Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3498

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
8705834
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze omstandigheden is de door restauranthouder ondertekende "Model Arbeidsovereenkomst" die als bijlage bij een aanvraag om toestemming om als Chinese specialiteitenkok in het restaurant in Nederland te komen werken aan te merken als een defintieve arbeidsovereenkomst. Tussentijdse annulering niet komen vast te staan en bovendien zonder effect.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1159
JAR 2020/260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8705834 UC EXPL 20-6419 PK/1097

Vonnis van 2 september 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] V.O.F., zaak doende onder meer onder de naam " [handelsnaam] ",

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verder ook te noemen mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] ,

3 [gedaagde sub 3] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verder ook te noemen de heer [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] ,

alle partijen tezamen hierna ook in vrouwelijk enkelvoud te noemen [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] ,

gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van [eiser] ;

  • -

    het verweerschrift van [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] , tevens een (voorwaardelijk) verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 14 augustus 2020 plaatsgevonden. Bij deze zitting waren aanwezig [eiser] , zijn gemachtigde mevrouw mr. H.K.F. Jap-A-Joe (namens haar kantoorgenoot mr. H. K. Jap-A-Joe) en mevrouw [A] , zus van [eiser] . Ten behoeve van [eiser] is hetgeen op de zitting is besproken vertaald door mevrouw K.P. Woo, tolk Mandarijn. Aan de zijde van verweerders waren aanwezig de heer [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] , mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] , mevrouw [B] (werkneemster van [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] ) en hun gemachtigde mr. De Rijk. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er op de zitting is besproken.

1.3.

[achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] heeft terecht het verweer opgeworpen dat deze zaak niet met een verzoekschrift maar met een dagvaarding had moeten worden ingeleid. Het primaire verzoek heeft immers geen betrekking op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar op de beantwoording van de vraag of partijen wel of geen arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Ter zitting is met partijen afgesproken dat de zaak gelet op het bepaalde in artikel 69 Rv wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor een dagvaardingsprocedure. Partijen hebben aangegeven er geen behoefte aan te hebben hun stellingen in verband daarmee aan te passen. Deze zaak was aanvankelijk bekend onder zaaknummer 8441194 UE VERZ 20-111.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

Mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] exploiteerde als eenmanszaak een Chinees restaurant in [vestigingsplaats 1] en " [handelsnaam] " te [vestigingsplaats 2] . Beide restaurants zijn per 3 december 2019 ingebracht in een vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] v.o.f., waarvan de heer en mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] beiden vennoot zijn.

Ten behoeve van het restaurant te [vestigingsplaats 2] heeft mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] op 30 juli 2019 bij de IND namens [eiser] een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel dat hij in dat restaurant arbeid in loondienst (als kok) zou gaan verrichten. Het bezwaar tegen de aanvankelijke weigering is bij beslissing van 14 november 2019 gegrond verklaard. Bij e-mail van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 30 november 2019 is aan mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] meegedeeld dat er een afspraak is gemaakt voor [eiser] om de mvv op 2 januari 2020 op de Nederlandse vertegenwoordiging in Shanghai af te komen halen. Dit is vervolgens ook gebeurd. [eiser] is op 31 januari 2020 op Schiphol aangekomen. Er is vervolgens in de periode 31 januari tot 15 februari 2020 een WeChatconversatie op gang gekomen tussen mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] en [A] . In deze WeChatconversatie dringt [A] er bij mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] op aan dat [eiser] met zijn werkzaamheden als kok mag gaan beginnen, maar mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] heeft daar niet mee ingestemd. Ook aan een sommatie door de gemachtigde van [eiser] is geen gehoor gegeven.

2.2.

[eiser] verzoekt (vordert) na vermindering van eis op de zitting:

  1. ls voorlopige voorziening: betaling van het loon van € 1.900 bruto per maand vanaf februari 2020 tot 1 juli 2020, vermeerderd met de wettelijke verhoging, met veroordeling van [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] in de proceskosten en de nakosten;

  2. in de bodemprocedure:

primair: betaling van het loon van € 1.900 bruto per maand vanaf februari 2020 tot 1 juli 2020, de vakantiebijslag daarover, een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de voldoening;

subsidiair: indien de dienstbetrekking op 15 februari 2020 is opgezegd: vernietiging van de opzegging;

primair en subsidiair: met veroordeling van [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] in de proceskosten en de nakosten.

2.3.

