delen van de) handschoenen in combinatie met het feit dat alle drie de overvallers blauwe handschoenen droegen, maakt dat – hoewel het hier gaat om een verplaatsbaar object – deze sporen in dit geval als dadersporen worden aangemerkt.

Bovenstaande dient in samenhang te worden bezien met de herkenning van getuige [getuige 1] , die verdachte in het zwart gekleed, kort na het tijdstip van de overval heeft zien rennen op de gereconstrueerde vluchtroute. De rechtbank ziet in de wijze noch de inhoud van de verklaring aanleiding om deze onbetrouwbaar te achten en uit te sluiten van het bewijs. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – die heeft bekend - de overval heeft gepleegd.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 18 augustus 2019 te Bunnik tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag van 850 euro dat geheel aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan Restaurant [restaurant] en/of [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en een medewerker en gasten van voornoemd restaurant, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door

- gemaskerd en gewapend voornoemd restaurant binnen te dringen en over de toonbank te springen en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en een mes dreigend in de richting van die [slachtoffer] en die medewerker en gasten te houden en te tonen en

- een glas te gooien richting die medewerker en gasten en

- de woorden te schreeuwen: ‘iedereen op de grond’.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat het adolescentenstrafrecht toegepast dient te worden. Verdachte is jong, heeft een belast verleden en overziet niet altijd de gevolgen van zijn daden. Nader onderzoek naar de persoon van verdachte zou ertoe kunnen leiden dat het adolescentenstrafrecht toegepast dient te worden. Gelet daarop en gelet op het reclasseringsrapport verzoekt de verdediging subsidiair het onderzoek te heropenen en de zaak aan te houden om een onderzoek naar de persoon te laten uitvoeren. Meer subsidiair acht de verdediging de eis van de officier van justitie te fors en verzoekt de rechtbank aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS).

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Adolescentenstrafrecht

Het uitgangspunt bij meerderjarigen is dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast. Toepassing van het jeugdstrafrecht kan alleen ingeval de verdachte ten tijde van het strafbare feit meerderjarig was, maar nog onder de 23 jaar en als omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.

Ten tijde van het plegen van het feit was verdachte twintig jaar en dus meerderjarig. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd geen aanknopingspunten om af te wijken van het uitgangspunt om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Dit in overeenstemming met hetgeen de reclassering hierover heeft geadviseerd.

Strafoplegging

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op restaurant [restaurant] te [woonplaats] . Verdachte en zijn twee mededaders zijn gekleed in het zwart het restaurant ingegaan met zwarte maskers op en blauwe latex handschoenen aan. Bij de overval is gebruik gemaakt van een mes en een vuurwapen, met welke wapens de aanwezige personen ook daadwerkelijk zijn bedreigd. De dader met het vuurwapen heeft deze onder andere gericht op de eigenaresse van het restaurant en haar elfjarige dochter, alsmede een gast die probeerde het restaurant te ontvluchten. Een andere dader had een mes bij zich en heeft daarmee dreigend zwaaiende bewegingen gemaakt en geroepen dat iedereen op de grond moest liggen. Ook is er door deze persoon een glas in de richting van de ober in het restaurant gegooid. De derde dader heeft het geld gepakt.

Door gemaskerd en bewapend een restaurant binnen te gaan en te bevelen dat iedereen op de grond moest gaan liggen, heeft verdachte met zijn mededaders een enorm bedreigende situatie gecreëerd voor de eigenaresse van het restaurant, haar elfjarige dochter, haar personeel en de gasten. Het betreft een zeer ernstig feit. Te meer gelet op het feit dat de overval zorgvuldig was voorbereid. De rollen waren verdeeld en een dag eerder zijn maskers aangeschaft. Door het dragen van donkere kleding en het gebruik van wapens, latexhandschoenen en maskers is niet alleen een extra bedreigende situatie gecreëerd maar dit getuigt er ook van dat de daders goed hebben nagedacht hoe ze hiermee weg konden komen. Een dergelijke overval maakt een grove inbreuk op het gevoel van veiligheid en heeft doorgaans een grote impact op het leven van de slachtoffers en mensen uit de wijk. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij niet gedacht heeft aan de impact op en de gevolgen voor de slachtoffers en kennelijk vooral heeft gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 4 augustus 2020 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte op 6 april 2018 veroordeeld is voor het twee keer plegen van diefstal waarvan één in combinatie met (bedreiging met) geweld waarvoor verdachte vijftien maanden jeugddetentie opgelegd heeft gekregen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het reclasseringsadvies

van 30 maart 2020, uitgebracht door Reclassering Nederland. In dit rapport komt naar voren dat verdachte een belaste levensgeschiedenis heeft met uithuisplaatsingen, een verblijf in instellingen, de echtscheiding van zijn ouders en het overlijden van zijn vader toen hij twaalf jaar oud was. Het NIFP heeft in 2017 vastgesteld dat er sprake is van een beneden gemiddeld intelligentieniveau en een norm overschrijdende gedragsstoornis. Tevens wordt gesproken over een bedreigde ontwikkeling van de persoonlijkheid in antisociale richting. Er is sprake van een High Impact Crime (HIC). Gezien de eerdere veroordeling voor een HIC-feit en de persoonlijke omstandigheden schat de reclassering de kans op recidive hoog. Dit vraagt om intensieve begeleiding en veel toezicht en controle om de kans op recidive te verminderen. Vanwege het feit dat verdachte ontkent en er om die reden geen helder beeld is van zijn denkpatronen, gedrag en vaardigheden, kan de reclassering geen passend plan van aanpak maken om de kans op recidive te verminderen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook acht geslagen op het reclasseringsadvies

