Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3668

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
19/3051-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3051-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2020 op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant.

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingediend tegen het besluit van 19 augustus 2019 van de Autoriteit Persoonsgegevens.

In de uitspraak van 20 mei 2020 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk omdat opposant het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald.

Opposant heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.

Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om opposant op een zitting te horen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 20 mei 2020 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.

2. In deze verzetprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2020 in stand kan blijven. Zo ja, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo nee, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.

3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2020 niet juist omdat hij het te betalen griffierecht wil toevoegen aan zijn eis in een civiele procedure over rekeningen van Eneco, de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht en Mitros. Eiser verwijst daarvoor naar artikel 130, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4. De rechtbank ziet hierin geen geldige reden om het griffierecht niet te betalen. Dat opposant het bedrag aan griffierecht als eis wil toevoegen aan zijn lopende eis in de civiele procedure maakt niet dat opposant in de bestuursrechtelijke procedure niet verplicht is om (op tijd) het griffierecht te betalen (artikel 8:41, van de Algemene wet bestuursrecht). Dat opposant – na met de brief van 16 oktober 2019 op de hoogte te zijn gebracht van zijn verplichting het griffierecht (op tijd) te betalen – dit niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico.

5. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2020 in stand blijft.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van

P.W. Hogenbirk, griffier, op 10 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.