Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3553

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
C/16/505262 / KG ZA 20-320
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering 843a Rv tegen schuldenaar en derde-beslagene. Rechtsbetrekking op basis van art. 476a/b Rv. Informatieplicht schuldenaar ex art. 475g Rv ziet ook op opgeven vermogensbestanddelen, maar strekt niet tot rekening en verantwoording (HR ZC0338).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/505262 / KG ZA 20-320

Vonnis in kort geding van 28 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. E. Jacobs te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. N.H. Margetson te Rotterdam

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

advocaat mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam,

gedaagden.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota’s van [gedaagde sub 1]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 2] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] maakt onderdeel uit van een groep van ondernemingen die zich bezig houdt met offshore constructiewerkzaamheden.

2.2.

Van 2 april 2007 tot en met 31 december 2017 was [gedaagde sub 1] werkzaam bij [eiseres] en statutair bestuurder van een aantal groepsvennootschappen.

2.3.

Op 22 september 2017 is [gedaagde sub 1] door [eiseres] op non-actief gesteld.

2.4.

In november 2017 is [gedaagde sub 1] een procedure tegen [eiseres] gestart bij de kantonrechter in Amsterdam, onder meer strekkende tot betaling van een niet-uitgekeerde bonus. In deze procedure heeft [eiseres] een tegenvordering ingesteld tot het betalen van verbeurde contractuele boetes (wegens het verrichten van verboden nevenwerkzaamheden).

2.5.

In januari 2018 heeft [eiseres] conservatoire (derden-)beslagen gelegd ten laste van [gedaagde sub 1] . Die beslagen hebben doel getroffen voor zover het gaat om de woonboot en motorboot van [gedaagde sub 1] en om een bankrekening bij de ING met een bedrag van bijna
€ 50.000.

2.6.

Bij vonnis van 7 oktober 2019 heeft de kantonrechter alle vorderingen van [gedaagde sub 1] afgewezen. Bij hetzelfde vonnis heeft de kantonrechter de reconventionele vordering van [eiseres] tot betaling van verbeurde boetes toegewezen tot een bedrag van € 756.696,34 (inclusief onderzoekskosten).

2.7.

Op 23 oktober 2019 heeft [eiseres] dit vonnis aan [gedaagde sub 1] betekend. Op dezelfde datum heeft [gedaagde sub 1] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

2.8.

Tot 30 oktober 2019 was [gedaagde sub 1] aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 2] . Op die datum is [gedaagde sub 1] als bestuurder afgetreden, en is deze functie overgenomen door een vriendin van hem, mevrouw [A] . Op dezelfde dag heeft hij zijn aandeel/aandelen in [gedaagde sub 2] overgedragen aan deze zelfde vriendin.

2.9.

Op 10 december 2019 heeft [gedaagde sub 2] als derde-beslagene aan de door [eiseres] ingeschakelde deurwaarder verklaard dat [gedaagde sub 1] niets van haar te vorderen heeft.

2.10.

Bij dagvaarding van 7 februari 2020 is [eiseres] tegen [gedaagde sub 2] een procedure gestart die ertoe strekt om vast te stellen dat deze derdenverklaring onjuist is.

2.11.

Bij brief van 21 februari 2020 heeft [eiseres] op grond van artikel 3:45 BW de vernietiging ingeroepen van de onder 2.8 bedoelde aandelenoverdracht.

2.12.

Bij dagvaarding van 10 juni 2020 is [gedaagde sub 2] een procedure gestart tegen [gedaagde sub 1] strekkende tot betaling van een bedrag van € 298.658,57 uit hoofde van een lening in rekening-courant.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde sub 1] veroordeelt, binnen vijf werkdagen na de datum van het vonnis, inzage en

afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden:

i) alle bescheiden met betrekking tot de aanbieding van de aandelen aan de mede-aandeelhouders in overstemming met de blokkeringsregel die is opgenomen in artikel 11 van de statuten van de vennootschap;

