Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3465

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
16-051793-20 (P) en 16-181884-17 (Tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met voorwaarden en een proeftijd van 2 jaren voor het plegen van zes auto-inbraken, waarvan twee met de medeverdachte, en het meermalen doorrijden na een ongeval waarbij schade is ontstaan. Tevens ontzegt de rechtbank verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden. Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot zware mishandeling en bedreiging van een politieambtenaar nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel te bedreigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-051793-20 (P) en 16-181884-17 (Tul)

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1998] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 juni 2020 en 12 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H.C. van Ooijen en van hetgeen verdachte en mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

Primair

op 25 februari 2020 te Utrecht, heeft geprobeerd [aangever 1] zwaar te mishandelen door met een personenauto een politievoertuig te rammen/aan te rijden/weg te duwen, terwijl [aangever 1] tussen het politievoertuig en een andere personenauto in stond en daardoor werd ingesloten/klemgereden;

Subsidiair

op 25 februari 2020 te Utrecht, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door met een personenauto tegen een politievoertuig aan te rijden terwijl die [aangever 1] tussen voertuigen werd ingesloten/klemgereden;

Feit 2:

op 25 februari 2020 te Utrecht, samen met een ander, door middel van braak een laptop enlaptoptas van [benadeelde 1] heeft gestolen door middel van braak;

Feit 3:

op 20 februari 2020 in Utrecht samen met een ander, studioflitser(s), accessoires, tas en koffer van [benadeelde 2] heeft gestolen door middel van braak;

Feit 4:

op 19 februari 2020 in Utrecht samen met een ander een e-reader, kleding, sleutel(s) en rugtas van [benadeelde 3] heeft gestolen door middel van braak;

Feit 5:

op 13 februari 2020 in Utrecht samen met een ander een HP-laptop, Samsung tablet, usb-stick(s) en tas van [benadeelde 4] heeft gestolen door middel van braak;

Feit 6:

op 11 februari 2020 in Utrecht samen met een ander een Ipad tablet, externe harddisk, paspoort en tas van [benadeelde 5] heeft gestolen door middel van braak;

Feit 7:

op 11 februari 2020 te Utrecht, samen met een ander, een laptop van [benadeelde 6] heeft gestolen door middel van braak;

Feit 8:

Op 25 februari 2020 te Utrecht betrokken was bij meerdere verkeersongevallen op/aan de Seinedreef, de Marnixlaan en de Marnixbrug en hij de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bij dat ongeval letsel en/of schade aan een ander was toegebracht.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 tot en met feit 8 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Ten aanzien van feit 1 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verdachte de aangever had moeten kunnen zien omdat hij in zijn achteruitkijkspiegel keek. Verdachte heeft het risico dat hij aangever zou raken bewust aanvaard. Met zijn handelingen heeft verdachte ook aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Er is geen sprake van overmacht.

Ten aanzien van de feiten 3 tot en met 7 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verklaring van verdachte hierover ongeloofwaardig is. De auto van verdachte wordt meermalen gezien op de camerabeelden en ook verdachte wordt herkend op de camerabeelden op basis van zijn uiterlijk en de kleding die overeenkomt met de andere auto-inbraken. Daarnaast komt de modus operandi overeen.

Ten aanzien van feit 8 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de omstandigheid dat verdachte overstuur was van het feit dat er op hem geschoten werd voor zijn rekening komt. Hij had al veel eerder de auto moeten stoppen in plaats van weg te rijden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

De verdediging is van oordeel dat er ten aanzien van feit 1 primair geen sprake is geweest van het vereiste voorwaardelijke opzet nu verklaringen en bewijs onvoldoende eenduidig zijn om van een aanmerkelijke kans op het verweten gevolg als in voorwaardelijk opzet te kunnen spreken. Er is geen sprake geweest van een bewuste aanvaarding van enig strafrechtelijk kwalificeerbaar gevolg. Verdachte heeft geen personen in de nabijheid van zijn voertuig waargenomen en heeft aangever [aangever 1] niet gezien. Om die reden dient vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair merkt de verdediging op dat om tot een bewezenverklaring te komen de wil van verdachte, in de zin van voorwaardelijk opzet, gericht moet zijn geweest op het teweeg brengen van enige vrees op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hier is geen sprake van. Verdachte heeft enkel en alleen het doel gehad om zich aan een aanhouding te onttrekken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging geen opmerkingen.

Ten aanzien van de feiten 3 tot en met 7 merkt de verdediging op dat verdachte niet de enige gebruiker is geweest van de Toyota Yaris met kenteken [kenteken] . De processen-verbaal van herkenningen geven aan dat er onvoldoende onderscheidende kenmerken waarneembaar zijn om buiten enige twijfel vast te stellen dat de persoon op de beelden daadwerkelijk verdachte betreft.

Ten aanzien van feit 8 stelt de verdediging zich op het standpunt dat voor enige aanrijding, en daarmee het verlaten van de plaats van het ongeval, met de Renault Megane onvoldoende bewijs voorhanden is. Verder merkt de verdediging op dat vier aanrijdingen hebben plaatsgevonden na het incident waarbij de auto van verdachte door politieambtenaren werd beschoten. Verdachte is er snel vandoor gegaan, uit angst dat het vuur opnieuw op hem en zijn voertuig geopend zou worden. Hij stond stijf van de stress en is zich onvoldoende bewust geweest van de aanrijdingen met de overige voertuigen, laat staan van de verplichting om te stoppen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair

Feit 1 primair

Aan verdachte is een poging zware mishandeling van [aangever 1] ten laste gelegd. Voor dit feit is vereist dat verdachte opzettelijk met zijn voertuig is ingereden op [aangever 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting niet worden afgeleid dat verdachte doelbewust is ingereden op [aangever 1] .

De rechtbank maakt uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting op dat verdachte op 25 februari 2020 probeerde te ontkomen aan de politie. Hij is hierbij met zijn auto gevlucht. Uit het procesdossier blijkt niet dat verdachte [aangever 1] naast zijn auto heeft zien staan op het moment dat hij met zijn auto achteruit reed. Ter zitting heeft verdachte ook verklaard dat hij [aangever 1] op dat moment niet heeft gezien. Uit deze handelingen kan dan ook niet worden afgeleid dat de verdachte de opzet had om [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er sprake was van voorwaardelijk opzet bij verdachte. Vooropgesteld moet worden dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens blootgesteld heeft aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Dit is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard en op de koop toegenomen. Voor die welbewuste aanvaarding is vereist dat de verdachte zich van het bestaan van de aanmerkelijke kans bewust was (zie ook ECLI:NL:HR:2012:BX5396 ).

