Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3770

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
16/125237-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 16 maart 2019 heeft verdachte door te hard en door rood licht te rijden een verkeersongeval op het [naam verkeersplein] te Utrecht veroorzaakt. Dit rijgedrag leidt volgens de rechtbank tot een zeer hoge mate van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/125237-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 september 2020,

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.J.J.S. Visser, van hetgeen verdachte en haar raadsvrouw mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht, en van hetgeen mevrouw [slachtoffer] , slachtoffer, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd en is met wijziging als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, samengevat, op neer dat verdachte:

primair
op 16 maart 2019 te Utrecht met haar auto met een hoge snelheid door rood is gereden waardoor een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een fietser ( [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.


subsidiair
op 16 maart 2019 te Utrecht met haar auto met een hoge snelheid door rood is gereden en een fietser ( [slachtoffer] ) heeft aangereden, waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen op basis van de bekennende verklaring van verdachte en de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Uit de Verkeersongevalsanalyse (hierna: VOA) blijkt dat verdachte door rood reed met een snelheid tussen de 47 en 58 kilometer per uur (hierna: km/u), waar maximaal 30 km/u gereden mocht worden. Uit onderzoek blijkt verder dat het verkeerslicht al 21 seconden op rood stond. Verdachte is zeer onoplettend en onvoorzichtig geweest wat een zeer hoge mate van schuld met zich meebrengt. Uit de medische stukken in het dossier blijkt dat het ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft het primair ten laste gelegde bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 augustus 2020;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van
    28 maart 2019, inhoudende het verhoor van getuige [getuige 3] , genummerd PL0900-2019077762-7, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 17 en 18;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse van
    16 mei 2019, genummerd 2019077762-VOA, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 29 tot en met 68;

  • -

    een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van de arts [A] , d.d. 6 december 2019.

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met een snelheid tussen de 47 en 58 km/u door rood licht is gereden op een kruispunt waar de maximumsnelheid 30 km/u bedroeg. Daarbij heeft zij het slachtoffer [slachtoffer] , die op dat moment overstak op haar fiets, aangereden. Naar het oordeel van de rechtbank is het gedrag van verdachte aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend en heeft het ongeluk door haar schuld plaatsgevonden. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft als gevolg van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit een subduraal hematoom (bloeding tussen de hersenvliezen), een hersenkneuzing, meerdere ribfracturen en meerdere breuken van het bekken. Door het opgelopen letsel heeft [slachtoffer] in het ziekenhuis op de intensive care gelegen en heeft zij daarna langdurig moeten revalideren.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair

op 16 maart 2019 te Utrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorvoertuig, te weten een personenauto (Peugeot 307 gekentekend [kenteken] ), daarmee rijdende over de weg, te weten het [naam verkeersplein] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,

- met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan de ter plaatse voor dat motorvoertuig toegestane maximumsnelheid van 30 km/u en

- op het [naam verkeersplein] (ter hoogte van de oversteekplaats voor fietsers en voetgangers) geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is zij niet gestopt voor een voor haar rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat (reeds 21 seconden) rood licht uitstraalde, maar is zij met onverminderde snelheid doorgereden en

- vervolgens een fietser, te weten [slachtoffer] , aan te rijden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de voorruit van voornoemde personenauto kwam en is weggeslingerd en op de weg is gevallen, waardoor die [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een bloeding tussen de hersenvliezen en een hersenkneuzing en meerdere ribfracturen en meerdere breuken van het bekken, werd toegebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN DE STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is uitgegaan van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Daarbij acht hij de schuldgradatie “zeer hoge mate van schuld” bewijsbaar. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht de officier van justitie een gevangenisstraf echter niet op zijn plaats. In plaats daarvan vordert de officier van justitie voor het primair ten laste gelegde feit aan verdachte op te leggen:

  • -

    een taakstraf voor de duur van 240 uur, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis en

  • -

    een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat geen sprake is van een zeer hoge mate van schuld, maar van aanmerkelijke schuld of op zijn hoogst ernstige schuld. Hiertoe heeft de verdediging een drietal uitspraken aangehaald, te weten een vonnis van Rechtbank Oost-Brabant van 13 augustus 20201, van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juni 20202 en van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 mei 20203. In deze drie vonnissen betrof het telkens een verkeersongeval waarbij het slachtoffer is overleden en was er sprake van meer dan één verkeersovertreding. In de zaak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juni 2020 reed verdachte door rood, was hij aan het bellen en had hij de auto na het ongeval niet tot stilstand gebracht. Zelfs met die omstandigheden is de rechtbank niet tot een zeer hoge mate van schuld gekomen.

