Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3739

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
16/127180-19 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, steken met mes in buik (darmperforatie) en poging tot zware mishandeling, steken met mes in bovenarm. Ontslag van alle rechtsvervolging, volledig ontoerekeningsvatbaar. Overweging afgeven zorgmachtiging afzonderlijke beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/127180-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] (Eritrea),

thans gedetineerd te [verblijfplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 september 2019, 11 november 2019, 9 december 2019, 27 maart 2020, 16 juni 2019 en (de inhoudelijke behandeling van) 21 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem. Tevens zijn aanwezig de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die gebruik hebben gemaakt van hun spreekrecht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair:

op 23 mei 2019 te Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden door haar een of meerdere malen met een mes in de buik te steken;

Feit 1 subsidiair:

op 23 mei 2019 te Utrecht [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een darmperforatie, heeft toegebracht door haar een of meerder malen met een mes in de buik te steken;

Feit 2 primair:

op 23 mei 2019 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar een of meerdere malen met een mes in de arm te steken en/of met een mes richting die [slachtoffer 2] heeft gezwaaid;

Feit 2 subsidiair:

op 23 mei 2019 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door een mes richting die [slachtoffer 2] te houden en met een mes die [slachtoffer 2] in haar arm te steken.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich op de bewijsmiddelen zoals deze zich in het dossier bevinden. De officier van justitie heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 1] in haar buik heeft gestoken en in de richting van [slachtoffer 2] heeft gestoken en haar daarbij heeft geraakt op haar arm. Geadviseerd wordt om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. De officier van justitie meent op basis van de verklaringen van verdachte bij de politie en ook ter terechtzitting, dat verdachte enige herinnering heeft aan wat zich bij de [locatie 1] op 23 mei 2019 heeft afgespeeld. Hieruit kan volgens de officier van justitie afgeleid worden dat verdachte enige mate van bewustzijn heeft gehad bij het handelen, waardoor zijn toerekeningsvatbaarheid niet in de weg staan aan het bewijs van opzet. Het kan niet anders dan dat verdachte door het steken met een mes in de buik van die [slachtoffer 1] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden. Ook door een stekende beweging te maken in de richting van die [slachtoffer 2] en haar daarbij te raken op haar arm heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde ieder inzicht ontbrak en geen mate van bewustzijn bij hem kan worden vastgesteld, waardoor niet kan worden bewezen dat hij opzettelijk heeft gehandeld. Wat betreft het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw bepleit dat op basis van het thans voorliggende dossier onvoldoende kan worden vastgesteld wat de exacte toedracht is geweest en dat het letsel acuut levensgevaar heeft opgeleverd, waardoor verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Wat betreft het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het enkel rondzwaaien met een mes onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot zwaar lichamelijk letsel.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

[slachtoffer 1] heeft bij de politie aangifte gedaan en daarbij onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Op 23 mei 2019 bevond ik mij op mijn werk. Ik werk voor mijn stage bij de nachtopvang gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] . Ik hoorde dat er een ruzie gaande was in de achtertuin. […] Ik zag dat drie bewoners ruzie hadden. […] Ik zag dat [verdachte] op een stoel in de achtertuin zat. Hij had niets met de ruzie te maken. Ik zag dat hij ineens opstond en ik zag dat hij een mes in zijn handen had. Ik zag dat het een groot mes betrof van ongeveer twintig centimeter. Ik zag dat iedereen weg liep van [voornaam van verdachte] . Ik ben ook weggelopen. […] Ik ben toen naar buiten gerend. Ik zag dat [voornaam van verdachte] achter mij aanrende. Ik zag dat [voornaam van verdachte] het mes in zijn hand had en op mij gericht had. [voornaam van verdachte] zei verder niets. Ik was echt heel bang.2 […] Ik ben via de andere voordeur weer naar binnen gerend, deze stond open. Ik ben via de balie door het raam geklommen en zo het kantoor binnen gegaan. In het kantoor voelde ik dat ik pijn in mijn buik had. Ik keek naar mijn buik en ik zag dat mijn bovenkleding onder het bloed zat. Ik trok mijn shirt omhoog. Ik zag dat ik een steekwond had. Ik voelde toen pas de pijn. […] Ik ben opgenomen in het [naam ziekenhuis] . Ik ben direct geopereerd. Tijdens de operatie bleek dat ik een gaatje in mijn dunne darm had. Het is een zware operatie geweest.3