Naar aanleiding van de eisvermindering door [eiser] heeft [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] haar verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de zitting ingetrokken.

2.4.

Volgens [eiser] moet [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] hem loon betalen omdat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten en hij heeft aangeboden zijn werkzaamheden te willen gaan verrichten. Dat [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] hem daartoe niet in de gelegenheid heeft gesteld komt voor haar risico. Volgens [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] is die vordering niet toewijsbaar, omdat er geen sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst tussen partijen.

Op de zitting hebben partijen aangegeven dat in het geval [eiser] terecht stelt dat er sprake is (geweest) van een definitieve arbeidsovereenkomst, deze per 1 juli 2020 als geëindigd moet worden beschouwd.

De bodemzaak

Was sprake van een definitieve arbeidsovereenkomst tussen partijen?

2.5.

De kantonrechter overweegt het volgende.

[eiser] beroept zich op een door mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] op 10 augustus 2019 ondertekend geschrift (productie 2 verzoekschrift). Voor zover hier van belang vermeldt dit (hetgeen met de hand is ingevuld is in dit citaat onderstreept):

"MODEL ARBEIDSOVEREENKOMST

(op basis van de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf)

De ondergetekenden

Bedrijf: [handelsnaam]

(…)

Woonplaats: [woonplaats 3]

hier vertegenwoordigd door: [gedaagde sub 2] (mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] , kantonrechter)

hierna te noemen de werkgever

en

Naam: [eiser]

(…)

hierna te noemen de werknemer

verklaren de volgende arbeidsovereenkomst te zijn aangegaan, waarop de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf (Horeca-CAO), de CAO inzake bijdrage sociaal fonds voor het horeca (Fonds-cao) van toepassing zijn:

Artikel 1 AARD DIENSTVERBAND

De werknemer treedt met ingang van 01-09-2019 in dienst bij de werkgever.

De werknemer is aangenomen voor (...)

bepaalde tijd tot 31-08-2021

(…)

Artikel 2 ARBEIDSTIJD

Voor een werknemer met een fulltime dienstverband bedraagt de normale arbeidstijd 1.976 uren per jaar. Dit betekent een gemiddelde arbeidstijd van 38 uren per week.

Artikel 3 PROEFTIJD

De werknemer is aangenomen

met een proeftijd van een maand

(…)

Artikel 5 FUNCTIE

De werknemer wordt aangenomen in de bedrijfsfunctie van SPECIALITEITEN CHINESE KOK (die bij de indeling is vergeleken met de referentienummer(s) K.511 uit het Handboek Referentiefuncties Bedrijfstak Horeca).

De werknemer zal werkzaam zijn in het bedrijf van werkgever te KEUKEN/WOK (plaats waar de arbeid wordt verricht).

Artikel 6 SALARIS

(…) Hij geniet een brutoloon van € 1900 per (…) Maand (…) 1900 per maand

De uitbetaling van het loon vindt plaats op Bank onder verstrekking van een loonstrook.

Artikel 7 PENSIOEN

a. Er is volgens 22 lid 1 van de Horeca-cao een pensioenregeling welke wordt uitgevoerd door de Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering (PH & C). Voor zover de werknemer onder die regeling valt, zal hij worden aangemeld bij de PH & C.

b. Indien de werkgever vrijstelling heeft van verplichte deelneming aan de regelingen van het PH & C zal de werknemer deelnemen aan het pensioenfonds dat bij de werkgever geldt. De werkgever zal in dat geval aan de werknemer een afschrift van het pensioenreglement verstrekken.

(…)

Opgemaakt in tweevoud en getekend te …

Datum 10-08 2019

De werkgever [gedaagde sub 2] (met daarnaast een handtekening, kantonrechter)

De werknemer… (hiernaast was geen handtekening geplaatst, kantonrechter)".

2.6.

Volgens [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] is dit geschrift niet aan te merken als een arbeidsovereenkomst maar als een conceptarbeidsovereenkomst. Zij verwijst daartoe naar het aanvraagformulier van de IND dat zij heeft ingevuld en waarbij zij een conceptarbeidsovereenkomst heeft moeten overleggen. Dat aanvraagformulier vermeldt namelijk onder meer:

"Ik heb de onderstaande bijlagen aan het aanvraagformulier toegevoegd:

(…)

⊠ Een kopie van de door u getekende (concept) arbeidsovereenkomst met de vreemdeling;".