ii) alle bescheiden met betrekking tot de mededeling van [gedaagde sub 1] aan de directie, met toelichting welke aandelen hij wenst over te dragen;

iii) alle bescheiden met betrekking tot de mededeling en ter kennis stelling door de directie van het aanbod tot koop van de aandelen aan de mede-aandeelhouders (binnen twee weken na ontvangst van de mededeling van [gedaagde sub 1] ) overeenkomstig artikel 11.4 van de statuten;

iv) het waarderingsrapport en alle overige bescheiden met betrekking tot de vaststelling van de prijs van de aandelen opgemaakt door een onafhankelijke deskundige, gemeenschappelijk aangewezen door de aandeelhouders, waaronder bescheiden waaruit blijkt dat deze benoeming is geschied in gemeenschappelijk overleg, dan wel vastgesteld zoals anders overeengekomen tussen de aandeelhouders overeenkomstig art. 11.3 van de statuten;

v) alle bescheiden met betrekking tot de mededeling en ter kennis stelling door de directie aan alle aandeelhouders van de vastgestelde of overeengekomen prijs (binnen 14 dagen) overeenkomstig artikel 11.4 van de statuten;

vi) alle bescheiden met betrekking tot de toewijzing van de aangeboden aandelen en mededelingen in dat verband aan [gedaagde sub 1] , de gegadigden aan wie de aandelen zijn toegewezen en/of de koper overeenkomstig artikel 11 van de statuten;

vii) alle bescheiden met betrekking tot de instemming/goedkeuring van de (mede-)aandeelhouders voor de overdracht in overeenstemming met de goedkeuringsregeling in de statuten van de vennootschap;

viii) de overeenkomst op grond waarvan de overdracht heeft plaatsgevonden;

ix) de notariële akte van overdracht;

x) alle bescheiden met betrekking tot de overgang van rechten tot het nemen van aandelen;

xi) alle bescheiden, waaronder de bankafschriften, met betrekking tot van de betaling van de koopprijs voor de aandelen aan [gedaagde sub 1] (inclusief datum, bedrag en wijze van betaling).

2. [gedaagde sub 2] , binnen vijf werkdagen na de datum van het vonnis, veroordeelt inzage en

afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden:

i) het aandeelhoudersregister;

ii) de mededeling van [gedaagde sub 1] aan de directie, met toelichting welke aandelen hij wenst over te dragen

iii) alle mededelingen van de directie aan [gedaagde sub 1] , de mede-aandeelhouders, gegadigden en koper(s) overeenkomstig en zoals vereist op grond van art. 11 van de statuten;

iv) alle bescheiden waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] een vordering heeft op [gedaagde sub 1] ;

v) alle bescheiden waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] geen schuld meer heeft aan [gedaagde sub 1] ;

vi) alle bescheiden met betrekking tot en bewijs van de titels van betalingen, waaronder schulden en vorderingen, die tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] over en weer zijn ontstaan;

vii) de grootboekrekeningen betreffende de rekening-courantverhouding;

viii) de jaarrekeningen vanaf de oprichting van de vennootschap in 2013 tot eind 2019;

ix) alle bescheiden, waaronder bankafschriften, met betrekking tot door [gedaagde sub 2] aan [gedaagde sub 1] , al dan niet in rekening-courant, gedane betalingen (inclusief datum, bedrag en wijze van betaling);

x) alle bescheiden, waaronder bankafschriften, met betrekking tot door [gedaagde sub 1] aan [gedaagde sub 2] , al dan niet in rekening-courant, gedane aflossingen en/of betalingen (inclusief datum, bedrag en wijze van betaling);

xi) alle bescheiden waaruit de vorderingen die [gedaagde sub 1] nog heeft op [gedaagde sub 2] volgen;

xii) alle bescheiden met betrekking tot eventuele verrekeningen die hebben plaatsgevonden tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , al dan niet door middel van een boeking in rekening-courant;

