Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3366

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
506491 / HA RK 20-196
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Wrakingsverzoek ongegrond. Uit omstandigheid dat rechter door verzoeker voorgestelde vraag aan opsteller rapport verlenging ondertoezichtstelling niet stelt valt schijn van vooringenomenheid niet af te leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 506491 / HA RK 20-196

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

18 augustus 2020

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende in [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juli 2020;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter van 30 juli 2020;

  • -

    een schriftelijk stuk van verzoeker van 2 augustus 2020;

  • -

    de nadere schriftelijke reactie van de rechter van 4 augustus 2020;

  • -

    een schriftelijke reactie namens belanghebbende [A] door mr. M.S. Haas, raadsvrouw, van 10 augustus 2020;

  • -

    een nadere schriftelijke reactie van verzoeker van 10 augustus 2020.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 11 augustus 2020 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

1.3.

Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en de heren [B] en [C] van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: William Schrikker Stichting) verschenen.

2 Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J.R. van Es-de Vries, als kinderrechter (hierna te noemen: de rechter) in de zaak met het kenmerk C116/499892 / JE RK 20-6 19. De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen van verzoeker. De heer [B] voornoemd heeft het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling opgesteld.

2.2.

Door verzoeker is aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat hij zich onvoldoende gehoord en gesteund voelde door de rechter. Verzoeker had twee vragen aan de heer [B] van de William Schrikker Stichting, namelijk 1) waarom de heer [B] al een jaar niet bij verzoeker langs is geweest en 2) waarom het verzoek tot verlenging van de OTS niet vooraf met verzoeker is besproken. De rechter heeft deze twee vragen niet aan [B] gesteld noch de heer [B] verplicht hierop antwoord te geven, hoewel verzoeker daarop aangedrongen heeft bij de rechter.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reacties heeft zij naar voren gebracht dat het naar aanleiding van het gesprek ter zitting voor haar duidelijk is dat verzoeker het niet eens is met de aanpak van de William Schrikker Stichting, maar dat zij niet begrijpt hoe dit tot (de schijn van) vooringenomenheid bij haar kan leiden. Zij heeft de heer [B] gevraagd te zeggen hoe het contact met verzoeker verlopen is.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat de rechter die een zaak behandelt op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

De wrakingskamer leidt uit het proces-verbaal van de zitting van 27 juli 2020, de toelichting op het wrakingsverzoek, de reactie van de rechter en het verhandelde ter zitting van de wrakingskamer af, dat de rechter de hiervoor onder 1) genoemde vraag aan de heer [B] heeft gesteld en dat de heer [B] daar een antwoord op heeft gegeven. Dat de hiervoor onder 2) genoemde vraag is gesteld, kan de wrakingskamer niet uit genoemde bronnen afleiden. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker daardoor echter in redelijkheid niet de indruk kunnen krijgen dat de rechter vooringenomen was. In de eerste plaats is het niet zo dat de rechter was gehouden elke vraag, die verzoeker aan de heer [B] wilde stellen, aan laatstgenoemde voor te leggen. Daarnaast heeft de rechter ter zitting van 27 juli 2020 voor zover mogelijk het contact tussen de William Schrikker Stichting en verzoeker besproken. Vervolgens betekent het niet stellen van deze enkele vraag geenszins dat de heer [B] geen toelichting diende te geven op het door hem opgestelde verzoek of dat hem daar geen vragen over gesteld konden worden. Tenslotte zegt het niet stellen van die vraag niets over de wijze waarop de rechter zou beslissen op het verzoek.

3.4.

Aldus leveren de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verzoek geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team familierecht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de zaak van verzoeker met het kenmerk C116/499892 / JE RK 20-6 19 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. A. van Dijk en

mr. R.C. Stijnen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N. Kruijswijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.