Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3826

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1916
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak buiten zitting. Beroep ongegrond. Dwangsommen van rechtswege verbeurd. Geen bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.A. Bruintjes),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de door eiseres verbeurde dwangsommen tot een totaalbedrag van € 12.000,- ingevorderd, omdat zij de kamerverhuur en splitsing van de woning op het adres [adres] in [woonplaats] niet tijdig ongedaan heeft gemaakt.

Bij besluit van 24 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om uitspraak te doen zonder dat hij is gehoord op een zitting. Eiseres heeft aan de rechtbank laten weten dat zij eerst haar standpunt schriftelijk wil toelichten, voordat zij toestemming verleent om de zaak zonder zitting af te doen. Eiseres heeft geen schriftelijk standpunt bij de rechtbank ingebracht binnen de termijn die de rechtbank haar daarvoor heeft gesteld. Vervolgens heeft de rechtbank eiseres opnieuw verzocht om toestemming om uitspraak te doen zonder dat zij is gehoord op een zitting. Eiseres heeft ook hierop niet binnen de gestelde termijn gereageerd. Hierna heeft de rechtbank bepaald dat de zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek op 22 april 2020 gesloten.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is eigenaar van de woning op het adres [adres] in [woonplaats] (de woning). Bij besluit van 22 augustus 2017 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd omdat zij kamers in de woning verhuurt en omdat de woning is gesplitst. De dwangsom houdt in dat eiseres binnen zes weken de kamerverhuur moet beëindigen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per week, met een maximum van in totaal € 10.000,-. Daarnaast moet eiseres binnen zes weken de woningsplitsing ongedaan te maken, ook op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,- per week, met een maximum van in totaal € 10.000,-. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde last onder dwangsom, welk bezwaar ongegrond is verklaard. Zij heeft hier geen beroep tegen ingesteld.

Op 11 oktober 2017, 21 november 2017 en 7 augustus 2018 hebben inspecteurs van verweerder na controles gerapporteerd dat eiseres niet volledig aan de lastgeving van

22 augustus 2017 heeft voldaan. Op grond van deze controlerapporten heeft verweerder geconcludeerd dat van rechtswege twaalf dwangsommen zijn verbeurd: twee van € 1.000,- vanwege het niet tijdig beëindigen van de kamerverhuur en tien van € 1.000,- vanwege het niet tijdig ongedaan maken van de woningsplitsing.

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit en het bestreden besluit genomen.

Grondslag van het bestreden besluit

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet volledig aan de lastgeving van 22 augustus 2017 heeft voldaan en dat de dwangsommen daarom van rechtswege zijn verbeurd. Verweerder ziet in de aangevoerde bezwaargronden geen redenen om van het innen van de dwangsommen af te zien. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op de bevindingen van de inspecteurs van verweerder tijdens de controles op 11 oktober 2017, 21 november 2017 en 7 augustus 2018.

Omvang van het geschil en beoordelingskader

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres een aantal gronden aanvoert, die zich richten tegen de rechtmatigheid van het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom. Dat besluit van

22 augustus 2017 is echter onherroepelijk geworden, omdat het bezwaarschrift tegen dit besluit ongegrond is verklaard en eiseres hiertegen geen beroep heeft ingesteld. De gronden die eiseres aanvoert tegen de last onder dwangsom zelf, kunnen daarom niet slagen en zullen niet nader worden besproken.

4. In de huidige procedure is slechts de invordering van het totale dwangsombedrag van

€ 12.000,- onderwerp van geschil. De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of binnen de begunstigingstermijn aan de last onder dwangsom van 22 augustus 2017 is voldaan. Zo niet, dan is de volgende vraag hoe veel dwangsommen er zijn verbeurd. Vervolgens moet nog worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn om van invordering van de verbeurde dwangsom(men) af te zien.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaar gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

Gronden

6. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij tot invordering van de dwangsommen overgaat vanwege het niet tijdig beëindigen van kamerverhuur in de woning. Verder voert eiseres aan dat in het inspectierapport van de controle op

11 oktober 2017 onterecht is geconcludeerd dat sprake is van kamerverhuur. Ten aanzien van de woningsplitsing voert eiseres aan dat verweerder niet tot invordering van de verbeurde dwangsommen kan overgaan, omdat er concreet zicht op legalisatie bestaat. Eiseres erkent dat sprake is van woningsplitsing, maar zij heeft daarvoor een vergunning aangevraagd en er is een positief stedenbouwkundig advies over de woningsplitsing uitgebracht.