[slachtoffer 1] heeft als aangever een nadere verklaring afgelegd en heeft daarbij onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik weet niet meer of ik toen binnen stond of net in de tuin, maar ik ben een of twee keer heen en weer gelopen om te zien hoe het geheel verliep in de achtertuin. Tijdens een van die keren zag ik dat [voornaam van verdachte] , die opeens bij mij stond, een snelle beweging met zijn hand maakte, waarbij hij mij ook raakte. Ik weet niet meer met welke hand [voornaam van verdachte] mij raakte. Ik voelde op dat moment niets bijzonders. Nu, achteraf besef ik mij dat hij mij toen gestoken had met een mes.4

Uit de geneeskundige verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat zij een steekverwonding heeft opgelopen in haar rechter bovenbuik, waarbij sprake was van inwendig bloed in de buik en letsel aan de twaalfvingerige darm (perforatie), die middels een (open) buikoperatie is behandeld in de spoedsetting.5

[slachtoffer 2] is als getuige gehoord door de politie en heeft daarbij onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik ben werkzaam bij de [locatie 2] . De achtertuin van de [locatie 2] en de achtertuin van [locatie 1] grenzen aan elkaar. […] Ik was die avond van 23 mei 2019 aan het werk. […] Ik zag dat [voornaam van getuige] met een man stond te praten. Ik hoorde dat [voornaam van getuige] zei: “Je gaat niet met dat mes naar binnen”. Ik wist niet wat [voornaam van getuige] bedoelde met deze opmerking, maar ik vond dat [voornaam van getuige] heel rustig met hem sprak. Ik voelde helemaal geen dreiging tussen die man en [voornaam van getuige] . Ik besloot om hun te passeren. Ineens voelde en zag ik dat de man, met wie [voornaam van getuige] aan het praten was, een stekende beweging naar mij maakte. Ik zag dat hij hierbij het mes in zijn hand had en in mijn richting stak. Ik zag en voelde dat hij mij raakte op mijn rechter bovenarm. […] Ik heb geen letsel. Hij heeft me alleen op mijn jas gestoken/gesneden. […] Ik heb een lichte kras overgehouden op mijn jas.6

[slachtoffer 2] heeft als aangever een nadere verklaring afgelegd en heeft daarbij onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik draaide mij om en zag dat ik heel dicht bij de jongen stond. Ik zag dat de jongen uithaalde op het moment dat ik hem wilde passeren. […] Ik zag dat de jongen met zijn rechter arm een zwaaiende beweging naar mij toe maakte. Ik zag de punt van het mes richting mijn rechterbovenarm gaan. […] Ik voelde dat hij mij raakte.7

[getuige] is als getuige gehoord door de politie en heeft daarbij onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

V: Zag jij op dat moment bij [X (voornaam)] een mes?
A: nee.8

[…]

A: Vanaf het moment dat [X (voornaam)] langs mij liep de gang uit, de achtertuin in, en ik [X (voornaam)] volgde, heb ik [X (voornaam)] continu in het zicht gehad. Eigenlijk tot het moment dat ik [voornaam van verdachte] bij de voordeur zag, met het mes in zijn handen. [X (voornaam)] liep steeds met mij mee.

V: Heb jij [voornaam van slachtoffer 1] in de buurt van [X (voornaam)] gezien?
A: Nee, heel stellig nee. In die zin van [X (voornaam)] is langs haar gelopen, maar ik weet zeker dat [X (voornaam)] [voornaam van slachtoffer 1] nooit heeft gezien op dat moment, omdat [X (voornaam)] alleen maar oog heeft voor [Y (voornaam)] .9

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in hun proces-verbaal forensisch onderzoek steekincident onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Overzicht veiliggesteld spoor en sporendragers:

Goednummer: PL0900-2019150967-2420702

SIN: AAMM8507NL

Object: mes

Land: Nederland.10

Uit het deskundigenrapportage – forensisch DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute van 19 augustus 2019 blijkt onder meer het volgende:

Bemonstering

DNA-profiel

Mogelijk donor van celmateriaal

Mes heft

AAMM8507NL#01

DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.

Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. de frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.

Het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel verdachte [verdachte] .

