Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3740

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
8701586 MV EXPL 20-104
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Tijdens de mondelinge behandeling wordt door gedaagde een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van eiser omdat eiser de verkeerde partij gedagvaard heeft.

Door in de preprocessuele fase eiser er niet op te wijzen dat de verkeerde partij gedagvaard is, handelt gedaagde in strijd met de goede procesorde. Volgt niet-ontvankelijkheid van eiser en een (op nihil begrote) proceskostenveroordeling te laste van gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 8701586 MV EXPL 20-104

Verbeterd kort geding vonnis van 1 september 2020

inzake

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

2 [eiser sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

gezamenlijk verder ook te noemen [achternaam 1] c.s.,

eisende partij,

gemachtigde: mr. D.B. den Hartog,

tegen:

[gedaagde] , t.h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [achternaam 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.P.C. Bilderbeek.

1 De procedure

1.1.

Bij dagvaarding, met producties, van 18 augustus 2020 is [achternaam 2] opgeroepen voor de terechtzitting van 26 augustus 2020. [achternaam 1] c.s. en [achternaam 2] hebben beiden op 24 augustus 2020 producties toegezonden.

1.2.

[eiseres sub 1] is ter zitting verschenen met haar gemachtigde. [achternaam 2] is verschenen met haar gemachtigde en haar echtgenoot. Partijen hebben, [achternaam 2] voor zover nodig, hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Verbetering

1.4

Direct na het uitspreken van het vonnis is het de voorzieningenrechter ambtshalve gebleken dat in het vonnis kennelijke fouten staat. Die fouten betreffen de familieband tussen de heer [achternaam 2] die ter zitting aanwezig was en [achternaam 2] , en de vermelding van de naam [achternaam 3] in plaats van [achternaam 2] . De voorzieningenrechter heeft partijen geïnformeerd over zijn voornemen tot verbetering. De gemachtigden hebben zich daarover mondeling instemmend uitgelaten voorafgaand aan de zitting op 2 september 2020 in de zaak met rolnummer 8726467 / MV EXPL 20-112 ( [achternaam 1] c.s. tegen [vader van gedaagde] ). Daar waar in het vonnis overwogen is dat [vader van gedaagde] ter zitting aanwezig was, zal dat worden geschrapt. Voorts zal de naam [achternaam 3] worden verwijderd en worden vervangen door [achternaam 2] .

2 De feiten

2.1.

[achternaam 1] c.s. huurt van [vader van gedaagde] (verder ook te noemen [vader van gedaagde] ) een ligplaats in de [naam jachthaven] en twee parkeerplaatsen te [plaatsnaam] .

2.2.

[achternaam 1] c.s. is op basis van de huurovereenkomst maandelijks een voorschot voor de nutsvoorzieningen, zijnde gas, water, elektra en kabel, aan [vader van gedaagde] verschuldigd.

2.3.

[achternaam 2] is gevolmachtigd om namens [vader van gedaagde] , haar vader, op te treden. Dat blijkt uit de schriftelijke communicatie die in het kader van de huurovereenkomst door [achternaam 2] met [achternaam 1] c.s. wordt gevoerd. [achternaam 2] ondertekent haar brieven aan [achternaam 1] c.s met “Gemachtigde namens [vader van gedaagde] ”.

2.4.

Tussen [achternaam 1] c.s. en [vader van gedaagde] bestaat verschil van mening over de afrekening van de elektriciteitskosten. [achternaam 1] c.s. heeft een deel van de door [vader van gedaagde] gefactureerde kosten onbetaald gelaten.

2.5.

[vader van gedaagde] heeft [achternaam 1] c.s. de toegang tot de parkeerplaatsen ontzegd.

2.6.

Bij brief van 25 juni 2020 aan “ [naam jachthaven] ” heeft C. Bakker (van DAS, de rechtsbijstandsverzekeraar van [achternaam 1] c.s.) voor [achternaam 1] c.s. [achternaam 2] gesommeerd aan [achternaam 1] c.s. de toegang tot de parkeerplaatsen te verschaffen.

2.7.

Bij brief van 1 juli 2020 schrijft mr. Bilderbeek aan C. Bakker dat hij de brief van [achternaam 2] ontving met het verzoek daarop te reageren en dat hij optreedt voor de verhuurder.