Volgens haar bevatte die conceptovereenkomst slechts de arbeidsvoorwaarden die van toepassing zouden zijn als zij eventueel bereid zou zijn om [eiser] te zijner tijd aan te stellen.

2.7.

De kantonrechter volgt dat standpunt niet. Uit het feit dat het IND‑aanvraagformulier "(concept) arbeidsovereenkomst" vermeldt kan slechts worden afgeleid dat het wat de IND betreft niet per se vereist is dat een definitieve arbeidsovereenkomst wordt overgelegd, maar dat de IND ook genoegen neemt met overlegging van een conceptarbeidsovereenkomst. Dit is ook wel begrijpelijk, omdat het lastig kan zijn een uitgewerkte arbeidsovereenkomst te sluiten met een werknemer die nog in het buitenland zit. Het gaat er hier echter om of [eiser] uit dit geschrift en uit de overige communicatie tussen partijen (die soms via zijn zus [A] of zijn zwager [C] verliep) heeft mogen afleiden dat [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] zonder voorbehoud een arbeidsovereenkomst met de daarin vermelde arbeidsvoorwaarden met hem wilde aangaan. Dat is hier naar het oordeel van de kantonrechter inderdaad het geval. Dit geschrift bevat immers alle essentiële onderdelen die noodzakelijk zijn om het bestaan van de arbeidsovereenkomst aan te nemen, zoals de ingangsdatum, de duur van de overeenkomst, die toepasselijkheid en duur van de proeftijd, de toepasselijkheid van een cao, de functie, de hoogte van het salaris en de toepasselijkheid van een pensioenregeling. [eiser] heeft dit geschrift niet ondertekend (hij zat immers in China), maar heeft met al deze arbeidsvoorwaarden kennelijk ingestemd: deze overeenkomst was immers als bijlage gevoegd bij de aanvraag die namens hem is gedaan, en nadat die aanvraag was toegekend is hij vervolgens naar Nederland gekomen en heeft hij zich (door middel van de in 2.1 slot vermelde WeChatconversatie) bij [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] gemeld om zijn werkzaamheden te gaan verrichten. Als [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] de mogelijkheid had willen openlaten om na de komst van [eiser] te mogen beslissen dat zij toch niet met hem in zee wilde gaan, had zij hiervoor uitdrukkelijk een voorbehoud moeten maken, maar dat heeft zij niet gedaan. [eiser] zou dan de afweging hebben kunnen maken of hij wel of niet het risico wilde nemen om voor niets (helemaal) vanuit China naar Nederland te komen. Dat slechts sprake zou zijn van een vrijblijvende afspraak tussen partijen verdraagt zich trouwens ook niet met het feit dat [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] zelf de aanvraag heeft gedaan, dat die aanvraag specifiek gericht was op indienstneming van [eiser] , en dat zij tegen de aanvankelijke weigering vervolgens een bezwaarschrift heeft ingediend.

2.8.

[achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] heeft zich er ook nog op beroepen dat het geschrift de titel "MODEL ARBEIDSOVEREENKOMST" draagt, maar dit maakt deze conclusie niet anders, en kan zeker niet als een voorbehoud worden uitgelegd. Het is immers bepaald niet ongebruikelijk dat partijen een arbeidsovereenkomst sluiten en die schriftelijk vastleggen door daarvoor een model uit de cao of een andere bron te gebruiken.

2.9.

Aan deze conclusie doet ook niet af dat de aanvangsdatum van 1 september 2019, die in de overeenkomst was vermeld, niet is gehaald. Er is immers in ieder geval vertraging ontstaan omdat de aanvraag in eerste instantie was afgewezen. [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat die vertraging en de daardoor uitgestelde ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst tot gevolg zou hebben dat aan die overeenkomst geen uitvoering gegeven kon worden. Dit blijkt ook uit het feit dat [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] geen actie heeft ondernomen op dit punt toen zij op 30 november 2019 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken vernam dat er een afspraak was gemaakt dat [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] de mvv op 2 januari 2020 zou kunnen komen ophalen.

Heeft [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] de arbeidsovereenkomst tussentijds beëindigd?

2.10.

[achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] voert verder aan dat zij [eiser] , via zijn zwager en contactpersoon in Nederland, [C] , via een chatbericht heeft verzocht zich op 26 december 2019 bij haar te melden, hetgeen hij niet heeft gedaan. [eiser] heeft dit betwist, en [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] heeft het betreffende chatbericht niet overgelegd. Op de zitting heeft mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] een en ander nader toegelicht. Volgens haar heeft zij [eiser] , toen deze zich niet op tijd (dus op 26 december 2019) bij haar meldde, laten weten dat hij niet meer naar Nederland behoefde te komen. Volgens haar is dit onder andere in WeChatberichten aan hem meegedeeld. Na de mededeling van de kantonrechter dat deze berichten zich niet bij de stukken bevonden, heeft de gemachtigde van [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] verzocht deze alsnog bij akte in het geding te mogen brengen. Volgens [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] volgt hieruit dat het niet meer aan de orde was dat [eiser] voor haar zou gaan werken, en is het voor zijn eigen risico dat hij voor niets naar Nederland is gekomen.

2.11.

Ook hierin volgt de kantonrechter [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] niet. Zij heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij een dergelijke mededeling inderdaad heeft gedaan. Het had op haar weg gelegen het door haar gestelde chatbericht direct over te leggen. De kantonrechter ziet geen aanleiding haar daartoe alsnog de gelegenheid te geven omdat zij niet heeft gesteld waarom zij dit niet voorafgaand aan de zitting heeft kunnen doen, en verder omdat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Zij heeft niet gesteld wanneer en waarom zij dat bericht heeft verstuurd. Evenmin heeft zij uitgelegd hoe die mededeling zich verhoudt tot het feit dat zij op 30 november 2019 vernam dat [eiser] de mvv op 2 januari 2020 (dus ná de door haar gestelde uiterlijke meldingsdatum van 26 december 2019) zou gaan ophalen en of (en hoe) zij toen heeft gereageerd. Ten slotte acht de kantonrechter van belang dat zij in de WeChatconversatie (zoals deze is geciteerd in het verzoekschrift, punt 9) die ontstond nadat [eiser] op Schiphol was geland niet het standpunt heeft ingenomen dat de discussie geen zin had omdat zij hem al had laten weten dat hij niet meer hoefde te komen.

Als mevrouw [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] die mededeling wel heeft gedaan, heeft die dan tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst eindigt?

2.12.

Zoals in het voorgaande al is vastgesteld, was ten tijde van de aanvraag al sprake van een definitieve arbeidsovereenkomst tussen partijen (zij het dat de ingangsdatum op enig moment niet haalbaar bleek). Dat betekent dat de mededeling van [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] zoals hierboven weergegeven, indien deze al gedaan is, geen effect heeft kunnen hebben. Zonder nadere onderbouwing, die niet gegeven is, is die mededeling niet als een opzegging aan te merken.

Op grond van het voorgaande geldt ook hier dat [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld de WeChatconversatie over te leggen, omdat zij niet aan haar stelplicht met betrekking tot de feitelijke gang van zaken heeft voldaan.

2.13.

Dat [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] aan de IND in een"Meldingsformulier voor arbeidsgerelateerde verblijfsdoelen" heeft meegedeeld dat zij geen contact met [eiser] kon krijgen, dat zij niet wist waar hij was en dat zij heeft aangekruist "⊠ De vreemdeling komt niet meer naar Nederland" maakt gezien het voorgaande niet uit. De kantonrechter merkt hierbij nog op dat dit formulier als ingangsdatum van de wijziging en als datum van ondertekening 20 januari 2020 vermeldt, maar dat het formulier blijkens de bevestigingsbrief van de IND eerst op 10 maart 2020 door de IND is ontvangen. De kantonrechter leidt daaruit af dat het formulier pas begin maart 2020 is verzonden. Toen was echter al ruim bij [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] bekend dat [eiser] al enige tijd wél in Nederland was en liep de discussie al of [eiser] wel of niet met zijn werkzaamheden zou kunnen beginnen.

2.14.

[achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] stelt ook nog dat [eiser] zich na zijn aankomst in Nederland op 31 januari 2020 niet telefonisch of per e-mail bij haar gemeld heeft. Dit maakt niet uit, omdat die melding in de WeChatberichten wél is gedaan en [eiser] uitdrukkelijk in die berichten er bij [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] op heeft aangedrongen bij haar te kunnen beginnen met werken.

2.15.