Mes bloed lemmet

AAMM8507NL#02

DNA-profiel van een vrouw. De frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer 1] .11

De verdachte is door de politie gehoord en heeft daarbij onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

V: Heb jij tijdens de vechtpartij iets met het mes gedaan om iemand te steken?
A: Ik weet niet meer precies wat ik gedaan heb met het mes. Volgens mij heb ik één persoon gemist, terwijl ik haar probeerde te steken. Dat was een oudere mevrouw.12

[…]

V: Hoe gaat het dat je vastgepakt wordt en je probeert te steken?
A: Ze hadden mij nog niet vastgepakt, maar ze deden wel een poging om mij vast te pakken. Toen zij voorbij kwam, stak ik haar.13

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Overwegingen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en op het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] .

Ontoerekeningsvatbaarheid

De rechtbank stelt voorop dat een stoornis alleen dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg kan staan als bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn (vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775).

In dit verband acht de rechtbank het volgende van belang. Verdachte heeft na het steekincident onder meer het volgende verklaard: “Op het moment dat er gevochten werd had ik het mes in mijn handen” en “volgens mij heb ik 1 persoon gemist, terwijl ik haar probeerde te steken”. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte op 23 mei 2019 in elk geval in enige mate bewust was van zijn handelen en dat bij verdachte niet ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

(Voorwaardelijk) opzet

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Ten aanzien van [slachtoffer 1]:

In de onderhavige zaak is sprake geweest van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen van verdachte. Verdachte heeft [slachtoffer 1] met een mes van circa 20 centimeter in haar buik gestoken. Hierbij is de twaalfvingerige darm geraakt, waardoor [slachtoffer 1] een darmperforatie heeft opgelopen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op een korte afstand in een (snelle) beweging het slachtoffer heeft gestoken en dat dit met zodanige kracht is gegaan dat mes door de kleding heen en met voldoende diepte het lichaam van het slachtoffer in is gegaan om haar twaalfvingerige darm te raken. Hieruit volgt dat met meer dan geringe kracht is gestoken. Algemene ervaringsregels leren dat wanneer met kracht met een mes in de buik wordt gestoken – gelet op de zich in de buik bevindende vitale delen – dodelijk letsel kan worden toegebracht. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, is de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ontstaan. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door verdachte verrichte geweldshandeling en de wijze waarop deze is verricht naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het gevolg – de dood van het slachtoffer – dat niet anders kan dan dat verdachte die kans heeft aanvaard.

Ten aanzien van [slachtoffer 2]:

Wat betreft [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen als gevolg van het handelen van verdachte. Verdachte heeft een stekende / zwaaiende beweging gemaakt met een mes in zijn handen richting de bovenarm van [slachtoffer 2] , waarbij hij haar met het mes heeft geraakt op haar rechterbovenarm tegen haar jas. Verdachte heeft verklaard dat hij probeerde om een oudere vrouw te steken. Het handelen van verdachte is, naar de uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld, gericht geweest op en geschikt tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verdachte met een met van circa 20 centimeter heeft gestoken en dat zich op de plaats waar het slachtoffer is geraakt, te weten haar bovenarm, pezen, zenuwen en bloedvaten bevinden. Verder is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte verrichte geweldshandeling naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het gevolg – zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer – dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd zowel [slachtoffer 1] van het leven te beroven als [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1 primair:

op 23 mei 2019 te [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een mes in de buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 primair:

op 23 mei 2019 te [plaatsnaam] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] met een mes richting die [slachtoffer 2] heeft gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair:

poging tot doodslag;

Feit 2 primair:

poging tot zware mishandeling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Over verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:

  • -

    een rapport van 28 februari 2020, opgemaakt door D.J. Vinkers, psychiater;

  • -

    een rapport van 29 februari 2020, opgemaakt door S. Labrijn, GZ-psycholoog.

Het rapport van psychiater D.J. Vinkers houdt onder meer het volgende in. Bij verdachte is sprake van schizofrenie van het paranoïde type. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van ten laste gelegde en beïnvloedde tevens verdachte zijn gedragskeuzes en gedragingen. Nu verdachte ten tijde van het ten laste gelegde (floride) psychotisch was, wordt geadviseerd het ten laste gelegde verdachte niet toe te rekenen. Hij hoorde ten stemmen met een negatieve inhoud, waardoor hij boos en achterdochtig was. Verdachte voelde zich bedreigd door deze paranoïde wanen en hallucinaties en hij kon zich geen redelijk oordeel meer vormen over de wereld om hem heen. Door verdachte zijn kwetsbaarheid voor psychosen, wordt het recidiverisico matig verhoogd ingeschat. Verdachte is tot nu toe nog niet behandeld voor zijn psychotische klachten, maar wanneer hij adequaat zou worden behandeld en hij geen last meer zou hebben van akoestische hallucinaties, paranoïde wanen en de daaruit voortvloeiende boosheid en agressie, zou het risico op recidive waarschijnlijk laag zijn. Geadviseerd wordt dan ook om verdachte op te laten nemen in een (forensisch) psychiatrisch ziekenhuis met een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte GGZ.