3 Het geschil

3.1.

[achternaam 1] c.s. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:

I. [achternaam 2] te veroordelen om binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis [achternaam 1] c.s. toegang te verschaffen tot het parkeerterrein;

II. te bepalen dat [achternaam 2] een dwangsom verbeurt van € 25,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van € 25.000,00;

III. [achternaam 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede [achternaam 2] te veroordelen in de nakosten ad €131,00 zonder betekening, dan wel €199,00 in geval van betekening van het vonnis door de deurwaarder, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en — voor het geval voldoening van de proceskosten en nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt — te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening, indien tot daadwerkelijke executie van het vonnis overgegaan dient te worden. Voor zover in deze procedure [achternaam 2] niet in de nakosten veroordeeld kan worden, vordert [achternaam 1] c.s. op grond van art. 237, lid 4 Rv afgifte van een bevelschrift waarin [achternaam 2] wordt veroordeeld tot betaling van de nakosten.

3.2.

[achternaam 2] voert voor haar inhoudelijke verweer tegen de vorderingen aan dat [achternaam 1] c.s. de verkeerde partij heeft gedagvaard. Niet zij, maar [vader van gedaagde] is de verhuurder. Daarover kan bij [achternaam 1] c.s., die wordt bijgestaan door een advocaat, geen onduidelijkheid bestaan. Volgens [achternaam 2] “moet” het er “dus voor gehouden worden dat er bewust voor is gekozen om de verkeerde partij te dagvaarden. De enige conclusie die daaruit getrokken kan worden is dat deze procedure is gestart - op kosten van de rechtsbijstandsverzekering - om mevrouw [gedaagde] op kosten te jagen”. Nu er geen gegronde reden was voor het voeren van deze procedure is sprake van misbruik van recht. [achternaam 1] c.s. dient dan ook in de volledige proceskosten van [achternaam 2] veroordeeld te worden en die dienen begroot te worden op € 3.750. Aldus [achternaam 2] .

3.3.

[achternaam 1] c.s. stelt, in reactie op het niet-ontvankelijkheidsverweer, dat [achternaam 2] als gemachtigde van [vader van gedaagde] de huurovereenkomst na moet komen en feitelijk de toegang tot de parkeerplaatsen dient te verschaffen. [achternaam 1] c.s. stelt dat het beroep op niet ontvankelijkheid van [achternaam 2] in strijd is met de goede procesorde omdat [achternaam 2] in de voorfase van de kort gedingprocedure en na dagvaarding er geen melding van heeft gemaakt zich op het standpunt te (zullen) stellen dat de verkeerde partij gedagvaard is. Haar gemachtigde wijst er op dat door de brief van 1 juli 2020 (zie nr 2.7) bij haar de indruk is gewekt dat [achternaam 2] de verhuurder is.

3.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid aan de orde gekomen om af te spreken dat geacht wordt dat behalve [achternaam 2] ook [vader van gedaagde] gedagvaard is. De voorzieningenrechter heeft er op gewezen dat gelet op de door partijen toegezonden stukken en de omvang van de pleitaantekeningen van mr. Bilderbeek, de zaak volledig behandeld kan worden, dat iedereen zich daar ook op heeft voorbereid en dat het handhaven van het beroep op niet-ontvankelijkheid slechts zal leiden tot extra kosten omdat een nieuwe mondelinge behandeling moet worden bepaald, waarop de zaak op dezelfde wijze inhoudelijk behandeld zal worden.

3.5.

[achternaam 2] heeft hieraan geen medewerking verleend. Daarop heeft de voorzieningenrechter de mondelinge behandeling gesloten en ter zitting een datum voor de mondelinge behandeling bepaald op 2 september 2020. [achternaam 2] gaf aan dat [vader van gedaagde] dan vrijwillig zal verschijnen.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat de huurovereenkomst is gesloten met [vader van gedaagde] als verhuurder. Dat [achternaam 2] bij de uitvoering van de overeenkomst optreedt namens [vader van gedaagde] maakt dit niet anders. Omdat de vorderingen betrekking hebben op de nakoming van een verplichting van de verhuurder, te weten de verplichting om de gehuurde zaak ter beschikking van de huurder te stellen, dienden die tegen [vader van gedaagde] te worden ingesteld. Dit betekent dat met [achternaam 2] de verkeerde partij gedagvaard is en mitsdien [achternaam 1] c.s. niet ontvankelijk is in zijn vorderingen.