xiii) alle bescheiden waaruit blijkt dat door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] aan de zakelijke vereisten is voldaan die wettelijk aan de vermeende lening van de vennootschap aan [gedaagde sub 1] (in rekening-courant boven € 17.500,00) worden gesteld, waaronder de vastgestelde zakelijke rente, afspraken over terugbetaling en te verschaffen zekerheden;

xiv) alle bescheiden met betrekking tot heffingsrente die door [gedaagde sub 2] is betaald, alsmede eventuele uitgevoerde correcties op het loon dat aan [gedaagde sub 1] is uitgekeerd en/of correcties waarmee de aan [gedaagde sub 1] uitgekeerde bedragen zijn aangemerkt als dividend en naheffingsaanslagen;

xv) afschrift van de beschikking op grond waarvan op 27 mei 2020 door [gedaagde sub 2] conservatoir beslag is gelegd op de motorboot van [gedaagde sub 1] ;

xvi) afschrift van de eis in de hoofdzaak die inmiddels door [gedaagde sub 2] is ingesteld tegen [gedaagde sub 1] ;

3. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot nakoming van de op hem rustende informatieverplichting

als vervat in art. 475g Rv, door binnen vijf werkdagen na de datum van het vonnis, aan de

advocaat van [eiseres] en/of de behandelend deurwaarder de volgende informatie aan te leveren:

a) schriftelijk een gespecificeerd overzicht te verstrekken van zijn binnen- en buitenlandse bronnen van inkomsten, alsmede de hoogte, omvang en

samenstelling daarvan

b) schriftelijk een gespecificeerd overzicht te verstrekken van de bankrekening(en) waarop de hierboven onder a. genoemde binnen- en buitenlandse inkomsten worden gestort, dan wel op welke andere wijze deze inkomsten door [gedaagde sub 1] worden ontvangen en waar deze zich bevinden;

c) schriftelijk een gespecificeerd overzicht te verstrekken van zijn binnen- en buitenlandse vermogen (niet beperkt tot onroerende en roerende zaken, banktegoeden, effecten en andere vorderingsrechten) waarvan [gedaagde sub 1] op dit moment enig of mederechthebbende is, waaronder begrepen woningen, auto’s en boten/schepen;

d) de huidige staat van enig aanmerkelijk belang, waaronder begrepen maar niet beperkt tot, aandelen en deelnemingen die [gedaagde sub 1] houdt;

e) alle transacties (waaronder maar niet beperkt tot schenkingen) aan de kinderen van [gedaagde sub 1] ;

f) gedurende een periode van één jaar na het verstrekken van voormelde gegevens iedere mutatie in de inkomens- en vermogenssituatie op te geven aan [eiseres] ;

g) alle bescheiden, waaronder de bankafschriften, met betrekking tot de betaling van de koopprijs voor de aandelen aan [gedaagde sub 1] (inclusief datum, bedrag en wijze van betaling).

4. de vorderingen onder 1 tot en met 3 ieder voor zich toe te kennen op straffe van een

dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat door de bewuste gedaagde niet aan de

veroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 100.000,00 voor iedere gedaagde

is bereikt;

5. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. Volgens hen is zij al sinds half oktober 2019, dus negen en een halve maand, bezig met de executie van het vonnis van de kantonrechter, maar maakt zij daarmee geen voortgang. Ondanks dat het beslag op de motorboot en de woonboot van [gedaagde sub 1] doel heeft getroffen, gaat zij niet tot uitwinning over. Verder maakt zij ook geen haast met de verklaringsprocedure die tegen [gedaagde sub 2] is aangespannen, omdat op een termijn van ruim negen maanden is gedagvaard.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] wel voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. De gevorderde stukken zijn niet alleen bedoeld als bewijsmateriaal in een lopende of nog te starten procedure, maar ook om te beoordelen of die procedures nog moeten worden gestart dan wel voortgezet. Om die reden kan van [eiseres] niet worden gevergd om haar afgifte-vordering pas in de bodemprocedures in te stellen.

4.3.