van 15 april 2020, uitgebracht door Reclassering Nederland. In dit rapport wordt geadviseerd geen reclasseringstoezicht op te leggen. In het kader van de eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling kan opnieuw onderzocht worden of toezicht en interventies geïndiceerd en haalbaar zijn.

Nader onderzoek persoon verdachte

De rechtbank acht zich gelet op de inhoud van de reclasseringsrapportages voldoende voorgelicht over de persoon van verdachte en ziet geen noodzaak om nader onderzoek naar de persoon te laten verrichten. De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek van de raadsman tot heropening en aanhouding van het onderzoek dan ook af.

De straf

Kijkend naar de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor een overval op een winkel waarbij is gedreigd of licht geweld is gebruikt uit van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Als strafverzwarende omstandigheid neemt de rechtbank mee dat verdachte eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld en dat verdachte na nog geen anderhalf jaar opnieuw de fout in is gegaan. Daarnaast neemt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid mee dat tijdens de overval gebruik is gemaakt van een vuurwapen en een mes. Voorts weegt de mate van professionaliteit van de voorbereiding en uitvoering van de overval, bestaande uit de rolverdeling, het dragen van nagenoeg dezelfde zwarte kleding met de dezelfde zwarte maskers (die een dag van te voren waren aangeschaft) en de latex handschoenen, in strafverzwarende zin mee. Tot slot neemt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid de zeer heftige situatie die is ontstaan tijdens de overval mee, waarbij een vuurwapen is gericht op onder andere de eigenaresse en haar elfjarige dochter. Verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen en er geen blijk van gegeven dat hij de ernst van zijn handelen inziet.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Mede gelet op het rapport van de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Een plan van aanpak ten aanzien van hulp, begeleiding en behandeling kan worden gemaakt op het moment dat de reclassering in beeld komt bij een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank wijkt bij de strafoplegging af van de eis van de officier van justitie gelet op de straffen die doorgaans voor dergelijke feiten worden opgelegd, waarbij zij de persoon van verdachte eveneens in aanmerking heeft genomen.

9 VOORLOPIGE HECHTENIS

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opheft gelet op de door de officier gevorderde straf.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich verzet tegen een opheffing van de schorsing, gelet op de bepleite vrijspraak.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de impact die dit op de slachtoffers moet hebben gehad en de hoogte van het recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat het maatschappelijk belang dat wordt gediend door voorlopige hechtenis op dit moment zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van verdachte om in vrijheid te zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken het voortgangsverslag van Reclassering Nederland waaruit blijkt dat de begeleiding tijdens de schorsing moeizaam is verlopen. De rechtbank zal aldus de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging in mindering zal worden gebracht;

Voorlopige hechtenis

- heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee, voorzitter, mrs. G. Perrick en H.F. Koenis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 september 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2019 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van 850 euro, in elk geval een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Restaurant [restaurant] en/of [slachtoffer] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en/of een of meer medewerkers en/of gasten van voornoemd restaurant, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- gemaskerd en/of gewapend voornoemd restaurant binnen te dringen en/of over de toonbank te springen en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een mes dreigend) in de richting van die [slachtoffer] en/of die medewerker(s) en/of gasten te houden en/of te tonen en/of

- een glas te gooien richting die [slachtoffer] en/of medewerker(s) en/of gasten en/of

- de woorden te schreeuwen: ‘iedereen op de grond’, althans woorden van gelijke aard of strekking.

1 ECLI:NL:GHAMS:2014:4850

2 ECLI:NL:RBOV:2020:1669

3 ECLI:NL:GHARL:2015:8980

4 ECLI:NL:RBNHO:2020:4567

5 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, met onderzoeksnummer MD3R019175 / 033GZMOLEN, opgemaakt door politie Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, doorgenummerd 1 tot en met 512. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

6 Proces-verbaal van aangifte van 19 augustus 2019, pagina’s 12 tot en met 15.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige van 19 augustus 2019, pagina 22.

8 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2019, pagina’s 119 tot en met 122, 127, 130 en 133 tot en met 136.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 20 augustus 2019, pagina 47.

10 Proces-verbaal van bevindingen van 20 augustus 2019, pagina 49.

11 Proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2019, pagina’s 56 en 57.

12 Proces-verbaal vooronderzoek lab van 21 augustus 2019, pagina’s 153 tot en met 155.

13 NFI-rapport van 13 september 2019, pagina’s 160 en 161.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 18 augustus 2019, pagina’s 26 en 27.

15 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 27 augustus 2020.

16 Proces-verbaal van verhoor van getuigen door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 11 februari 2020, pagina’s 3 en 5.