In onderhavige situatie heeft verdachte de maximumsnelheid overschreden en is zij door rood gereden. Het betreffende kruispunt is onoverzichtelijk, toen en nu nog steeds. Gelet op de aangehaalde jurisprudentie en kijkend naar de omstandigheden in deze zaak, zal bij het bepalen van de strafmaat uitgegaan moeten worden van de schuldgradatie “aanmerkelijke schuld”. Bij de strafmaat dient verder meegenomen te worden dat verdachte direct na het ongeval is gestopt en naar het slachtoffer toe is gegaan. Daarnaast dient het blanco strafblad en de jonge leeftijd van verdachte meegenomen te worden en het feit dat verdachte twee mediationgesprekken heeft gehad met het slachtoffer. De verdediging acht een taakstraf tussen de 120 en 160 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid in voorwaardelijke vorm passend.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

Verdachte heeft door haar schuld een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Zij reed tussen de 47 en 58 km/u op een plek waar de maximumsnelheid 30 km/u bedroeg. Met die te hoge snelheid is zij vervolgens door rood licht gereden, waarbij is gebleken dat het stoplicht op dat moment al 21 seconden rood licht uitstraalde. Het kruispunt was bovendien onoverzichtelijk, zodat extra waakzaamheid was geboden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij bij het opdraaien van de weg nog oranje licht zag en vervolgens extra gas heeft gegeven omdat zij haast had en het oranje licht nog wilde halen. Daarna heeft zij niet meer naar het stoplicht gekeken. Tegen de tijd dat zij het verkeerslicht bereikte, stond dat echter al 21 seconden op rood; in het verkeer is dat een zeer lange tijd. Het is voor de rechtbank nog altijd onduidelijk hoe het komt dat verdachte gedurende zo lang kennelijk niet op het verkeerslicht heeft gelet. Verdachte heeft hierover verklaard dat zij er niet bij was met haar hoofd en in gedachten was verzonken. Die verklaring is voor het slachtoffer vanzelfsprekend onbevredigend. Het slachtoffer fietste voorbij een verkeerslicht dat voor haar al geruime tijd op groen stond en werd vervolgens hard aangereden. Zij is daarna overgebracht naar het ziekenhuis en heeft een aantal dagen op de intensive care gelegen. Het ongeval heeft een bloeding tussen de hersenvliezen, een hersenkneuzing, meerdere ribfracturen en meerdere breuken van het bekken veroorzaakt bij mevrouw [slachtoffer] . De gevolgen voor mevrouw [slachtoffer] zijn groot en blijvend. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring komt naar voren dat het ongeval haar leven volledig heeft veranderd en dat zij nog elke dag met de gevolgen daarvan moet leven. Mevrouw [slachtoffer] heeft nog altijd klachten waar zij dagelijks mee te maken heeft, zoals vermoeidheid en een slecht geheugen. Wel heeft zij -met extra ondersteuning- haar studie weer op kunnen pakken.

LOVS oriëntatiepunten

Op grond van het rijgedrag zoals dat hierboven is uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zeer hoge mate van schuld. Blijkens de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) komt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan in beeld, alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. In de hierna te bespreken omstandigheden ziet de rechtbank echter aanleiding om in het voordeel van verdachte af te wijken van deze oriëntatiepunten.

De persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 15 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder met justitie in aanraking is gekomen. Dit laatste weegt niet direct in het voordeel van verdachte mee, maar duidt er in ieder geval op dat verdachte niet eerder voor verkeersfouten is bestraft.