Uit het procesdossier volgt dat verbalisant [verbalisant 1] en zijn collega met hun dienstvoertuig voor de auto van verdachte stonden. Achter de auto van verdachte stond de zwarte Volkswagen Golf van verbalisant [aangever 1] . Verbalisant [verbalisant 1] is vervolgens uitgestapt en naar de bestuurderszijde van de auto van verdachte gelopen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij met zijn linkerhand naar de hendel van het portier reikte maar daar geen grip op kreeg. Verdachte keek verbalisant [verbalisant 1] op dat moment met wijd openstaande ogen aan en zette de auto hierop direct in zijn achteruit. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat hij met volle snelheid achteruit reed. Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op het moment dat verdachte achteruit reed net was uitgestapt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [aangever 1] niet heeft gezien en alleen maar wilde wegkomen. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte [aangever 1] heeft gezien of dat het niet anders kan dan dat hij hem heeft gezien. Aangezien een dergelijke vaststelling wel noodzakelijk is voor het bewust aanvaarden van de kans op zwaar lichamelijk letsel bij [aangever 1] en dus een bewezenverklaring van hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, is de rechtbank - ondanks de impact en de gevolgen voor [aangever 1] , waarvan de rechtbank zich terdege bewust is - van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte om [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat er bij verdachte sprake is geweest van opzet op zware mishandeling, dan wel voorwaardelijk opzet hierop, zal zij verdachte vrijspreken van de poging tot zware mishandeling.

Feit 1 subsidiair

Omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte [aangever 1] heeft gezien of dat het niet anders kan dan dat hij hem heeft gezien, en ook uit de verklaring van verdachte niet blijkt dat de wil van verdachte gericht was op het teweeg brengen van enige vrees op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [aangever 1] , dient verdachte ook te worden vrijgesproken van de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling.

4.3.2

Bewezenverklaring feit 2

Verdachte heeft de onder feit 2 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 augustus 2020;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 25 februari 2020, genummerd PL0900-2020058914-1, inhoudende het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , mede namens rechtspersonen [rechtspersoon 1] en [rechtspersoon 2] , doorgenummerde pagina’s 26 tot en met 29.

4.3.3

Bewezenverklaring feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7 en feit 8

Bewijsmiddelen 1

Feit 3

[benadeelde 2] heeft aangifte gedaan en het volgende verklaard:

‘Er is 20 februari 2020 in mijn auto ingebroken die stond geparkeerd in de Vechtse- banen garage te Utrecht. De achterruit van mijn Skoda Octavia is ingetikt en er zijn twee zaken ontvreemd mijn tas en een koffer met daarin twee professionele studioflitsers en accessoires.’2

In het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden wordt door de verbalisant het volgende verklaard:

‘Ik zie dat beide personen een lamp in hun hand hebben en hiermee in de auto's schijnen. Ik zie dat zij zelf ondertussen in de auto's kijken. Ik kan de eerste persoon als volgt omschrijven: Licht getinte huidskleur, donkerkleurige muts, grijs vest
met een zwart logo op de linkerborst, donkerkleurige jas, blauwe spijkerbroek, grijze schoenen. Ik zal deze persoon in de rest van dit proces verbaal aanduiden als NN1. Ik kan de tweede persoon als volgt omschrijven: licht getinte huidskleur, grijze muts, zwarte jas, beige/kakikleurige broek, witte schoenen met zwarte accenten.3
- Ik zie dat hij met zijn rechterhand op de achterruit slaat van stationwagon. Ik zie dat hij dit een(1) keer doet en 1, dat hij vervolgens zijn arm door het raam in het voertuig steekt. Ik zie dat NN1 enkele seconden lang met zijn armen in het voertuig zit. Hij maakt met zijn lichaam een aantal bewegingen op en neer. Ik zie dat hij er na enkele seconden een zwart kleurige, aan een koffer gelijkend, voorwerp uit de kofferbak van de auto haalt. Ik zie vervolgens dat hij nog een zwart, aan een tas gelijkend, voorwerp uit het voertuig pakt.4
- Op de camerabeelden zie ik dat ongeveer 10 seconden later de zwarte Toyota Yaris achter de muur het beeld in komt rijden. Ik zie dat het kenteken van het voertuig [kenteken] is. Ik zie dat er in ieder geval twee personen in het voertuig zitten.’5

De verklaring van de verdachte ter zitting: ik ben de eigenaar van de Toyota Yaris met kenteken [kenteken] .

Feit 4

[benadeelde 3] heeft aangifte gedaan en hij heeft het volgende verklaard’

Op 19 februari 2020, parkeerde ik de auto op een parkeerplaats in Utrecht. Ik had mijn zwarte rugzak met daarin mijn sportkleding en e-reader achtergelaten op de grond voor de passagiersstoel, naast de bestuurdersstoel. Op dezelfde dag, omstreeks 21:10 uur, kwam ik terug bij de genoemde personenauto. Ik zag dat de rechtervoorruit aan de passagierszijde was vernield. Ik zag namelijk een grote gat in de ruit en dat er glas op de grond lag. Toen ik in de auto rondkeek, zag ik dat mijn zwarte rugtas was weggenomen. Ik zag ook dat de binnenkant

van de deur was beschadigd.’6

Goederenbijlage behorende bij de aangifte: huissleutels7

Verbalisant [verbalisant 2] heeft de camerabeelden van de ingebouwde camera in de auto van aangever bekeken en hij heeft het volgende verklaard:

‘Er rijdt op de weg een zwartkleurige auto met daarin twee personen. De auto rijdt achteruit, waarop het volgende zichtbaar werd: de auto betreft een zwartkleurige Toyota Yaris met kenteken [kenteken] .’8 Persoon 2 bevindt zich dicht op de auto van de aangever. Er vallen op dat moment ook glasscherven vanaf de auto naar beneden. Persoon 2 trekt met beide handen een tas uit de auto van de aangever.’9

Verbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingen het volgende verklaard:

Op dinsdag 17 maart 2020, kreeg ik een e-mail van een collega met daarin het verzoek tot herkenning van twee verdachten. Ik zag dat er 4 foto's in deze mail stonden afgebeeld. Ik zag dat er per verdachte 2 foto's waren meegestuurd. Ik herkende verdachte 1. Verdachte 1 is volledig genaamd: [verdachte] Ik heb in de afgelopen jaren meerdere keren contact gehad met [verdachte] . Ik heb hem regelmatig op straat gesproken. Mijn laatste contact was op 25 februari 2020.’10

Feit 5:

[benadeelde 4] heeft mede namens Leaseplan Nederland en [benadeelde 7] B.V. aangifte gedaan en hij heeft het volgende verklaard:

‘Pleegplaats: UTRECHT
Tijdstip geconstateerd 13-02-2020 21:35
Twee autoruiten ingeslagen van de auto van Leaseplan die ik via mijn werkgever heb. Laptop HP pro book met tas en koffer met daarin tablet en een groot aantal, 30 a 40, usb sticks gestolen.’11

Verbalisant heeft de camerabeelden bekeken en hij heeft het volgende verklaard:

‘Op de camerabeelden zie ik dat er een personenauto, met kenteken [kenteken] Toyota Yaris, de parkeergarage binnen komt rijden.12 Op de camerabeelden zie ik dat er twee personen uit de Toyota Yaris zwart kleur stappen. Ik zie dat de persoon die aan de bestuurderszijde uitstapt de volgende kleding draagt: donkerkleurige hoofddeksel, grijze trui, donkerkleurige jas, lichtblauwe broek. Ik zie dat de persoon die aan de bijrijderszijde uitstap volledig in het donker is gekleed. Ik zie dat de beide personen naar de witte stationwagon lopen. Ik zie dat, de persoon die aan de bijrijderszijde uitstapte met zijn rechterhand tegen de
linker achterruit van de witte stationwagon aan slaat. Ik zie dat de ruit van de witte stationwagon verbreekt. Ik zie dat de persoon die zojuist aan de bestuurderszijde uitstapte met zijn rechterarm door de verbroken ruit heen de auto in gaat. Ik zie dat hij vervolgens zijn arm weer uit de auto haalt. Ik zie dat hij nu een donkerkleurige aan een handtas gelijkend voorwerp in zijn rechterhand heeft. Ik zie dat hij naar de zwarte Toyota Yaris toeloopt en dit voorwerp achter op de bank van de auto neer legt.’13

De verklaring van de verdachte ter zitting: ik ben de eigenaar van de Toyota Yaris met kenteken [kenteken] .

Feit 6 en feit 7:

[benadeelde 5] heeft aangifte gedaan en hij heeft het volgende verklaard:

‘Pleegplaats: [adres] [woonplaats] .
Tijdstip geconstateerd 11-02-2020 20:45
Auto (VW Golf) stond geparkeerd in de parkeergarage van de Vechtsebanen te Utrecht ( [adres] [woonplaats] . Rond 21:00 uur kreeg ik te horen van de beveiliging dat er was ingebroken in mijn auto (kenteken: [kenteken] ). Zijruit achter bestuurderskant ingeslagen en mijn werktas is gestolen met hierin waardevolle spullen.’

Paspoort- gestolen

Tablet-gestolen, apple ipad,

Diskdrive-gestolen, externe hardDisk14

[benadeelde 6] heeft aangifte gedaan en hij heeft het volgende verklaard:

‘Pleegplaats: [adres] [woonplaats] ,
Tijdstip geconstateerd 11-02-2020 21:30
in de parkeer garage van de Vechtse Banen. Tijdens de periode tussen 18:00 uur en 21:30 is er ingebroken in mijn auto. In mijn Audi Al ( [kenteken] ) is mijn rechter zijruit ingeslagen en een laptop meegenomen.’15

Uit het proces-verbaal van bevindingen van het uitkijken van de camerabeelden blijkt het volgende:

‘Ik zie dat een personenauto de parkeergarage binnen komt rijden. De personenauto betreft een Toyota Yaris zwart van kleur. Op de beelden zie ik dat in de auto twee personen zitten. De eerste verdachte, hierna aangeduid als VE 1, bestuurt de personenauto. Op de beelden is te zien dat VEI een donkerkleurige jas aan. Boven zijn jas komt een grijskleurige capuchon uit. De persoon op de bijrijdersstoel, hierna
aangeduid als VE2, is niet goed zichtbaar op de beelden. Wel zie ik dat VE2 een zwartkleurige jas aan heeft met een wit logo op de borst.16
Twee personen stappen uit het voertuig.
Op de beelden zie ik dat de personenauto [kenteken] weg rijdt van de parkeerplek. Op dit fragment is het kenteken van de personenauto goed leesbaar.
Op de beelden zie ik dat VEI weer binnen het zicht van camera komt lopen. Hierbij is VE 1 goed zichtbaar. VE 1 heeft een licht getinte huidskleur, draagt een donkerkleurige jas hier onderuit komt een grijze capuchon, een donkerkleurige muts met groene accenten, een donkerkleurige broek en grijze schoenen. VEI loopt langs een zwartkleurige Audi met het kenteken [kenteken] . Op de beelden zie ik dat VE 1 langs dit voertuig loopt. Op het moment dat hij hier langs loopt steekt hij zijn hand op.17 (…)

Op de beelden zie ik V2 en Vl wegrennen. Ik zie dat de knipperlichten van de
zwartkleurige Volkswagen constant aan en uit gaan. Ik zie dat VE2 een donkerkleurig, aan een tas gelijkend voorwerp, in zijn rechterhand vast houdt. Ik zie dat VE 1 rechts uit het beeld weg rent. Ik zie dat VE2 in de richting rent van de Audi [kenteken] . Op de camerabeelden zie ik dat V2 naar de Audi [kenteken] rent. Ik zie dat hij met zijn linkerhand de tas over pakt uit zijn rechterhand. Op de beelden zie ik dat VE2 voor ongeveer 2 seconden naast de Audi staat. Ik zie dat.hij vervolgens richting de plek rent waar de zwartkleurige Toyota Yaris voor het laatst zichtbaar was op beeld.’18

Verbalisant [verbalisant 1] heeft naar aanleiding van de camerabeelden als volgt verklaard:

‘Op zaterdag 15 februari zag ik een email van een collega waarin werd gevraagd om een herkenning van een verdachte/verdachten van een autoinbraak. Deze inbraak zou gepleegd zijn op 11 februari 2020.

