Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3397

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
UTR 20/2297
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

PV van mondelinge uitspraak in voorlopige voorziening. Besluit tot verlenging begunstigingstermijn last onder dwangsom. Overlast niet zodanig dat van verzoekster niet kan worden gevraagd nog enige tijd te dulden in afwachting van BOB. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2297

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

16 juli 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , wonende in [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Frielink),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: mr. S.T. de Graaf).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], wonende in [woonplaats]

(gemachtigde: mr. S. Gadellaa).

Procesverloop

Verzoekster woont aan de [adres] in [woonplaats] . Op het perceel naast

haar, in eigendom van derde-partij, wordt volgens verzoekster een transport- en taxibedrijf

geëxploiteerd waar zij veel overlast van ondervindt. Zij heeft daarom verweerder begin dit

jaar verzocht om handhavend op te treden tegen dit gebruik.

In het besluit van 28 april 2020 heeft verweerder aan derde-partij een last onder dwangsom

opgelegd om de geconstateerde overtreding vóór 8 juni 2020 te staken en gestaakt te

houden. Derde-partij heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In het besluit van 29 april 2020 heeft verweerder de begunstigingstermijn om te voldoen aan

de last onder dwangsom verlengd tot 8 juli 2020 omdat in het besluit van 28 april 2020 een

andere datum werd genoemd dan in het voornemen was aangekondigd.

Bij besluit van 8 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder op verzoek van derde-

partij de begunstigingstermijn verlengd tot vier weken na de te nemen beslissing op het

bezwaar.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar ingediend en zij heeft de

voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Deze zaak is op 16 juli 2020 op een Skypezitting behandeld. Verzoekster heeft de zitting samen met haar zoon [A] bijgewoond, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft de zitting eveneens bijgewoond, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Overwegingen

1. Deze zaak ziet alleen op het verlengen van de begunstigingstermijn en dus niet op het besluit waarin verweerder een last onder dwangsom heeft opgelegd.

2. Zoals verzoekster terecht stelt, dient een begunstigingstermijn er slechts toe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Deze termijn moet zo kort mogelijk worden gesteld. De termijn mag in ieder geval niet zo lang worden gesteld dat het dwangsombesluit in feite een gedoogtoestemming wordt.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de begunstigingstermijn heeft verlengd tot vier weken na de te nemen beslissing op het bezwaar van derde-partij tegen het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd. Die beslissing op bezwaar is een volledige heroverweging waarvan de uitkomst op dit moment nog niet vaststaat. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat, als de procedure goed verloopt, de beslissing op bezwaar rond 1 oktober 2020 te verwachten is.

4. Verzoekster voert aan dat de overlast die zij ondervindt zo ernstig is dat de overtreding niet (nog) maanden langer mag duren. Hoewel de voorzieningenrechter het aannemelijk vindt dat sprake is van enige overlast bij de woonbestemming, is haar niet gebleken dat deze overlast zo ernstig is, dat deze echt niet meer voor een relatief korte termijn toelaatbaar is. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat, ook al is de exacte omvang op dit moment niet vast te stellen, er in ieder geval al sinds 2005/2006 bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden op het perceel. Ook speelt een rol dat niet is gebleken dat er sprake is van een gevaarlijke situatie of onveilige leefomgeving.

5. Verzoekster wijst er ook op dat sprake is van een overtreding die gemakkelijk te beëindigen is, zodat ook om die reden een korte begunstigingstermijn voor de hand ligt. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het beëindigen van de overtreding wat meer voeten in de aarde heeft. Zo zal derde-partij ruimte moeten vinden voor overslag en de mogelijkheid tot parkeren, waarmee mogelijk ook financiële consequenties zijn gemoeid. Daarmee is het beëindigen niet zo makkelijk en kost het ook meer inspanning, dan verzoekster schetst.

6. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat de verlengde termijn niet onredelijk is en naar verwachting in stand zal blijven in de bezwaarprocedure. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Tot slot heeft de voorzieningenrechter partijen er op gewezen dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open staat.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2020.

de griffier is verhinderd om

de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.