Controles

7. Uit de controlerapporten van 19 juli 2016 en 8 mei 2017 blijkt dat op de eerste en tweede verdieping door verschillende personen, die geen familie van elkaar zijn, kamers werden bewoond. Deze controlerapporten hebben geleid tot het besluit tot opleggen van de last onder dwangsom.

8. Op 28 augustus 2017 hebben inspecteurs weer een bezoek aan de woning gebracht. De op het adres ingeschreven personen bleken er niet te wonen. Wel woonden de volgende personen er op de eerste en tweede verdieping: mevrouw [A] , de heer [B] en de heer

[C] en mevrouw [D] . Mevrouw [D] vertelde dat in de voorste kamer van de tweede verdieping aan de linkerkant tegenover de voorzijde van de woning eiseres woonachtig is.

9. Op 11 oktober 2017 is weer een controle in de woning uitgevoerd. Daarbij trof de inspecteur op de eerste en tweede verdieping enkele personen aan. Een van deze personen, een vrouw, verklaarde tegenover de inspecteur dat zij met drie andere personen in de woning woont en dat er op de begane grond een gezin woont dat zij niet kent.

10. Op 21 november 2017 is er ook weer een controle in de woning geweest. Daarbij is vastgesteld dat er ten opzichte van de eerdere controle op 11 oktober 2017 feitelijk niets is veranderd. Boven en beneden wordt door verschillende, niet familiaire personen bewoond.

11. In de controlerapporten van 11 oktober en 21 november 2017 zijn de personalia van de aangetroffen personen om privacyredenen zwart gemaakt. In zijn verweerschrift voor de bezwaarschriftencommissie heeft verweerder echter de volgende nadere toelichting op de identiteit van de genoemde personen gegeven. Op 11 oktober 2017 ging het om de aanwezigheid van twee vrouwen met de Bulgaarse nationaliteit. De drie personen waarmee de ene vrouw zei samen te wonen waren twee mannen en een vrouw, die een andere achternaam hadden dan de verklarende vrouw. De mannen waren respectievelijk 11 jaar ouder en 6 jaar jonger dan de verklarende vrouw, waardoor het niet aannemelijk was dat dit de vader en broertjes van de vrouw waren. Deze drie personen waren bij de controle op 28 augustus 2017 ook in de woning aanwezig, samen met een vierde persoon met de Bulgaarse nationaliteit. Op 21 november 2017 werden vier personen met de Bulgaarse nationaliteit aangetroffen, die niet aanwezig waren op 28 augustus of 11 oktober 2017.

Oordeel van de rechtbank

12. Gelet op de controles van 21 oktober 2017 en 21 november 2017 in samenhang bezien met de eerdere genoemde controles, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet binnen de begunstigingstermijn (volledig) aan de opgelegde last van 22 augustus 2017 heeft voldaan. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat ten tijde van de controle op 11 oktober 2017 nog steeds sprake was van kamerverhuur. Niet in geschil is verder dat daarvoor de vereiste vergunning ontbreekt.

13. Dat betekent dat het dwangsombedrag van in totaal € 12.000,- van rechtswege is verbeurd en dat verweerder in beginsel is gehouden om dit bedrag in te vorderen. Er zijn de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gebleken die aan invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsommen in de weg staan. Dat eiseres op 25 augustus 2017 een vergunning voor woningsplitsing heeft aangevraagd, kan niet als zo’n bijzondere omstandigheid worden gezien. De vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat is negatief beantwoord in de beslissing op bezwaar van 21 december 2017 met betrekking tot oplegging van de last onder dwangsom. Dat besluit is onherroepelijk geworden en kan, zoals hiervoor is overwogen, in deze invorderingsprocedure niet meer aan de orde komen.

Conclusie

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de door eiseres verbeurde dwangsommen tot een totaalbedrag van € 12.000,- heeft ingevorderd.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 7 augustus 2020 gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3430.