Ik herkende de man die bij de parkeerautomaat stond. Dit betreft de getinte man met het zwarte mutsje en de donkere kleding. Verder zag ik dat deze man een grijze capuchon had en grijze schoenen droeg.

Ik herkende de man direct als de mij ambtshalve bekende verdachte als genoemd onder aan dit proces verbaal. Ik herken de verdachte aan de vorm van zijn gezicht en zijn ogen.

Verdachte : [verdachte] , geboren op [1998] te [geboorteplaats] .’19

Bewijsoverweging feit 3 tot en met feit 7

De rechtbank stelt, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, vast dat verdachte, samen met een ander, meerdere autokraken heeft gepleegd. De rechtbank stelt vast dat de auto van verdachte met kenteken [kenteken] steeds op de plaatsen delict is gezien. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat deze auto van hem is, maar dat hij zijn auto regelmatig uitleende. Nu verdachte over het uitlenen verder geen uitleg of toelichting heeft willen geven, acht de rechtbank het uitlenen van de auto ten tijde van de autokraken niet geloofwaardig. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte meermalen op camerabeelden wordt herkend door verbalisanten die hem kennen van hun werk. Tevens komt de kleding van verdachte bij verschillende inbraken overeen, vinden alle autokraken plaats in een korte periode van anderhalve week in de wijk Overvecht en komt de modus operandi van verdachte en zijn mededader bij de inbraken overeen.

Feit 8:

De verklaring van verdachte ter zitting zakelijk weergegeven:

Op 25 februari 2020 in Utrecht werd ik bij het stoplicht klem gereden door twee

politieagenten. Ik heb mijn auto in de achteruit gezet, gekeerd en ben weggereden. Ik heb daarbij een andere auto geschaafd.

Namens de politie is aangifte gedaan en verbalisant [verbalisant 4] heeft het volgende verklaard:

‘Op 25 februari 2020 werd ons dienstvoertuig, een Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] , gebruikt bij politiewerk, en bestuurd door een politieambtenaar in reguliere diensttijd. Ik gaf hoofdagent [hoofdagent] vervolgens de opdracht foto's te maken van het beschadigde dienstvoertuig, deze voeg ik bij deze aangifte. Degene die betrokken is geweest bij het genoemde verkeersongeval of door wiens gedraging dit verkeersongeval is veroorzaakt, heeft de plaats van het verkeersongeval verlaten. Deze persoon heeft zijn of haar identiteit voor zover hij of zij een motorrijtuig bestuurde niet bekend gemaakt, en ook niet, de identiteit van dat motorrijtuig. Door het ongeval is schade en/of letsel toegebracht.’20

PV bevindingen verbalisant [verbalisant 5]21

Ik zag dat de verdachte keihard tegen de auto van mijn collega [aangever 1] reed.

[aangever 2] heeft aangifte gedaan van vernieling van zijn auto en in zijn aangifte wordt verwezen naar zijn getuigenverklaring. In deze verklaring heeft hij het volgende verklaard:

‘Op 25 februari 2020, omstreeks 16.30 uur, reed ik over de Seinedreef in

Utrecht.22 (…) Terwijl hij hard naar achteren reed, zag en hoorde ik de bestuurder met de zwarte auto hard tegen mijn auto en tegen de auto achter mij reed. Ik zag dat hij hierbij met de linkerzijde van zijn auto de gehele rechterzijde van mijn auto raakt. Ik ben in bezit van een personenauto van het merk Opel Astra. Kenteken van mijn auto is: [kenteken] . De gehele rechterzijde van mijn auto is geheel beschadigd.’23

[aangeefster 1] heeft aangifte gedaan ter zake verlaten plaats ongeval na het veroorzaken van een verkeersongeval en in haar aangifte wordt verwezen naar haar getuigenverklaring. In deze verklaring heeft zij het volgende verklaard:

‘Ik heb een Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [kenteken] .24 Ik zie vervolgens dat de linker voorportier van de zwarte auto mijn auto raakte aan
de rechterkant. Hierdoor is schade ontstaan aan de gehele rechter zijkant van mijn auto. Tevens zie ik later dat ook de rechter achterband lek is.’25

[aangeefster 2] heeft mede namens [bedrijf 2] aangifte gedaan en zij heeft het volgende verklaard:

‘Ik werk als chauffeur op een Mercedes Benz Sprinter. Op dinsdag 25 februari 2020 omstreeks 16:30 uur reed ik over de Marnixlaan te Utrecht. De bus die ik die dag reed had het kenteken [kenteken] . Toen ik keek werd mijn bus aan de linker voorkant op het voorwiel aangereden. Ik zag dat het om een zwarte Toyota Yaris ging, de bestuurder heb ik niet kunnen zien.
De Yaris wrong zich tussen mijn bus en mijn voorligger door en reed de eerste straat rechts in, tegen de richting in. Ik ben uitgestapt en zag dat mijn bus over de gehele linker zijkant beschadigd was en dat het linker voorwiel scheef onder mijn bus stond26. De bestuurder van de Yaris is niet blijven staan om mij zijn gegevens te geven.’27

[aangever 3] heeft aangifte gedaan en het volgende verklaard:

‘Op 25 februari 2020 bevond ik mij op de Marnixlaan in Utrecht. Ik reed in

mijn Audi voorzien van Bulgaarse kentekenplaten en voorzien van het kentekennummer [kenteken] .

Ik hoorde en voelde dat een ander voertuig mijn voertuig raakte aan de rechterzijde. Hierna ben ik uitgestapt en zag ik dat ik schade had aan de achterbumper, rechterzijde. Ook de parkeersensor die bevestigd is aan de achterbumper is defect als gevolg van het incident. Het betreft een zwarte Toyota [kenteken] . Bestuurder heeft plaats ongeval verlaten.’28

[aangeefster 3] heeft aangifte gedaan en zij heeft het volgende verklaard:

‘Ik ben eigenaar van een grijze Peugeot 107, voorzien van het kenteken [kenteken] .