Voor zover het gaat om het spoedeisende belang bij het verkrijgen van inlichtingen over de inkomsten- en vermogenspositie van [gedaagde sub 1] geldt dat de inkomsten- en vermogensbestanddelen die [gedaagde sub 1] tot nu toe heeft opgegeven, onvoldoende zijn om het te executeren bedrag van ruim € 700.000 te verhalen. [eiseres] heeft er dan ook belang bij om inlichtingen over eventuele verdere inkomsten en vermogen te verkrijgen. Dat [eiseres] niet tot uitwinning van de woonboot van [gedaagde sub 1] is overgegaan, kan haar niet worden verweten, nu er hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis op basis waarvan de executie plaatsvindt, en een eventuele onterecht gebleken executie van de woning van [gedaagde sub 1] vergaande gevolgen zou hebben, zowel voor [gedaagde sub 1] als [eiseres] .

Vordering ex artikel 843a Rv jegens [gedaagde sub 1]

4.4.

Op basis van artikel 843a Rv kan een vordering tot inzage in/afschrift van bescheiden die door een bewijslast zijn getroffen, worden toegewezen als aan drie voorwaarden is voldaan:

1) een rechtmatig belang bij inzage of afschrift

2) van bepaalde bescheiden

3) aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

De maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv is dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn (Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251).

4.5.

Volgens [eiseres] bestaat de rechtsbetrekking tussen haar en [gedaagde sub 1] eruit dat [gedaagde sub 1] na diens veroordeling door de kantonrechter tot betaling van een bedrag van ruim € 700.000,-- onverplicht zijn aandelen in [gedaagde sub 2] heeft verkocht en overgedragen, en daarmee aan verhaal heeft onttrokken. Zij heeft de vernietigbaarheid van deze rechtshandeling ex artikel 3:45 BW ingeroepen en is voornemens een bodemprocedure terzake te starten.

4.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat deze rechtsbetrekking tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] bestaat. Vaststaat dat de aandelenoverdracht onverplicht is verricht. Voorts staat vast dat [gedaagde sub 1] één aandeel in [gedaagde sub 2] heeft verkocht aan een vriendin en voormalige geliefde en dat de koopsom van dit aandeel is bepaald op € 1. Of dit ene aandeel het enige aandeel is dat is overgedragen, is op basis van de bekende informatie niet met zekerheid vast te stellen. In het navolgende zal dan ook worden gesproken over “aandelen”, dus in de meervoudsvorm.

4.7.

[gedaagde sub 1] heeft een rapport van zijn eigen boekhouder overgelegd waaruit volgt dat de intrinsieke waarde van het overgedragen aandeel € 1 bedraagt. Gelet op het grote eigen vermogen van [gedaagde sub 2] (ruim 1 miljoen euro in 2018) en het beperkte aantal aandelen dat zij heeft uitgegeven (12), zijn bij die waardering echter vraagtekens te plaatsen. Dit nog afgezien van het feit dat het rapport niet is opgesteld door een onafhankelijke derde.

4.8.

Tenslotte is ook de timing van de betreffende transactie van belang. De transactie vond plaats één week nadat het vonnis van de kantonrechter aan [gedaagde sub 1] was betekend. Al het voorgaande bevestigt het vermoeden van [eiseres] dat zij in haar verhaalsmogelijkheden is benadeeld, en dat [gedaagde sub 1] dat wist of behoorde te weten.

4.9.

Dit betekent echter nog niet dat alle in dit kader gevorderde bescheiden aan [eiseres] moeten worden afgegeven. Ten aanzien van de bescheiden onder i) tot en met vii) geldt dat [eiseres] daarmee wil onderzoeken op welke wijze invulling is gegeven aan de statutaire blokkeringsregeling. Ter zitting is van de zijde van [gedaagde sub 1] echter gesteld dat die blokkeringsregeling niet is gevolgd, wat [eiseres] voor waar heeft aangenomen. Dat staat daarmee vast, zodat [eiseres] geen belang heeft bij deze (niet bestaande) stukken.

4.10.

