Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3733

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5574
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering toestemming verrichten beveiligingswerkzaamheden - onvoldoende betrouwbaar - veroordeling voor openlijk geweld in vereniging tegen personen - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5574

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Tijsseling),

en

De korpschef van politie, namens deze, De politiechef van Noord-Nederland, verweerder

(gemachtigde: dhr. B. Benedickt).

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en zijn proceskosten niet vergoed krijgt. De rechtbank geeft hiervoor de volgende uitleg.

Overwegingen

1. Eisers werkgever, [werkgever] in [vestigingsplaats] , heeft op 19 mei 2019 een aanvraag ingediend voor toestemming van de korpschef om eiser (beveiligings)werkzaamheden te laten verrichten.1

2. In zijn besluit van 2 september 2019 heeft de korpschef die toestemming geweigerd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar dat bezwaar is bij besluit van 17 december 2019 ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 1 september 2020 via Skype op zitting behandeld.

3. De korpschef heeft de toestemming geweigerd omdat eiser op 2 november 2018 door de strafrechter is veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur, waarvan 20 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Eiser is betrokken geweest bij een vechtpartij en heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Hij is onvoldoende betrouwbaar om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. De korpschef heeft aangevoerd dat hij op grond van de geldende wet- en regelgeving verplicht was de toestemming te weigeren.2

4. Dát eiser is veroordeeld, staat vast. Verder is het op grond van de wet- en regelgeving inderdaad zo dat de korpschef in dit geval de toestemming in principe moest weigeren. Maar: de korpschef kan hierop een uitzondering maken door de zogenoemde hardheidsclausule toe te passen. Eiser vindt dat de korpschef dat had moeten doen.

5. Om zijn standpunt te onderbouwen heeft eiser de volgende argumenten aangevoerd:
(a) het strafbare feit heeft al een paar jaar geleden plaatsgevonden en daarvóór of daarna is eiser nooit (meer) in aanraking geweest met justitie;
(b) eiser werkt als zelfstandig hondengeleider en verricht opvallende, preventieve objectbeveiliging op – bijvoorbeeld – bouwterreinen, met andere woorden: geen werk in de horeca met intensieve klantcontacten;
(c) als eiser de toestemming niet krijgt, moet hij zijn bedrijf opdoeken;
(d) hij heeft een zeer lage straf gekregen van de strafrechter;
(e) er is geen kans op recidive;
(f) hij is ouder en wijzer geworden.

6. De rechtbank stelt twee punten voorop. Ten eerste: de korpschef mag een eigen afweging maken en is niet gebonden aan het oordeel en de overwegingen van de strafrechter. De hoogte van de straf die eiser heeft gekregen van de strafrechter, speelt dus geen, of in ieder geval geen doorslaggevende, rol. Er is geen sprake van een dubbele straf, ook al voelt dat misschien wel zo. En ten tweede: de korpschef moet alle feiten en omstandigheden meewegen. Het is dus niet zo dat eiser op alle onderdelen van de hardheidsclausule positief moet ‘scoren’: het gaat om het totaalplaatje.3

7. De rechtbank oordeelt dat de korpschef in redelijkheid heeft mogen beslissen om de hardheidsclausule niet toe te passen. De korpschef heeft er hierbij op mogen wijzen dat aan medewerkers binnen de beveiligingsbranche hogere eisen mogen worden gesteld dan aan medewerkers in andere branches en dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn. De korpschef heeft bij zijn beslissing kunnen betrekken dat de veroordeling van recente datum is en heeft op basis van de videobeelden tot de conclusie kunnen komen dat eiser niet alleen uit zelfverdediging heeft gehandeld en dat hij veel geweld heeft gebruikt bij de vechtpartij. De korpschef heeft hier zwaar gewicht aan mogen toekennen. Voor wat betreft de persoonlijke ontwikkeling van eiser en de kans op recidive heeft de korpschef mogen volstaan met de overweging dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zijn beroep op de hardheidsclausule onderbouwen. Dat eiser niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen is hiervoor onvoldoende. Daarnaast is de proeftijd van eiser nog niet voorbij.

8. De rechtbank oordeelt dat de korpschef in dit geval in redelijkheid zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van de samenleving en de korpschef bij handhaving van de eisen van betrouwbaarheid van beveiligingsbeambten dan aan het persoonlijke belang van eiser bij zijn werk en inkomen. Dat eiser door het weigeren van de toestemming geen beveiligingswerkzaamheden meer kan verrichten en daardoor in de financiële problemen is gekomen, is zwaar, maar is een voorzien en beoogd gevolg van de bevoegdheid van verweerder tot weigering van de toestemming. Dat is dus ingecalculeerd toen de geldende wetten en regels werden opgesteld.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 7 lid 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).

2 Artikel 7 lid 4 Wbpr in combinatie met paragraaf 3.3 onder a van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Bpbr 2019).

3 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2005.