Op 25 februari 2020 reed ik op Marnixlaan te Utrecht toen ik opeens een duw voelde. Ik werd door een andere auto schuin van achteren geraakt aan de bestuurderskant. In plaats van te stoppen reed hij door. Ik zag dat de andere auto een

zwarte Toyota Yaris betrof met het kenteken [kenteken] . Ik zag dat ik wel schade aan mijn voertuig had. Ik zag dat er krassen en deuken rondom mijn linker achterwiel en het linker achter portier zaten.’29

[aangever 4] heeft, mede namens [bedrijf 1] B.V., aangifte gedaan en hij heeft het volgende verklaard:

‘Op 25 februari 2020 stond ik over de Marnixbrug. Ik bestuurde de bedrijfswagen. Een Ford Transit, kleur wit en met het kenteken [kenteken] . Ik hoorde plotseling een schavend geluid. De auto bewoog heen en weer.30 Ik zag dat de auto doorreed. Ik zag

toen een autootje waarschijnlijk een zwarte Toyota Yaris. Ik doe aangifte van verlaten plaats ongeval dit is ook nodig om de schade aan de bedrijfswagen te kunnen verhalen.’31

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte meerdere plaatsen van ongeval heeft verlaten terwijl hij wist of moest vermoeden dat er schade was aan een ander. Uit de bewijsmiddelen in samenhang bezien volgt dat verdachte op de Seindedreef, zijn auto heeft gekeerd en daarbij de VW Golf van verbalisant [aangever 1] , de Opel van [aangever 2] en de VW Polo van [aangeefster 1] heeft beschadigd. Daarna heeft hij zijn weg vervolgd over de Marnixlaan en de Marnixbrug en heeft daar meerdere voertuigen beschadigd. Twee van de vier aangevers hebben daarbij het kenteken van de auto van verdachte gezien, en twee aangevers hebben gezien dat het een Toyota Yaris betrof. Daarmee staat voor de rechtbank voldoende vast dat het verdachte is geweest die die ongevallen/schade heeft veroorzaakt.

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het verlaten van een plaats ongeval ten aanzien van de Renault Megane van [A] , nu niet is vast te stellen dat de schade aan die auto ook is veroorzaakt door verdachte.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 2

op 25 februari 2020 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, een laptop en een laptoptas, dat geheel

toebehoorde aan [benadeelde 1] , hebben weggenomen terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

Feit 3

op 20 februari 2020 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, meerdere studioflitsers en bijbehorende accessoires en een tas en een koffer, dat geheel aan [benadeelde 2] toebehoorde, hebben weggenomen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

Feit 4

op 19 februari 2020 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, een e-reader en meerdere kledingstukken en meerdere sleutels en een (rug)tas, dat geheel of aan [benadeelde 3] toebehoorde, hebben weggenomen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

Feit 5

op 13 februari 2020 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, een laptop (merk HP) en een tablet (merk Samsung) en meerdere usb-sticks en een tas, toebehorende aan [benadeelde 4] , hebben

weggenomen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

Feit 6

op 11 februari 2020 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, een tablet (iPad) en een externe HardDisk en een paspoort en een tas, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde 5] , hebben weggenomen,

terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van

braak;

Feit 7

op 11 februari 2020 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, een laptop (merk HP), toebehorende aan [benadeelde 6] , hebben weggenomen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

Feit 8

als degene dieals bestuurder van een motorrijtuig, te weten een Toyota Yaris (gekentekend [kenteken] ), betrokken was geweest bij meerdere verkeersongevallen die hadden plaatsgevonden op meerdere tijdstippen op 25 februari 2020 te Utrecht op/aan

- de Seinedreef met een politievoertuig (Volkswagen Golf, gekentekend [kenteken] ) en een personenauto (Opel Astra, gekentekend [kenteken] ) en een personenauto (Volkswagen Polo, gekentekend [kenteken] )

en

- de Marnixlaan met een bus (Mercedes Sprinter, gekentekend [kenteken] ) en een personenauto (Audi, gekentekend [kenteken] ) en een personenauto (Peugeot 107, gekentekend [kenteken] ) en

- de Marnixbrug met een autobus (Ford Transit, gekentekend [kenteken] ),

de voornoemde plaatsen van vorenbedoelde ongevallen heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, schade was toegebracht aan een ander, te weten

- [aangever 4] en [bedrijf 1] B.V. (Ford Transit, getekend [kenteken]

) en

- [aangeefster 1] (Volkswagen Polo, gekentekend [kenteken] ) en

- de Politie (Volkswagen Holf, gekentekend [kenteken] ) en

- [aangever 3] (Audi, gekentekend [kenteken] ) en

- [aangever 2] (Opel Astra, gekentekend [kenteken] ) en

- [aangeefster 2] en [bedrijf 2] (Mercedes Sprinter, gekentekend [kenteken] ) en

- [aangeefster 3] (Peugeot 107, gekentekend [kenteken] );

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7:

Telkens, diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Feit 8:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd.

Verdachte staat open voor gedragsverandering, hij kan beter reflecteren op zijn eigen gedrag en is gemotiveerd om met de adviezen aan de slag te gaan. Inmiddels heeft er een succesvolle intake plaatsgevonden bij Fivoor en zij willen verdachte ondersteunen middels een behandeling en bij het regelen van praktische zaken. Verdachte hoopt in september 2020 met een opleiding te kunnen starten. De verdediging verzoekt, indien de rechtbank een gevangenisstraf oplegt, een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. De eis van de officier van justitie staat niet in verhouding tot de straffen die doorgaans worden opgelegd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan zes auto-inbraken. Daarnaast heeft verdachte zeven keer een plaats van ongeval verlaten nadat hij had moeten weten dat hij schade had veroorzaakt. Dit zijn nare feiten die veel overlast en schade veroorzaken bij de slachtoffers. Met zijn handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen en hij heeft bij het plegen van de autokraken enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 29 juli 2020. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar in ieder geval voor zeven diefstallen, waarvan in ieder geval vijf autokraken, is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 21 april 2020, opgesteld door J.M. Bremer, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico inschat als hoog. Risicoverhogende factoren vormen het sociaal netwerk van betrokkene, het gebrek aan een structurele dagbesteding en het gebrek aan financiële middelen. Uit het reclasseringsadvies van 2 juli 2020, opgesteld door J.M. Bremer, volgt dat de reclassering bij een veroordeling bijzondere voorwaarden adviseert.