De stukken als bedoeld onder viii) en ix) (de overeenkomst tot overdracht en de notariële akte van overdracht) zijn toewijsbaar, al was het maar omdat [gedaagde sub 1] ter zitting heeft erkend dat [eiseres] een rechtmatig belang heeft bij die stukken.

Gelet op de toewijzing van deze stukken heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht wat bedoeld wordt met en wat haar belang is bij het verkrijgen van een afschrift van “alle bescheiden met betrekking tot de overgang van rechten tot het nemen van aandelen”(x). De vordering zal op dit punt derhalve worden afgewezen.

4.11.

Ook heeft [eiseres] er belang bij om na te gaan welk bedrag feitelijk is betaald voor de aandelen. In de koopovereenkomst kan weliswaar een bedrag van € 1 staan, zoals [gedaagde sub 1] stelt, maar dat betekent in de onderhavige context niet dat er niet meer kan zijn betaald. De vordering onder xi) is derhalve toewijsbaar.

Vordering ex artikel 843a Rv jegens [gedaagde sub 2]

4.12.

Voor zover de vordering jegens [gedaagde sub 2] strekt tot het verstrekken van een afschrift van bescheiden die zien op de aandelenoverdracht (stukken (ii) en iii)), valt niet in te zien welk belang [eiseres] daarbij heeft. Vaststaat immers dat de statutaire blokkeringsregeling niet is gevolgd, zodat stukken die daarop zien, niet relevant zijn. Ook als de inzagevordering een ruimere strekking heeft, zijn deze voor het instellen van een pauliana-vordering door [eiseres] niet vereist, zodat ook in zoverre [eiseres] geen belang heeft bij die stukken.

4.13.

Dit is alleen anders als het gaat om het aandeelhoudersregister (vordering i). Dat register is niet alleen van belang voor het vaststellen of de blokkeringsregeling gevolgd had moeten worden, maar ook hoeveel aandelen er zijn en welke er daarvan gehouden worden door [gedaagde sub 1] . De voorzieningenrechter volgt [gedaagde sub 2] niet in haar (juridisch onhoudbare) verweer dat de vordering jegens de vennootschap niet toewijsbaar zou zijn omdat niet de vennootschap, maar het bestuur van de vennootschap het aandelenregister houdt (art. 2:194 BW).

4.14.

De vordering jegens [gedaagde sub 2] is voor het overige gegrond op het bestaan van een rechtsbetrekking bestaande uit de verklaring die [gedaagde sub 2] als derde aan [eiseres] heeft afgelegd in verband met het gelegde derdenbeslag ten laste van [gedaagde sub 1] . [eiseres] betwist de juistheid van deze verklaring, en is terzake een verklaringsprocedure gestart. Zij betwist met name dat [gedaagde sub 2] een vordering heeft op [gedaagde sub 1] van ruim € 298.000 uit hoofde van een voorheen bestaande rekening-courantverhouding (hierna: de tegenvordering).

4.15.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] een rechtsbetrekking die grond kan vormen voor het verstrekken van stukken. Op grond van artikel 476a Rv is een derde immers gehouden een juiste verklaring te doen aan de door de schuldeiser ingeschakelde deurwaarder van de vorderingen (van de schuldenaar op de derde) die door het beslag zijn getroffen, en die verklaring ook met redenen te omkleden. Dat geldt ook als die verklaring is dat er niets te vorderen is (zie lid 2 onder a). Op grond van artikel 476b lid 2 Rv is de derde gehouden zijn verklaring zoveel mogelijk vergezeld te laten gaan van een “afschrift van tot staving dienende bescheiden”.

4.16.