4.2.

Het voorgaande betekent dat het primaire verweer van [achternaam 2] doel treft en dat de kantonrechter [achternaam 1] c.s. niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering. De overige stellingen van [achternaam 1] c.s. en verweren van [achternaam 2] behoeven daarom geen bespreking meer.

4.3.

[achternaam 2] vordert om [achternaam 1] c.s. in de volledige proceskosten te veroordelen. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt als uitgangspunt voorop dat tussen procesdeelnemers, waaronder de rechter begrepen, een rechtsverhouding bestaat. Die rechtsverhouding kenmerkt zich door een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de goede procesorde. De waarden die besloten liggen in de goede procesorde zijn onder meer een voortvarend, eerlijk en efficiënt verloop van de procedure. Procespartijen dienen zich in hun pre-processuele en procedurele handelen niet alleen te richten op het veiligstellen en optimaliseren van hun eigen belang, maar dienen daarbij ook rekening te houden met, althans oog te hebben voor, de gerechtvaardigde processuele belangen van de wederpartij en de rechter.

4.5.

Door de verkeerde partij te dagvaarden heeft [achternaam 1] c.s. een fout gemaakt. Die fout betekent niet dat de vordering evident kansloos was omdat door de wijze waarop [vader van gedaagde] en [achternaam 2] feitelijk uitvoering geven aan de huurovereenkomst, het tot op zekere hoogte begrijpelijk is dat bij [achternaam 1] c.s. de indruk is gewekt dat [achternaam 2] als verhuurder optrad en in die hoedanigheid moet worden begrepen. Dit betekent dat [achternaam 1] c.s. door [achternaam 2] te dagvaarden geen misbruik van procesrecht heeft gemaakt en evenmin onrechtmatig heeft gehandeld. Het verzoek van [achternaam 2] , [achternaam 1] c.s. te veroordelen in de werkelijke proceskosten wordt (reeds) om die reden afgewezen.

4.6.

Hoewel het [achternaam 2] vrijstond een beroep op de niet-ontvankelijkheid van

[achternaam 1] c.s. te doen, acht de voorzieningenrechter haar handelen in de preprocessuele fase in strijd met haar verantwoordelijkheid voor het goede verloop van de procedure. Van [achternaam 2] had verwacht mogen worden dat zij na de betekening van de dagvaarding en voorafgaand aan de mondelinge behandeling [achternaam 1] c.s. er op wees dat de verkeerde partij gedagvaard is. Door dit verweer eerst tijdens de mondelinge behandeling te voeren, is het voortvarend verlopen van de procedure belemmerd zonder dat daar enig redelijk processueel belang van [achternaam 2] mee gediend is. De inhoudelijke behandeling van het werkelijke geschil heeft daardoor tijdens de mondelinge behandeling niet plaats kunnen vinden. Het handelen van [achternaam 2] leidt tot een inefficiënte besteding van de voorbereidingstijd van de voorzieningenrechter en een onnodige bezetting van de zittingscapaciteit. Dat laatste rekent de voorzieningenrechter [achternaam 2] te meer aan omdat zij bekend verondersteld mag worden met de huidige beperkte zittingscapaciteit vanwege Covid-19.

4.7.

Omdat de (onnodige) proceskosten hoofdzakelijk het gevolg zijn van het met de goede procesorde strijdige handelen van [achternaam 2] , zal [achternaam 2] veroordeeld worden in de kosten van [achternaam 1] c.s. Die kosten worden mede vanwege de rechtsbijstandsverzekering van [achternaam 1] c.s. begroot op nihil.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart [achternaam 1] c.s. niet-ontvankelijk in haar vordering;

5.2.

veroordeelt [achternaam 2] tot betaling van de proceskosten gevallen aan de zijde van [achternaam 1] c.s. tot op heden begroot op nihil;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020 en verbeterd op 2 september 2020.