Volgens [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] moet de vordering ook worden afgewezen omdat de verblijfstitel die [eiser] stelt te hebben verkregen niet meer geldig is, omdat hij slechts werkzaam kan en mag zijn als specialiteitenkok bij het restaurant van [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] in [vestigingsplaats 2] , en dat dat restaurant niet meer bestaat. Naar de kantonrechter begrijpt doelt [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] hier op het feit dat het restaurant na de aanvraag van de mvv is ingebracht in een vennootschap onder firma. Voor de geldigheid van de arbeidsovereenkomst is dit echter niet relevant. Dat dit inbrengen van het restaurant in een vennootschap onder firma tot verblijfsrechtelijke problemen zou kunnen leiden heeft zij verder bovendien - nog los van de vraag voor wiens risico dat eventueel zou komen - in het geheel niet onderbouwd.

2.16.

De conclusie moet zijn dat sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen met als ingangsdatum 1 februari 2020 (tegen deze door [eiser] gestelde ingangsdatum heeft [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] op zich geen argumenten ingebracht) en dat deze geëindigd is op 1 juli 2020. [eiser] heeft ook recht op loonbetaling over deze periode. Hierbij is niet van belang dat hij in deze periode geen werkzaamheden voor [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] heeft verricht. Gedurende de eerste 14 dagen was de oorzaak hiervan dat hij op aangeven van [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] in verband met de coronapandemie in quarantaine is geweest, en daarna was de reden dat [achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] hem niet tot het verrichten van werkzaamheden heeft toegelaten. Deze verhinderingen behoren geen van beide voor rekening van [eiser] te komen (artikel 7:628 lid 1 BW).

2.17.

[achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] heeft nog verzocht de loonvordering te matigen in verband met de coronacrisis: zij heeft haar restaurant gedurende enige tijd moeten sluiten. De kantonrechter gaat hieraan voorbij reeds omdat zij geen enkel inzicht gegeven heeft in haar financiële positie, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Toegewezen zal worden 5 (maanden) x € 1.900 = € 9.500 bruto.

2.18.

Ook de wettelijke verhoging is toewijsbaar. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van dit geval geen reden deze (al dan niet ambtshalve) te matigen. De kantonrechter neemt hierbij mede in aanmerking dat [eiser] op eigen kosten vanuit China naar Nederland is gekomen en dat hij voor zijn levensonderhoud op deze loonbetaling is aangewezen.

2.19.

Aan vakantiebijslag zal worden toegewezen 8% van € 9.500 = € 760 bruto.

2.20.

De gevorderde vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen zal de kantonrechter afwijzen, omdat deze geacht kunnen worden tijdens de periode van het niet verrichten van werkzaamheden te zijn opgenomen.

2.21.

De wettelijke rente over de loonbetalingen en de eindafrekening vakantiebijslag is eveneens toewijsbaar zoals hierna aan te geven. Ook de wettelijke rente over de wettelijke verhoging is toewijsbaar, omdat voldaan is aan het vereiste dat de werkgever in verzuim is geraakt na in gebreke te zijn gesteld, zoals dat ook geldt bij wettelijke rente over een boete, die krachtens een boetebeding is verbeurd (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6537).

2.22.

[achternaam van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3] wordt veroordeeld om de proceskosten van [eiser] te betalen, omdat zij de zaak heeft verloren. Deze kosten worden als volgt begroot:

  • -

    vastrecht € 83

  • -

    salaris gemachtigde € 600 (2 x tarief € 300)

  • -

    totaal € 683.

Ook de nakosten zijn als hierna aan te geven toewijsbaar.

De voorlopige voorziening

2.23.

Nu eindvonnis wordt gewezen behoeft de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening geen behandeling.

3 De beslissing

De kantonrechter:

de bodemzaak

3.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] V.O.F., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:

  1. an loon: € 1.900 bruto per maand over de maanden februari tot en met juni 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van steeds de eerste dag na het verstrijken van iedere maand tot de voldoening;

  2. aan vakantiebijslag: € 760 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot de voldoening;

  3. de wettelijke verhoging onder de onder a en b genoemde bedragen, waarbij als uitgangspunt geldt dat het loon steeds zonder ingebrekestelling opeisbaar is op de eerste dag na het verstrijken van iedere maand en de vakantiebijslag op 1 juli 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van opeisbaarheid tot de voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] V.O.F., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 683, waarin begrepen € 600 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] V.O.F., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 120 aan salaris gemachtigde;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

de voorlopige voorziening

3.6.

verstaat dat de gevorderde voorlopige voorziening buiten behandeling kan blijven.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.