In de derdenverklaring heeft [gedaagde sub 2] verklaard dat er geen rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan uit hoofde waarvan [gedaagde sub 1] op het tijdstip van het beslag nog iets van haar te vorderen had, heeft of kan krijgen. Dat laat de mogelijkheid open dat er weliswaar een vordering van [gedaagde sub 2] op [gedaagde sub 1] bestond, maar dat deze is verrekend met de tegenvordering van ruim € 298.000. Indien deze tegenvordering een fictieve vordering betreft, zoals [eiseres] stelt, heeft [eiseres] er een rechtmatig belang bij om in het kader van de verklaringsprocedure - voor bewijslevering in die procedure maar ook om te beoordelen of die procedure moet worden voortgezet - te beschikken over bescheiden waaruit blijkt dat de tegenvordering wel of niet fictief is. Gronden die erop zouden wijzen dat die vordering fictief is, leiden immers tot het vermoeden dat met het opvoeren van die vordering een vordering van [gedaagde sub 1] op [gedaagde sub 2] verhuld wordt.

4.17.

[eiseres] heeft van [gedaagde sub 2] weliswaar de leningsovereenkomst tussen haar en [gedaagde sub 1] ontvangen terzake van de rekening-courantverhouding, een grootboekkaart, en een sommatiebrief, maar dat is onvoldoende om het bestaan van de tegenvordering vast te stellen. Immers, een rekening-courantstand betreft het resultaat van een interne verrekening tussen vennootschap en bestuurder. Die stand kan door deze actoren beïnvloed worden en kan door een derde - zonder nadere stukken - moeilijk op juistheid worden getoetst. Daarvoor zullen in ieder geval alle grootboekrekeningen betreffende de rekening-courant moeten worden verstrekt, alsmede alle bescheiden die de posten op deze grootboekrekeningen onderbouwen.

4.18.

Voor zover [gedaagde sub 2] met haar beroep op de ”vertrouwelijkheid van stukken uit haar boekhouding en bankgegevens” beoogt een beroep te doen op het aanwezig zijn van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 843a Rv, wijst de voorzieningenrechter dat af. Niet valt in te zien waarom het belang van de vennootschap om die stukken geheim te houden opweegt tegen het belang van [eiseres] bij het toetsen van het waarheidsgehalte van de door [gedaagde sub 2] zelf gepretendeerde tegenvordering die op die stukken is gebaseerd.

4.19.

Dit betekent dat de vordering tot afgifte van alle bescheiden waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] een vordering heeft op [gedaagde sub 1] (iv), voor toewijzing vatbaar is.

4.20.

Dat geldt evenwel niet voor de onder v) gevorderde bescheiden (bescheiden waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] geen schuld meer heeft aan [gedaagde sub 1] ). [eiseres] heeft niet gesteld op basis waarvan zij vermoedt dat [gedaagde sub 1] nog iets te vorderen heeft van [gedaagde sub 2] , en dat dit de tegenvordering van € 298.000 overtreft, anders dan hetgeen zij heeft aangevoerd omtrent het fictieve karakter van de tegenvordering van [gedaagde sub 2] op [gedaagde sub 1] . Gelet hierop is het prematuur om nu al om stukken te vragen die zien op een negatief rechtsfeit (het ontbreken van een schuld). Mocht [eiseres] op basis van de stukken die [gedaagde sub 2] aanlevert ter onderbouwing van de tegenvordering kunnen bewijzen dat de tegenvordering fictief is, kan vervolgens bewijslevering plaatsvinden in de verklaringsprocedure welke vorderingen [gedaagde sub 1] heeft op [gedaagde sub 2] .

4.21.

Ook ten aanzien van de bescheiden bedoeld onder vi) tot en met xii) heeft [eiseres] niet het vereiste rechtmatige belang, omdat deze al gedekt worden door de veroordeling onder iv), de afwijzing onder v), of te vaag zijn omschreven om te gelden als “bepaalde bescheiden”. Overigens valt ten aanzien van de jaarrekeningen van derden (viii) niet in te zien waarom [gedaagde sub 2] die zou moeten aanleveren, en waarom [eiseres] die niet zelf kan opvragen.

4.22.

Ten aanzien van de onder xiii) bedoelde bescheiden geldt dat [eiseres] reeds beschikt over de leningsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de rekening-courantverhouding, zodat niet valt in te zin welk belang zij heeft bij deze bescheiden.