Het rapport van GZ-psycholoog S. Labrijn houdt onder meer het volgende in. Bij verdachte is sprake van een langdurige psychotische stoornis in het beloop van schizofrenie. Deze stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Door de deskundige wordt geadviseerd het ten laste gelegde niet toe te rekenen. Duidelijk is geworden dat verdachte al langere tijd en ook die dag, kampte met een floride psychose. Dit leidde tot uit de stoornis voortvloeiende paranoïde, prikkelbaarheid, boosheid, spanning, een verminderde stresstolerantie en een gemankeerde impulsbeheersing. Het recidivegevaar wordt ingeschat als matig-hoog indien verdachte niet wordt behandeld aan zijn paranoïde belevingen, paranoïde prikkelbaarheid en wanen die kunnen leiden tot vijandigheid. Geadviseerd wordt om verdachte te plaatsen in een forensisch psychiatrisch ziekenhuis, in het kader van een zorgmachtiging van de Wet verplichte GGZ. Het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging is naar de mening van de deskundige een te zwaar kader, nu de verwachting is dat de psychose met behulp van antipsychotische medicatie in relatief korte tijd kan verbleken. Een kader van tbs met voorwaarden wordt niet haalbaar geacht, omdat verdachte vanuit de verstoorde realiteitstoetsing, te kort schietend ziektebesef en ziekte-inzicht weigert medicatie te accepteren en in te stemmen met een dergelijke voorwaarden.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging, gelet op voornoemde rapportages.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft eveneens verzocht om ontslag van alle rechtsvervolging.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is op basis van de conclusies van de deskundigen van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend. Dit betekent dat aan verdachte geen straf kan worden opgelegd. De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

Uit de rapporten van de deskundigen blijkt dat verdachte intensieve psychiatrische zorg nodig heeft. De officier van justitie heeft daarom in een aparte procedure een verzoekschrift ingediend tot het verlenen van een zorgmachtiging. Dit verzoekschrift is tegelijk met de deze strafzaak behandeld. De rechtbank maakt gebruik van de in artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder 4 van de Wfz gegeven bevoegdheid om een zorgmachtiging af te geven. De toewijzende beslissing op dit verzoek wordt tegelijk met deze uitspraak bij afzonderlijke beschikking (rekestnummer C/16/507617 FA RK 20/4784) van heden afgegeven.

De voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop de zorgmachtiging ten uitvoer wordt gelegd.

8 BESLAG

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het onder verdachte in beslag genomen mes te onttrekken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het onder verdachte in beslag genomen mes onttrekken aan het verkeer.

Met betrekking tot dit voorwerp is het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten begaan. Het ongecontroleerde bezit van dit mes is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het algemeen belang, nu dit in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, dat bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte gepleegde, onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten is aangetroffen, aan verdachte toebehoort en kan dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Voorlopige hechtenis

- heft op de voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop bovengenoemde zorgmachtiging ten uitvoer wordt gelegd;

Beslag

- verklaart het voorwerp onttrokken aan het verkeer:

 een mes (G2420702).

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mrs. J.W.B. Snijders Blok en P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dam, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 september 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 23 mei 2019 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] een of meerdere malen met een mes in de buik althans het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2019 te Utrecht aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een darmperforatie, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] een of meerdere malen met een mes in de buik althans het lichaam te steken;

Feit 2:

hij op of omstreeks 23 mei 2019 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] een of meerdere malen met een mes in de arm althans het lichaam heeft gestoken en/of met een mes richting die [slachtoffer 2] heeft gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2019 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (dreigend) een mes richting die [slachtoffer 2] te houden en/of te zwaaien en/of met een mes die [slachtoffer 2] in haar arm althans het lichaam te steken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 8 oktober 2019, genummerd PL0900-2019150967, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 201. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 31.

3 Pagina 32.

4 Pagina 34.

5 Pagina 41.

6 Pagina 50.

7 Pagina 54.

8 Pagina 58.

9 Pagina 59.

10 Pagina 154.

11 Pagina 200.

12 Pagina 133.

13 Pagina 134.