De rechtbank merkt op dat er geen reclasseringsrapport is opgemaakt ten aanzien van verdachte terwijl deze wel was aangevraagd. De reclassering heeft geprobeerd in contact te komen met verdachte, maar dat is niet gelukt. Verdachte heeft dat gewijd aan het feit dat zij in de periode na het ongeluk door een moeilijke tijd is gegaan. Nu de reclassering geen onderzoek heeft kunnen verrichten naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft zij de rechtbank geen advies kunnen geven en ook geen inschatting kunnen maken over het risico op recidive. Zoals hierboven overwogen, geeft het strafblad van verdachte in ieder geval geen aanleiding om voor recidive te vrezen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de (proces)houding van verdachte. Zij heeft direct na het ongeval haar auto tot stilstand gebracht, haar bijrijder gevraagd 112 te bellen en zelf geprobeerd hulp te bieden aan het slachtoffer. Verdachte heeft op zitting spijt betuigd en verklaard over de last van het leed dat zij heeft veroorzaakt. Verdachte zal, zoals zij ook ter zitting (geëmotioneerd) tot uitdrukking heeft gebracht, moeten leren leven met het feit dat zij een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarvan de gevolgen voor mevrouw [slachtoffer] (een leeftijdsgenoot van verdachte) blijvend zullen zijn.

Ten slotte hebben verdachte en het slachtoffer twee mediationgesprekken gevoerd. Alhoewel het slachtoffer met vragen is blijven zitten over hoe het kan dat verdachte zo lang niet op het verkeerslicht heeft gelet, heeft het slachtoffer ter zitting verklaard dat de spijtbetuiging van verdachte voor haar veel betekent.

De straf

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden is (indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis) met daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De ontzegging van de rijbevoegdheid wordt deels voorwaardelijk opgelegd, omdat de rechtbank, gelet op de houding van verdachte en het feit dat zij niet eerder voor verkeersfeiten is bestraft, geen direct recidivegevaar aanwezig acht. Tegelijkertijd acht de rechtbank het wenselijk dat er bij verdachte nog enige tijd sprake is van een stok achter de deur, omdat de reclassering geen advies heeft uitgebracht over het recidiverisico en het verkeersgedrag van verdachte dat heeft geleid tot het ongeval moeilijk te verklaren blijft.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;

- ontzegt verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Gerrits, voorzitter, mrs. C.S.K. Fung Fen Chung en C.S. Schoorl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2020.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 16 maart 2019 te Utrecht, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorvoertuig, te weten een personenauto (Peugeot 307 gekentekend [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, te weten het [naam verkeersplein] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- met een snelheid gelegen tussen (de ongeveer) 47 km/u en 58 km/u te rijden, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorvoertuig toegestane maximumsnelheid van 30 km/u, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of

- ( vervolgens) op het [naam verkeersplein] (ter hoogte van de oversteekplaats voor fietsers en

voetgangers) geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is zij niet gestopt voor een voor haar rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat (reeds 21 seconden) rood licht uitstraalde, maar is zij (met onverminderde snelheid) doorgereden, en/of

- ( vervolgens) een fietser, te weten [slachtoffer] , aan te rijden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op/tegen de voorruit van voornoemde personenauto (aan) kwam en/of is weggeslingerd/gelanceerd en/of op de weg is gevallen/terecht is gekomen, waardoor die [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een bloeding tussen de hersenvliezen en/of een hersenkneuzing en/of een of meerdere ribfractu(u)r(en) en/of een of meerdere breuk(en) van het bekken, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 16 maart 2019 te Utrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een motorvoertuig, te weten een personenauto (Peugeot 307 gekentekend [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, te weten het [naam verkeersplein] ,

- met een snelheid gelegen tussen (de ongeveer) 47 km/u en 58 km/u heeft gereden, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorvoertuig toegestane maximumsnelheid van 30 km/u, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of

- ( vervolgens) op het [naam verkeersplein] (ter hoogte van de oversteekplaats voor fietsers en voetgangers) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is zij niet gestopt voor een voor haar rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat (reeds 21 seconden) rood licht uitstraalde, maar is zij (met onverminderde snelheid) doorgereden, en/of

- ( vervolgens) een fietser, te weten [slachtoffer] , heeft aangereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op/tegen de voorruit van voornoemde personenauto (aan) kwam en/of is weggeslingerd/gelanceerd en/of op de weg is gevallen/terecht is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

1 ECLI:NL:RBOBR:2020:4011

2 ECLI:NL:RBZWB:2020:2470

3 ECLI:NL:RBZWB:2020:2308