Verder heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht waarom het voor het wel of niet bestaan van de tegenvordering van belang is om te beschikken over bescheiden over heffingsrente, looncorrecties e.d. (xiv). De vordering zal ook in zoverre worden afgewezen.

4.23.

Ter zitting heeft [eiseres] de onder xv) en xvi) gevorderde stukken ingetrokken, omdat deze inmiddels aan haar waren verstrekt, zodat deze buiten beschouwing blijven.

Vordering ex artikel 475g Rv jegens [gedaagde sub 1]

4.24.

Op grond van artikel 475g Rv is een schuldenaar verplicht aan een deurwaarder in het kader van een tenuitvoerlegging van een vonnis zijn bronnen van inkomsten op te geven. [gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat het daarbij alleen gaat om inkomsten en niet om vermogen. Daarin kan hij echter niet worden gevolgd. Uit het standaardarrest van de Hoge Raad van 20 september 1991 (ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, r.o. 4.1) blijkt dat de inlichtingenplicht ook ziet op de vermogenspositie van de schuldenaar: Een schuldenaar is wel in beginsel verplicht een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen.

4.25.

Wel is het zo dat deze plicht niet zo ver reikt dat de schuldenaar rekening en verantwoording moet afleggen over zijn financiële situatie. Ook dat volgt uit dezelfde overweging van dit standaardarrest:

Maar het strookt niet met het wettelijk stelsel aan deze verplichting een praktische uitwerking te geven als door het middel voorgestaan. Zulks zou immers niet te verenigen zijn met de beperkte kring van personen die van een schuldenaar rekening en verantwoording, onderscheidenlijk overlegging van de boekhouding kunnen vergen, terwijl ook evenbedoelde parlementaire behandeling geen steun biedt aan de opvatting van het middel.

4.26.

Een deel van de vorderingen van [eiseres] in de onderhavige zaak strekken in wezen wel tot het afleggen van rekening en verantwoording. In zoverre zijn deze niet toewijsbaar. Dat geldt onder meer voor de vorderingen onder e) tot en met g). Overigens wordt de vordering onder g) al toegewezen als onderdeel van de 843a-veroordeling.

4.27.

Alleen waar het gaat om inlichtingen over de bronnen van inkomsten en vermogen, en de stand en locatie daarvan komen de vorderingen voor toewijzing in aanmerking.

4.28.

Ten aanzien van de vordering onder a) tot en met c) geldt dat vaststaat dat [gedaagde sub 1] al een overzicht heeft verstrekt van zijn inkomsten en vermogen. Hij stelt dat het daarbij alleen gaat om:

  • -

    een woonboot

  • -

    een motorboot

  • -

    een spaarrekening bij de ING waar € 50.000 op staat

  • -

    salaris van € 2000 per maand van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] .

4.29.

Voor het opleggen van een verplichting tot het verstrekken van verdere inlichtingen is alleen plaats indien er aanleiding is om te vermoeden dat deze opgave niet compleet is. Die aanleiding is er. [gedaagde sub 1] heeft immers niet betwist dat hij ook:

  • -

    aandeelhouder is van het bedrijf [bedrijfsnaam 1]

  • -

    bestuurder is van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] Ltd.

  • -

    bestuurder is van het bedrijf [bedrijfsnaam 3] B.V.

Het lag op de weg van [gedaagde sub 1] om over deze (potentiële) inkomsten- en vermogensposities inlichtingen te verschaffen aan [eiseres] , maar dat heeft hij nagelaten.

4.30.

[gedaagde sub 1] heeft ter zitting gesteld dat in het bedrijf [bedrijfsnaam 2] Ltd. geen geld aanwezig is, zodat hij daarvan als bestuurder geen salaris ontvangt. [eiseres] heeft echter als productie 22 een overzicht uit het register van de [.] Kamer van Koophandel overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat er wel vermogen in die vennootschap aanwezig is. Daarmee heeft [gedaagde sub 1] nog niet volledig aan zijn inlichtingenplicht voldaan.

4.31.

