Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3365

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
16/081663-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 47-jarige man uit Amersfoort tot een gevangenisstraf van 8 jaar. De verdachte stak na een ruzie op 26 maart zijn 46-jarige vriendin dood in haar appartement in Leusden en bekende direct.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/081663-20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1972] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) Vught.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 juni 2020 en 6 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Kamper, van hetgeen verdachte en diens raadsvrouw mr. D. Schaddelee, advocaat te Breukelen, en van hetgeen de heer [nabestaande] , nabestaande van het slachtoffer, naar voren hebben gebracht.

1.1

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting nader omschreven en is, zoals nader omschreven, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort samengevat, op neer dat verdachte:

feit 1

op 26 maart 2020 te Leusden al dan niet opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door meerdere malen met een mes in de buik van die [slachtoffer] te steken;

feit 2

op 26 maart 2020 te Leusden een poging heeft gedaan om een geldbedrag weg te nemen van [slachtoffer] door dit geldbedrag te pinnen uit een geldautomaat waarbij hij (telkens) (zonder toestemming) gebruik heeft gemaakt van een bankpas van die voornoemde [slachtoffer] met bijbehorende pincode.

2 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 WAARDERING VAN HET BEWIJS

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van de onder 1 primair ten laste gelegde moord. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde doodslag acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de stukken uit het dossier.

Het onder 2 ten laste gelegde acht de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend te bewijzen op basis van de bekennende verklaring van verdachte en de bankgegevens van slachtoffer [slachtoffer] .

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit van de onder 1 primair ten laste gelegde moord. Voor wat betreft de onder 1 subsidiair ten laste gelegde doodslag refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair (moord)

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde moord heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 1 subsidiair (doodslag)

Verdachte heeft de onder 1 subsidiair ten laste gelegde doodslag bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 augustus 2020;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek persoon [slachtoffer] (09/07/1973) van 27 maart 2020, genummerd PL0900-2020089565-19, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 31 tot en met 60.

Bewezenverklaring feit 2

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 augustus 2020;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens ex art. 126nd lid 1 Sv van 21 april 2020, genummerd 20200416.0803.17150, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 361 tot en met 364.

Bewijsoverweging

Uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 26 maart 2020 te Leusden in de ochtend naar de woning van het slachtoffer [slachtoffer] is gegaan. Verdachte had een relatie met [slachtoffer] . Tussen hen speelde een conflict over seks en verdachte vond dat hij geld van [slachtoffer] tegoed had. Hij heeft eerst een oude bankpas en later de nieuwe bankpas van [slachtoffer] afgepakt. Met die bankpassen is hij telkens naar een geldautomaat gereden en heeft hij geprobeerd geld te pinnen. Dit is hem niet gelukt, waarna hij terug is gegaan naar de woning van [slachtoffer] . Verdachte ging vervolgens in de woning van [slachtoffer] op zoek naar geld. Er ontstond een woordenwisseling waarbij [slachtoffer] een mes heeft gepakt. Verdachte heeft dit mes afgepakt en heeft [slachtoffer] daarmee driemaal in haar buik gestoken. Verdachte heeft vervolgens 112 gebeld en direct aan de politie bekend dat hij zijn vriendin had gestoken. [slachtoffer] is later op de dag ten gevolge van de messteken overleden in het ziekenhuis.

4 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1 subsidiair

op 26 maart 2020 te Leusden opzettelijk [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, door meerdere malen met een mes in de buik van die [slachtoffer] te steken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

feit 2

op 26 maart 2020 te Leusden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op meer tijdstippen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat weg te nemen een hoeveelheid geld, (telkens) geheel toebehorende aan [slachtoffer] en zich daarbij (telkens) dat weg te nemen geld onder zijn bereik te brengen door

een valse sleutel, (telkens) (zonder toestemming) gebruik heeft gemaakt van meerdere bankpassen van die voornoemde [slachtoffer] en de (bij die bankpassen behorende) pincodes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1, subsidiair

doodslag;

feit 2

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

6 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 OPLEGGING VAN STRAF

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 11 jaar, met aftrek van het voorarrest;

- een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, aangevoerd dat de bewezenverklaring, in welke vorm dan ook, een zeer ernstig feit oplevert. Verdachte beseft dat ook en is zich ervan bewust dat hij een gevangenisstraf zal krijgen.

