Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3796

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
12-07-2021
Zaaknummer
UTR 19-3858 en UTR 19-3859
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 55 PW - verplichting tot afnemen verslavingszorg en medisch- maatschappelijke zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/3858 en UTR 19/3859

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

[eiseres] , te [plaats] , eiseres,

samen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. S. Wortel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder

(gemachtigde: dhr. E. Diepenbroek en A. Hoekerd).

Procesverloop

UTR 19/3858 (zaak van eiseres)

Bij besluit van 14 februari 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder op grond van artikel 55 van de Participatiewet (Pw) aan eiseres de verplichting opgelegd tot het afnemen van uitgebreide professionele medische- en sociaal maatschappelijke zorg.

Bij besluit van 27 maart 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

UTR 19/3859 (zaak van eiser)

Bij besluit van 7 februari 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder op grond van artikel 55 van de Participatiewet (Pw) aan eiser de verplichting opgelegd tot het afnemen van uitgebreide professionele verslavingszorg.

Bij besluit van 21 maart 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De beroepen zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van op 24 januari 2020. Eiser en eiseres zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eisers krijgen bijstand van de gemeente Hilversum . Lange tijd waren zij dakloos maar sinds september 2019 hebben zij een woning.

2. Verweerder heeft in het besluit van eiser alle arbeidsverplichtingen van toepassing verklaard. Daarbij heeft verweerder aan eiser de verplichting opgelegd om binnen 6 maanden na ontvangst van het besluit uitgebreide professionele verslavingszorg te zoeken. Daarnaast zal voor eiser een passend traject bij PakAan worden ingezet.

Verweerder heeft eiseres tijdelijk vrijgesteld van (een deel van) de arbeidsverplichting. Daarbij heeft verweerder aanvullend de verplichting opgelegd tot het afnemen van uitgebreide professionele medische en sociaal maatschappelijke zorg. Verweerder heeft zich voor beide besluiten gebaseerd op de medisch arbeidsdeskundige adviezen van 15 januari 2019.

3. Eisers hebben beroep ingesteld omdat zij het niet eens zijn met de verplichting tot het afnemen van verslavingszorg en, in het geval van eiseres, sociaal maatschappelijke zorg. Eisers hebben aangevoerd dat de verplichting tot het zoeken van medische- en sociaal maatschappelijke zorg niet noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling. Dat is ook al gebleken, omdat eisers inmiddels allebei bij PakAan werken. Verder heeft verweerder het besluit prematuur genomen. Eisers zijn niet in de gelegenheid gesteld om te laten zien dat zij, nu zij een woning hebben en de gebiedsverboden zijn aangepast, wel meewerken aan hun arbeidsinschakeling.

Hebben eisers nog procesbelang bij de beoordeling van hun beroepen?

4. De rechtbank moet eerst ambtshalve vaststellen of eisers nog procesbelang hebben. De verplichting opgelegd aan eiser moest binnen zes maanden worden vervuld en in het besluit van eiseres staat dat de ontheffing van de arbeidsverplichting op 15 januari 2020 vervallen is en zij opnieuw onderzocht zal worden.

De rechtbank is van oordeel dat zowel eiser als eiseres procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroep. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de verplichting om verslavingszorg en sociaal maatschappelijke zorg te zoeken nog steeds voortduurt. Daarbij kan het niet nakomen van deze verplichting gevolgen hebben voor de bijstandsuitkering of ertoe leiden dat aan eisers een sanctie wordt opgelegd.

Over de verplichting om verslavingszorg te zoeken (eiser en eiseres)

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eisers de verplichting heeft mogen opleggen om verslavingszorg te zoeken. Daarvoor is het volgende van belang.

6. Verweerder heeft als taak ervoor te zorgen dat mensen niet afhankelijk zijn van de bijstand maar zelf in hun levensonderhoud voorzien. Als dat niet mogelijk is, dan wil verweerder dat bijstandsgerechtigden op een andere manier een bijdrage leveren aan de samenleving door bijvoorbeeld het doen van vrijwilligerswerk. Om dat te doen, kan verweerder op grond van artikel 55 van de Pw verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering / beëindiging van bijstandsverlening. Een van de verplichtingen die verweerder kan opleggen is het ondergaan van een medische behandeling, bijvoorbeeld verslavingszorg.1

7. Uit het advies van de arts van 15 januari 2019 blijkt dat in het geval van eiseres in de situatie op dat moment geen re-integratie mogelijk is. In het advies over eiser staat dat re-integratie naar betaald werk pas mogelijk is indien eiser uitgebreid voor zijn verslavingszorg is behandeld en duurzaam afgekickt is. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het middelengebruik de re-integratie van eisers op dit moment in de weg staat. Daarom heeft verweerder aan zowel eiser als eiseres de verplichting mogen opleggen om verslavingszorg te zoeken. Het betoog van eisers dat verslavingszorg niet noodzakelijk is gelet op het feit dat ze werken bij PakAan, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank oordeelt namelijk dat verweerder terecht heeft gesteld dat PakAan een vorm van activering is en niet kan worden aangemerkt als arbeidsinschakeling. Het werk bij PakAan is vrijwillig, zeer laagdrempelig en zorgt er niet voor dat eisers onafhankelijk van de bijstand kunnen leven.

De stelling van eisers dat ze ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om te laten zien dat ze met de juiste voorwaarden wel meewerken aan het traject bij PakAan volgt de rechtbank niet. Er bestaat geen wettelijke regel waaruit volgt dat verweerder eisers eerst deze gelegenheid moet bieden voordat de verplichting om verslavingszorg te zoeken wordt opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Over de verplichting om sociaal maatschappelijke zorg te zoeken (eiseres)

8. Verweerder heeft aan eiseres ook de verplichting opgelegd om sociaal maatschappelijke zorg te zoeken. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de grondslag daarvoor ligt in het medisch advies van 15 januari 2019. Volgens verweerder was bij eiseres, anders dan bij eiser, de verwachting dat zij niet aan de arbeidsverplichting kon voldoen. Daarom is zij daarvan tijdelijk vrijgesteld en is deze verplichting opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd en dat daarmee de grondslag voor het opleggen van deze verplichting ontbreekt. Verweerder heeft onvoldoende concreet gemaakt welke zorg eiseres precies moet zoeken en ook op welke wijze deze zorg bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van eiseres. De verwijzing naar het medisch advies van 15 januari 2019 en de toelichting ter zitting is daarvoor onvoldoende, omdat ook daaruit niet blijkt wat er dan nodig is en waarom dat van belang is voor de arbeidsinschakeling. Dat betekent dat het bestreden besluit I op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met artikel 7:12 van de Awb.

Conclusie

9. De rechtbank verklaart het beroep van eiser (UTR 19/3859) ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

10. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres (UTR 19/3858) gegrond en vernietigt het bestreden besluit I voor zover het ziet op de verplichting om sociaal maatschappelijke zorg te zoeken. De rechtbank ziet gelet op de tijd die inmiddels is verstreken geen mogelijkheid voor verweerder om het gebrek te herstellen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit I op hetzelfde punt te herroepen. De verplichting om sociaal maatschappelijke zorg te zoeken wordt daarmee in zijn geheel ongedaan gemaakt.

11. Omdat de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Eiseres heeft zich in bezwaar niet laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

UTR 19/3859

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

UTR 19/3858

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I voor zover het ziet op de verplichting om sociaal maatschappelijke hulp te zoeken;

- herroept het primaire besluit I voor zover het ziet op de verplichting om sociaal maatschappelijke hulp te zoeken;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit I;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Kamerstukken II, 2002-2003, 28870, nr. 3, p. 90.