Verder heeft [gedaagde sub 1] weliswaar opgegeven dat hij van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] een salaris ontvangt van € 2000 per maand, maar dat wijst niet op inkomsten uit hoofde van aandeelhouderschap, maar uit hoofde van verrichte werkzaamheden.

4.32.

Ten aanzien van zijn overige hoedanigheden heeft [gedaagde sub 1] dan ook onvoldoende inlichtingen verstrekt zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is. Dit geldt ook voor zover de vordering ziet op “overige inkomsten en vermogen”, aangezien [gedaagde sub 1] heeft nagelaten een aantal vermogensbestanddelen aan [eiseres] te melden, zodat [eiseres] belang heeft bij een met een dwangsom versterkte veroordeling om alle inkomsten- en vermogensbronnen te melden.

4.33.

Ten aanzien van de vordering onder d) geldt dat [eiseres] niet heeft onderbouwd waarom zij naast het aandeelhouderschap als zodanig (dat op basis van de hiervoor bedoelde veroordeling kenbaar moet worden gemaakt) ook nog belang heeft bij inlichtingen over of het aandeelhoudersbelang aanmerkelijk is of niet. De vordering zal ook in zoverre worden afgewezen.

Kosten inzage, termijn en dwangsom

4.34.

De voorzieningenrechter zal wel bepalen dat het geven van afschriften en inzage op kosten van [eiseres] dient te gebeuren, zoals artikel 843a Rv bepaalt.

4.35.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de gevorderde termijn van vijf werkdagen na de datum van het vonnis te kort is om aan alle veroordelingen te voldoen. Hij zal deze termijn dan ook verlengen naar 21 dagen na betekening van het vonnis. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de gevorderde dwangsom te matigen.

Proceskosten

4.36.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Getalsmatig wordt er weliswaar maar een gering deel van de gevraagde stukken toegewezen, maar dat betreft deels overlappende stukken en deels inmiddels reeds verstrekte stukken. Door hun onterechte weigering om essentiële stukken en inlichtingen aan [eiseres] te geven, hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] [eiseres] genoodzaakt deze procedure te starten. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- betekening oproeping € 83,38

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.719,38

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen 21 dagen na betekening van het vonnis aan [eiseres] (en op kosten van laatstgenoemde) inzage in en/of afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden:

  • -

    de overeenkomst op grond waarvan de overdracht heeft plaatsgevonden,

  • -

    de notariële akte van overdracht,

  • -

    alle bescheiden, waaronder de bankafschriften, met betrekking tot de betaling van de koopprijs voor de aandelen aan [gedaagde sub 1] (inclusief datum, bedrag en wijze van betaling),

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om binnen 21 dagen na betekening van het vonnis aan [eiseres] (en op kosten van laatstgenoemde) inzage in en/of afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden:

  • -

    het aandeelhoudersregister,

  • -

    alle bescheiden waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] een vordering heeft op [gedaagde sub 1] ,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot nakoming van de op hem rustende informatieverplichting ex artikel 475g Rv door binnen 21 dagen na betekening van het vonnis aan de behandelend deurwaarder de volgende informatie aan te leveren:

a. een gespecificeerd overzicht van zijn inkomsten (bevattende in ieder geval de omvang, samenstelling en locatie daarvan) uit hoofde van zijn hoedanigheid van:

 aandeelhouder van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] ,

 bestuurder van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] Ltd.

 bestuurder van het bedrijf [bedrijfsnaam 3] B.V.

een gespecificeerd overzicht van zijn aandelen in deze vennootschappen, en eventueel ander vermogen dat in deze vennootschappen zit en waarop hij (mede-)rechthebbende is,

schriftelijk een gespecificeerd overzicht te verstrekken van alle overige inkomsten en vermogensbestanddelen, waar ook ter wereld, waarvan [gedaagde sub 1] op dit moment enig of mederechthebbende is,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1 en 5.3 uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.2 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.719,38,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken door

mr. E.A. Messer op 28 augustus 2020.1

1 type: WV (4208) coll: