Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3593

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
19-02-2021
Zaaknummer
UTR - 20 _ 1073
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing VOG voor functie pedagogisch medewerker - veroordeling plofkraak - gaat bij objectieve criterium ook om soortgelijke feiten - na detentie nog onvoldoende tijd verstreken waarin hij heeft kunnen laten zien niet met justitie in aanraking te komen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1073

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A.J. Brahm),

en

De Minister voor Rechtsbescherming, de Algemeen Directeur Justis, verweerder

(gemachtigde: mr. C.M.A. van Kleef).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een verklaring omtrent gedrag (VOG) voor de functie van pedagogisch medewerker bij [bedrijf] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 28 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor de functie van pedagogisch medewerker bij [bedrijf] te [plaats] . Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat in de justitiële documentatie binnen de op eiser van toepassing zijnde terugkeertermijn van vier jaren1 een veroordeling van de rechtbank is aangetroffen. Eiser is binnen deze terugkijktermijn in Duitsland veroordeeld wegens – kort gezegd – het medeplegen van een plofkraak. Hiervoor is een gevangenisstraf opgelegd van vier jaren en tien maanden. De uitspraak is onherroepelijk. Eiser heeft naar aanleiding van deze veroordeling van 16 september 2016 tot en met 2 december 2019 gedetineerd gezeten. Op 2 december 2019 is hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Zijn proeftijd hiervoor loopt tot 11 juli 2021. Volgens verweerder vormt het gepleegde strafbare feit, indien herhaald, een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. Verder heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het belang van de samenleving bij weigering van de VOG zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG.

Datum veroordeling

2. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij vanaf 16 september 2016 gedetineerd heeft gezeten, en dat verweerder voor de beoordeling van zijn aanvraag daarom van deze datum uit dient te gaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit heeft mogen gaan van de datum van de veroordeling. Dat is volgens het justitieel documentatiesysteem 17 april 2017.2 Uit de door eiser overgelegde detentieverklaring volgt weliswaar dat hij sinds 16 september 2016 vast heeft gezeten, maar volgens de beleidsregels3 van verweerder wordt bij de beoordeling uitgegaan van de datum van de veroordeling.

Objectieve criterium

3. De rechtbank overweegt dat verweerder voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG beleidsregels heeft opgesteld.4 In deze beleidsregels is in paragraaf 3.2 bepaald dat geen VOG wordt verstrekt als voldaan is aan het objectieve criterium. Bij de toetsing aan het objectieve criterium wordt gekeken of de aangetroffen justitiële gegevens van de aanvrager, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of bezigheden waarvoor de VOG is aangevraagd.

4. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat aan het objectieve criterium is voldaan. De gepleegde plofkraak kan in de functie van pedagogisch medewerker niet worden herhaald, omdat de aard van het delict niet in relatie staat tot de beoogde werkzaamheden. Het argument van verweerder dat de vermogenscomponent van het delict zich niet verhoudt tot de werkzaamheden kan volgens eiser ook geen stand houden. Eiser gaat zich als pedagogisch medewerker immers bezighouden met het begeleiden en de bijstand van daklozen en verslaafden. Gesteld kan worden dat dit sociaal zwakkere groepen van de samenleving zijn die over het algemeen geen goederen van waarde bezitten. Deze goederen kunnen daarom ook niet door eiser worden ontvreemd.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het gepleegde strafbare feit, de plofkraak, bij herhaling een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de functie van pedagogisch medewerker. Verweerder heeft terecht gesteld dat het bij toepassing van het objectieve criterium gaat om de vraag of er sprake zou zijn van een risico wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit tijdens de uitoefening van de functie herhaald zou worden. In deze zaak gaat het dus niet specifiek om het risico bij herhaling van een plofkraak, maar om het risico bij herhaling van een vermogensdelict al dan niet vergezeld van gevaar voor personen of goederen. Verweerder heeft mogen stellen dat dit delict een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de functie van pedagogisch medewerker. Hierbij heeft verweerder belang mogen hechten aan het feit dat eiser in deze functie belast is met de zorg van het welzijn en veiligheid van personen, waarbij zich één op één relaties voordoen en sprake is van afhankelijkheid. Tijdens deze werkzaamheden kan eiser toegang hebben tot de persoonlijke eigendommen van derden, waardoor er een risico is voor vermogensdelicten. Dat eiser met name met mensen werkt die wellicht niet veel persoonlijke eigendommen hebben, betekent niet dat dit risico niet aanwezig is. Daarbij komt dat eiser tijdens zijn werkzaamheden ook toegang heeft tot eigendommen van zijn werkgever, waardoor er ook ten aanzien van deze goederen een risico is. Verweerder heeft daarnaast terecht gesteld dat het bij een plofkraak ook om een geweldsdelict gaat en dat dit ook moet meewegen in de beoordeling. Een plofkraak is niet alleen een vermogensmisdrijf maar ook een geweldsmisdrijf waarbij het geweld zich richt tegen goederen.

Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan.

Subjectieve criterium

6. De rechtbank overweegt dat verweerder, ondanks dat voldaan is aan het objectieve criterium, toch overgaat tot verstrekking van de VOG als het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico voor de samenleving.5 Verweerder heeft hierbij beoordelingsruimte en de rechtbank toetst het besluit van verweerder dan ook terughoudend. In de belangenafweging wordt in ieder geval rekening gehouden met de manier van afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat wordt voldaan aan het subjectieve criterium. Zijn persoonlijke omstandigheden zijn door verweerder onvoldoende betrokken in de belangenafweging en de beoordeling van de risico’s. Deze veroordeling is de enige keer dat eiser met justitie in aanraking is geweest. De veroordeling is daarnaast al van lang geleden en eiser heeft zich sindsdien goed gedragen. Ondanks het feit dat hij in die periode niet in volledige vrijheid heeft kunnen bewegen, is hij op de momenten dat hij wel van zijn vrijheid kon genieten ook niet met politie en justitie in aanraking gekomen. Vanaf 12 februari 2019 heeft eiser deelgenomen aan een penitentiair programma in het kader van detentiefasering. In deze periode heeft hij de opleiding sociaal maatschappelijke dienstverlening gedaan en heeft hij stage gelopen. Deze opleiding heeft hij afgerond en hij wil graag werkzaam zijn in de sector die bij zijn opleiding past. Door weigering van de VOG wordt hij gehinderd op de arbeidsmarkt. Verder vindt eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het advies van de reclassering, waarin wordt aangegeven dat het recidiverisico laag wordt ingeschat en positief wordt geadviseerd met betrekking tot de persoonlijke ontwikkeling van eiser.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder minder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang dat eiser heeft bij het verstrekken van de VOG dan aan het risico voor de samenleving dat bij de beoordeling van het objectieve criterium is vastgesteld. Verweerder heeft groot belang mogen hechten aan het feit dat eiser een groot deel van de tijd na zijn veroordeling niet in (volledige) vrijheid heeft doorgebracht. Sinds zijn detentie is er nog maar een korte periode verstreken. Daardoor heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser nog niet voor een langere periode heeft kunnen laten zien dat hij geen strafbare feiten meer pleegt en dat de periode te kort is om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen. Ook heeft verweerder de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf in het nadeel van eiser mogen laten wegen. Verweerder heeft ook naar de omstandigheden gekeken die in het voordeel van eiser wegen. Zo heeft eiser zijn diploma behaald, maar kan hij door de afwijzing van de aanvraag niet aan het werk in zijn vakgebied. Het rapport van de reclassering weegt ook in het voordeel van eiser, en ook dit heeft verweerder onderkend. De omstandigheid dat de reclassering de kans op recidive als laag inschat kan echter niet afdoen aan de eigen beoordeling door verweerder van de vraag of er een risico voor de samenleving bestaat als eiser een bepaald beroep wil uitoefenen. Concluderend heeft verweerder alle omstandigheden van deze zaak bij de beoordeling betrokken en in samenhang beoordeeld. Verweerder heeft mogen stellen dat het belang van eiser, ondanks de omstandigheden die in zijn voordeel zijn, minder zwaar weegt dan het belang van de samenleving, omdat eiser te recent met justitie in aanraking is gekomen vanwege een strafbaar feit dat niet te verenigen is met het doel van de aanvraag.

Conclusie

9. De rechtbank concludeert dat verweerder de aanvraag voor een VOG van eiser heeft mogen afwijzen. Verweerder heeft mogen stellen dat met de veroordeling van eiser aan het objectieve criterium is voldaan. Daarnaast heeft verweerder meer gewicht mogen toekennen aan het belang van de samenleving bij weigering van de VOG dan aan het belang van eiser bij verstrekking hiervan. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van

mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, op 28 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, Stcrt. 2017, 68620.

2 ABRvS 29 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2289).

3 Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, Stcrt. 2017, 68620.

4 Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, Stcrt. 2017, 68620.

5 Zie paragraaf 3.3 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, Stcrt. 2017, 68620