Strafmaatverweer

De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dat derhalve in ieder geval strafvermindering op zijn plaats is.

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast dat bij de poging tot aanhouding van verdachte door politieambtenaren is geschoten. De rechtbank kan op basis van dit dossier niet vaststellen of er onrechtmatig is geschoten en of er om die reden sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, maar de rechtbank benadrukt dat dat voor de uitkomst van onderhavige zaak geen verschil maakt. De rechtbank zal in de strafmaat wel rekening houden met het feit dat er op de auto van verdachte is geschoten ten tijde van het wegvluchten van verdachte en dat het aannemelijk is dat hij daardoor is geschrokken.

Strafoplegging

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezen verklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten.

Voor een diefstal uit een auto is volgens de richtlijn het uitgangspunt bij veelvuldige recidive, waar de rechtbank vanuit gaat gelet op het strafblad van verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden. Verdachte wordt veroordeeld voor 6 diefstallen uit auto’s in samenwerkingsverband en de rechtbank ziet voor de oplegging van de straf geen aanleiding om af te wijken van de richtlijnen. Wel ziet de rechtbank, gelet op het reclasseringsadvies, reden om een klein deel daarvan voorwaardelijk op te leggen.

Nu er geen oriëntatiepunten voor het doorrijden na een ongeval zijn vastgesteld houdt de rechtbank rekening met de straffen die voor deze feiten worden opgelegd in vergelijkbare zaken. De rechtbank is van oordeel dat een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. Gelet op het feit dat er ten tijde van het wegvluchten is geschoten op de auto van verdachte, en op dit moment niet is vast te stellen of er daadwerkelijk sprake was van een vormverzuim, zal de rechtbank de ontzegging van de rijbevoegdheid verminderen naar 12 maanden.

Conclusie

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een gedeelte van 2 maanden van deze gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, waarbij een proeftijd van 2 jaren wordt vastgesteld. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die door de reclassering zijn geadviseerd, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandelverplichting, het volgen van een opleiding, het meewerken aaneen referentenonderzoek en een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] .

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de raadsman tot opheffing dan wel schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.

9 BENADEELDE PARTIJ

Feit 1

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 5.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit.

Feit 2

[rechtspersoon 2] B.V. heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 385,97. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde feit.

Feit 4

[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 750,00. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde feit.

Feit 5

[benadeelde 7] B.V. heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 351,21. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 5 ten laste gelegde feit.

Feit 6

[benadeelde 5] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.097,96. Dit bedrag bestaat uit € 897,96 materiële schade en € 200,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 6 ten laste gelegde feit.

Feit 8

[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.214,38. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 8 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vorderingen geheel toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om de vorderingen van [aangever 1] , [benadeelde 3] , [benadeelde 7] en [benadeelde 5] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering nu de verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde feiten.

Feit 1

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering van [aangever 1] te matigen.

Feit 2

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering van [rechtspersoon 2] BV niet-ontvankelijk te verklaren nu er sprake is van een formeel gebrek omdat het verzoek tot schadevergoeding onvolledig is ingevuld.

Feit 4

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering van [benadeelde 3] niet-ontvankelijk te verklaren nu de vordering miniem is ingevuld en niet is onderbouwd.

Feit 5

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering van [benadeelde 7] BV niet-ontvankelijk te verklaren nu er sprake is van een formeel gebrek omdat niet duidelijk is of diegene die het verzoek tot schadevergoeding heeft ondertekend ook gemachtigd is om namens de eigenaar op te treden.

Feit 6

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering van [benadeelde 5] ten aanzien van de materiële schade te matigen nu er veelal nieuwwaardes worden gevorderd.

Feit 8

De verdediging heeft verzocht de gevorderde schade van [aangever 3] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel aanzienlijk te matigen. De dagwaarde van de auto is verwaarloosbaar en het is niet aannemelijk dat er nog voor € 1.200,00 gerepareerd zal worden.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De benadeelde partij [aangever 1] heeft een vordering ingediend en vordert immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde.

De rechtbank zal [aangever 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu verdachte van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Feit 2

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij [rechtspersoon 2] B.V. als gevolg van het onder feit 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag.

Uit de aangifte volgt dat [rechtspersoon 2] B.V. eigenaar was van het voertuig. Het schadebedrag van

€ 385,97 voor schade aan het voertuig is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk en komt de rechtbank niet te hoog voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de gehele vordering zal worden toegewezen.

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van de benadeelde partij [rechtspersoon 2] B.V. aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 385,97 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 februari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 7 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Hoofdelijkheid

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Feit 4

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van het onder feit 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de volgende materiële posten voor vergoeding in aanmerking komen:

- Reparatie auto: € 300,00

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het door verdachte gepleegde feit. Hoewel deze schadepost niet is onderbouwd door middel van een bon of offerte, acht de rechtbank het gevorderde bedrag aannemelijk en zal het gehele bedrag toewijzen.

- Tas: € 50,00

Nu uit het verzoek tot schadevergoeding niet blijkt wat de dagwaarde van de tas was en het om een meer dan gering bedrag gaat, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het schadebedrag bepalen op € 50,00.

- Schoenen: € 50,00

Nu uit het verzoek tot schadevergoeding niet blijkt wat de dagwaarde van de schoenen was en het om een meer dan gering bedrag gaat, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het schadebedrag bepalen op

€ 50,00.

- Kindle e-reader: € 85,00

Nu uit het verzoek tot schadevergoeding niet blijkt wat de dagwaarde van de Kindle e-reader was en het om een meer dan gering bedrag gaat, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het schadebedrag bepalen op

€ 85,00.

- Sportkleding: € 40,00

Nu uit het verzoek tot schadevergoeding niet blijkt wat de dagwaarde van de sportkleding was en het om een meer dan gering bedrag gaat, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het schadebedrag bepalen op € 40,00.

Totaal: € 525,00

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 525,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 19 februari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Hoofdelijkheid

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Feit 5

Ter terechtzitting heeft de verdediging de vraag opgeworpen of [B] namens [benadeelde 7] B.V. bevoegd was om het verzoek tot schadevergoeding in te dienen en te ondertekenen. De rechtbank is van oordeel dat enig concreet bezwaar tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [B] ontbreekt. Nu er geen aanwijzingen zijn van het tegendeel gaat de rechtbank ervan uit dat [B] bevoegd was tot het indienen van de vordering namens [benadeelde 7] B.V.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 7] B.V. als gevolg van het onder feit 6 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag. Uit de aangifte volgt dat er goederen waarvan [benadeelde 7] B.V. eigenaar was, zijn weggenomen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Nu uit het verzoek tot schadevergoeding niet blijkt wat de dagwaarde van de Galaxy tablet was en het om een meer dan gering bedrag gaat, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het schadebedrag bepalen op € 175,00.

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 7] B.V. aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 175,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 februari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 3 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Hoofdelijkheid

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Feit 6

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van het onder feit 6 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Materiele schade

De rechtbank is van oordeel dat de volgende materiële posten voor vergoeding in aanmerking komen:

- Apple i-Pad 32 GB inclusief hoes en cover: € 226,18

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het door verdachte gepleegde feit. Daarnaast zijn de kosten voldoende onderbouwd door een bon bij het verzoek tot schadevergoeding. Gelet op het feit dat de i-Pad in oktober 2017 is aangeschaft zal de rechtbank voor het vaststellen van de dagwaarde rekening houden met een afschrijvingspercentage van 20% per jaar, na het eerste jaar, zodat een bedrag van € 226,18 zal worden toegewezen.

- HP Netvoeding: € 40,90

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd met een bon. Hoewel de rechtbank constateert dat het hier gaat om een bon van een nieuw product en zij niet kan vaststellen wat de dagwaarde van het product was, zal zij, gelet op de geringe en aannemelijke waarde van het product, het gehele bedrag toewijzen.

- Paspoort: € 73,20

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het door verdachte gepleegde feit. Daarnaast zijn de kosten voldoende onderbouwd door een bon bij het verzoek tot schadevergoeding.

- Laptoptas: € 52,95

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd met een bon. Hoewel de rechtbank constateert dat het hier gaat om een bon van een nieuw product en zij niet kan vaststellen wat de dagwaarde van het product was, zal zij, gelet op de geringe en aannemelijke waarde van het product, het gehele bedrag toewijzen.

- Eigen risico schade auto: € 300,00

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het door verdachte gepleegde feit. Daarnaast zijn de kosten voldoende onderbouwd door een bon bij het verzoek tot schadevergoeding.

- Portable harddisk: € 53,95

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd met een bon. Hoewel de rechtbank constateert dat het hier gaat om een bon van een nieuw product en zij niet kan vaststellen wat de dagwaarde van het product was, zal zij, gelet op de geringe en aannemelijke waarde van het product, het gehele bedrag toewijzen.

Totaal: € 747,18

Immateriële schade

De benadeelde partij zal in de vordering tot immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding.

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 747,18, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 februari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 14 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Hoofdelijkheid

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Feit 8

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat [aangever 3] als gevolg van het feit 8 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aangifte van [aangever 3] duidelijk blijkt dat er schade is ontstaan aan zijn auto. [aangever 3] heeft zijn verzoek tot schadevergoeding onderbouwd met een offerte waaruit blijkt dat de kosten om de schade te herstellen worden geschat op

€ 1.214,38. Dat de dagwaarde van de auto eventueel lager ligt dan dit bedrag doet hier niet aan af nu de schade van de benadeelde partij dient te worden vergoed zodat deze in dezelfde staat kan worden gebracht als voor het delict.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, de vordering tot het bedrag van € 1.214,38 aan materiële schade toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 februari 2020 tot de dag van volledige betaling.

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.214,38, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 februari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 22 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij de stukken bevindt zich de op 29 april 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland, in de zaak met parketnummer 16-181884-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 12 december 2017 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een mededeling voorwaardelijke veroordeling van 17 januari 2019 waaruit de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, blijkt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten, waarbij de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, gelet op de leeftijd van verdachte, zal worden omgezet in gevangenisstraf, ingevolge artikel 6:6:29 van het Wetboek van Strafvordering.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    7, 179 van de Wegenverkeerswet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich binnen drie dagen na zijn invrijheidstelling meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* meewerkt aan een intake bij de forensische poli van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener. Verdachte laat zich indien geïndiceerd behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra Fivoor dit aangeeft. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

* gedurende de proeftijd meewerkt aan het hebben van een dagbesteding bijvoorbeeld een opleiding in combinatie met werk;

* verdachte geeft toestemming voor en werkt mee aan het raadplegen van referenten die door de reclassering van belang worden geacht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

* op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met medeverdachte [medeverdachte] , geboortedatum [1993] te [geboorteplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12

maanden.

Vorderingen benadeelde partijen

Feit 1 - Benadeelde partij [aangever 1]

- verklaart [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan

worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Feit 2 - Benadeelde partij [rechtspersoon 2] B.V.

  • -

    wijst de vordering van [rechtspersoon 2] B.V. toe tot een bedrag van € 385,97, bestaande uit materiële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [rechtspersoon 2] B.V. van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [rechtspersoon 2] B.V. aan de Staat

€ 385,97 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020 tot de

dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting

worden aangevuld met 7 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de

betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als

hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel

aan de Staat heeft vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden

begroot op nihil;

Feit 4 - Benadeelde partij [benadeelde 3]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 525,00, bestaande uit materiële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2020 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 3] voor wat betreft het meer gevorderde af;

  • -

    bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat

€ 525,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2020 tot de

dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting

worden aangevuld met 10 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de

betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als

hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel

aan de Staat heeft vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden

begroot op nihil;

Feit 5 - Benadeelde partij [benadeelde 7] B.V.

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 7] B.V. toe tot een bedrag van € 175,00, bestaande uit materiële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 7] B.V. van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 7] B.V. voor wat betreft het meer gevorderde af;

  • -

    bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 7] B.V. aan de Staat € 175,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 3 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als

hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel

aan de Staat heeft vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden

begroot op nihil;

Feit 6 - Benadeelde partij [benadeelde 5]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 5] toe tot een bedrag van € 747,18, bestaande uit materiële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2020 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 5] voor wat betreft het meer gevorderde af;

  • -

    bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 5] aan de Staat € 747,18 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 14 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als

hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel

aan de Staat heeft vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden

begroot op nihil;

Feit 8 - Benadeelde partij [aangever 3]

  • -

    wijst de vordering van [aangever 3] toe tot een bedrag van € 1.214,38, bestaande uit materiële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangever 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2020 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever 3] aan de Staat € 1.214,38 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 22 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als

hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel

aan de Staat heeft vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden

begroot op nihil;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 12 december 2017

(parketnummer 16-181884-17) opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een

Jeugddetentie, te vervangen door een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

Voorlopige hechtenis

- wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mrs. L.C. Michon en H.J. ter Meulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 augustus 2020.

Mr. H.J. ter Meulen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Utrecht, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met een personenauto (Toyota Yaris) een politievoertuig (Volkswagen

Golf) met (hoge) snelheid heeft geramd en/of tegenaan is gereden en/of

(daardoor) die Volkswagen Golf (met kracht) (naar achteren) heeft

(weg)geduwd, terwijl die [aangever 1] tussen die Volkswagen Golf en een andere

personenauto in stond en/of (daardoor) tussen die laatstgenoemde

voertuigen werd ingesloten en/of (vervolgens) werd klemgereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van

Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Utrecht, althans in Nederland,

[aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of

met zware mishandeling, door met een personenauto (Toyota Yaris) een politievoertuig

(Volkswagen Golf) met (hoge) snelheid te rammen en/of tegenaan te

rijden en/of (daardoor) die Volkswagen Golf (met kracht) (naar achteren) (weg) te

duwen, terwijl die [aangever 1] tussen die Volkswagen Golf en een andere

personenauto in stond en/of (daardoor) tussen die laatstgenoemde

voertuigen werd ingesloten en/of (vervolgens) werd klemgereden;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Feit 2

hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Utrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

een laptop en/of een laptoptas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1] ,

heeft/hebben weggenomen terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen

goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

Feit 3

hij op of omstreeks 20 februari 2020 te Utrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

een of meerdere studioflitser(s) en/of bijbehorende accessoires en/of

een tas en/of een koffer, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele

aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde,

te weten aan [benadeelde 2] , heeft/hebben weggenomen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen

goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

Feit 4

hij op of omstreeks 19 februari 2020 te Utrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

een e-reader en/of een of meerdere kledingstuk(ken) en/of een of

meerdere sleutel(s) en/of een (rug)tas, in elk geval enig goed, dat geheel

of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [benadeelde 3] , heeft/hebben weggenomen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen

goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

Feit 5

hij op of omstreeks 13 februari 2020 te Utrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

een laptop (merk HP) en/of een tablet (merk Samsung) en/of een of

meerdere usb-stick(s) en/of een tas, in elk geval enig goed, dat geheel of

ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [benadeelde 4] , heeft/hebben

weggenomen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen

goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

Feit 6

hij op of omstreeks 11 februari 2020 te Utrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

een tablet (iPad) en/of een externe HardDisk en/of een paspoort en/of

een tas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 5]

, heeft/hebben weggenomen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen

goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

Feit 7

hij op of omstreeks 11 februari 2020 te Utrecht, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

een laptop (merk HP), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te

weten aan [benadeelde 6] , heeft/hebben weggenomen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen

goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van

Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

Feit 8

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig, te

weten een Toyota Yaris (gekentekend [kenteken] ), betrokken was geweest

bij een of meerdere verkeersongeval(len) dat/die had/hadden

plaatsgevonden op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 25

februari 2020 te Utrecht op/aan

- de Seinedreef met een politievoertuig (Volkswagen Golf, gekentekend

[kenteken] ) en/of een personenauto (Renault Megan, gekentekend [kenteken]

) en/of een personenauto (Opel Astra, gekentekend [kenteken] )

en/of een personenauto (Volkswagen Polo, gekentekend [kenteken] )

en/of

- de Marnixlaan met een bus (Mercedes Sprinter, gekentekend [kenteken]

) en/of een personenauto (Audi, gekentekend [kenteken] ) en/of een

personenauto (Peugeot 107, gekentekend [kenteken] ) en/of

- de Marnixbrug met een autobus (Ford Transit, gekentekend [kenteken] ),

de (voornoemde) plaats(en) van vorenbedoeld(e) ongeval(len) heeft

verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

letsel en/of schade was toegebracht aan een ander, te weten

- [aangever 4] en/of [bedrijf 1] B.V. (Ford Transit, getekend [kenteken]

) en/of

- [aangeefster 1] (Volkswagen Polo, gekentekend [kenteken] ) en/of

- [A] (Renault Megane, gekentekend [kenteken] ) en/of

- de Politie (Volkswagen Holf, gekentekend [kenteken] ) en/of

- [aangever 3] (Audi, gekentekend [kenteken] ) en/of

- [aangever 2] (Opel Astra, gekentekend [kenteken] ) en/of

- [aangeefster 2] en/of [bedrijf 2] (Mercedes Sprinter, gekentekend [kenteken]

) en/of

- [aangeefster 3] (Peugeot 107, gekentekend [kenteken] );

( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond b

Wegenverkeerswet 1994 )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 7 mei 2020, genummerd 2020058945, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 348. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 302.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 306.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 308.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 309.

6 Proces-verbaal van aangifte, p. 269.

7 Goederenbijlage bij proces-verbaal van aangifte p272

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 276.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 278.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 285.

11 Proces-verbaal van aangifte, p. 261.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 265.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 267.

14 Proces-verbaal van aangifte, p. 243.

15 Proces-verbaal van aangifte, p. 240.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 246.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 248.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 251.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 255.

20 Proces-verbaal van aangifte, p. 202.

21 Proces-verbaal van bevindingen p 55

22 Proces-verbaal getuigenverhoor, p. 30.

23 Proces-verbaal getuigenverhoor, p. 31.

24 Proces-verbaal getuigenverhoor, p. 34.

25 Proces-verbaal getuigenverhoor, p. 35.

26 Proces-verbaal getuigenverklaring, p. 209.

27 Proces-verbaal getuigenverklaring, p. 210.

28 Proces-verbaal van aangifte, p. 212.

29 Proces-verbaal van aangifte, p. 224.

30 Proces-verbaal van aangifte, p. 230.

31 Proces-verbaal van aangifte, p. 231.