In verband met de op te leggen straf verzoekt de raadsvrouw mee te wegen dat de politie 19 getuigen heeft gehoord, waarbij overduidelijk is gezocht naar een getuige die negatief kon verklaren over de persoon van verdachte. Uiteindelijk is dit de politie gelukt bij de ex-vrouw van verdachte, en overigens pas tijdens het tweede verhoor en door de getuige met de inhoud en wijze van vraagstelling in een bepaalde richting te sturen. Deze (negatieve) manier van dossier- en beeldvorming dient meegewogen te worden bij de oplegging van de straf. Ook dient de rechtbank volgens de raadsvrouw mee te laten wegen dat verdachte geprobeerd heeft hulp te verlenen aan het slachtoffer en 112 heeft gebeld. De raadsvrouw verzoekt tot slot aan te sluiten bij de rapportages van de psycholoog, de psychiater en de reclassering en gelet daarop verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met als bijzondere voorwaarden begeleid wonen en ambulante behandeling.

Voor de lengte van de gevangenisstraf verwijst de raadsvrouw naar een drietal uitspraken die volgens haar vergelijkbaar zijn met deze zaak. In een uitspraak van de Rechtbank Limburg1 is de rechtbank tot een gevangenisstraf van 9 jaar gekomen. In een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden2 is er een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 8 jaar en de Rechtbank Breda3 heeft een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar opgelegd. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op omstandigheden die de straffen hoger maken dan de straf die passend is voor verdachte. Deze punten betreffen de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de houding van verdachte. Gelet daarop verzoekt de raadsvrouw een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, waarvan 3 jaar voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in de rapportages van Pro Justitia op te leggen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van [slachtoffer] . Doodslag is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent. Het recht op leven behoort tot de fundamenteelste rechten die in onze rechtsorde dienen te worden beschermd. De verdachte heeft het leven van het slachtoffer beëindigd en haar daarmee dat recht ontnomen. Verdachte heeft daarmee onbeschrijfelijk veel leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, alsmede aan anderen die haar lief hadden. Dat deze daad komt van verdachte, die een relatie had met het slachtoffer, is voor de nabestaanden onbegrijpelijk en onverteerbaar. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting van 6 augustus 2020 voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring van de oom van het slachtoffer. Daarnaast brengt een partnerdoding gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Niet alleen in de directe omgeving waar het feit is gepleegd, maar ook in een groter deel van de samenleving.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het twee maal plegen van een poging tot diefstal. De eerste keer heeft verdachte een oude bankpas van [slachtoffer] gepakt en is naar een geldautomaat gereden. Doordat de bankpas niet meer geldig was, lukte het verdachte niet om geld op te nemen. Vervolgens heeft verdachte de werkende bankpas van [slachtoffer] van haar afgepakt en is voor een tweede keer naar een geldautomaat gereden. In de tussentijd had [slachtoffer] haar bankrekening leeggemaakt door geld online over te storten naar haar spaarrekening. Ook deze tweede keer lukte het verdachte dus niet om geld op te nemen.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 11 mei 2020 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia Rapport (dubbel rapportage) van psychiater drs. M.P. van der Zanden d.d. 30 juni 2020 en GZ-psycholoog N. van der Weegen d.d. 22 juni 2020.

Deskundige Van der Zanden concludeert dat bij verdachte sprake is van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, licht van ernst. Van der Zanden vermeldt dat verdachte gefrustreerd en/of boos wordt als situaties indruisen tegen zijn rechtvaardigheidsprincipes. Wanneer hij hier dan geen uitweg of oplossing voor kan vinden, dan loopt de stress op en laat hij geagiteerd gedrag zien (beperkte stressbestendigheid). Verdachte heeft zijn emoties dan niet meer goed onder controle. Verdachte lijkt zijn eigen (coping)manier gevonden te hebben om hiermee om te gaan. Hij neemt dan een “time-out” waarbij hij afstand neemt en een sigaret gaat roken. Uitgaande van bovenstaande en uitgaande van de verklaring van verdachte zou een verstandelijke ontwikkelingsstoornis zeker een doorwerking gehad kunnen hebben in het tot stand komen van de tenlastegelegde moord/doodslag. Dit blijkt uit het feit dat verdachte heeft aangegeven dat hij geïrriteerd en boos was op het slachtoffer. De frustratie en boosheid bouwde zich gedurende de ochtend op. Verdachte probeerde voor elkaar te krijgen dat hij kreeg waar hij recht op meende te hebben. Zijn afhankelijke trekken spelen waarschijnlijk ook een rol in het ontwikkelen van boosheid. Vanuit de beperkingen in communicatieve vaardigheden en omgang met de situatie (coping) werd de spanning bij verdachte steeds groter. Op het moment dat het slachtoffer het mes had gepakt ontstond er voor verdachte een situatie waar hij niet mee om kon gaan (beperkte coping) zoals hij dat gewend was. Dat in combinatie met de woede die hij voelde en de beperkte emotieregulatie kunnen hebben geleid tot de gepleegde moord/doodslag. Gelet hierop adviseert Van der Zanden om verdachte de tenlastegelegde moord/doodslag (licht)verminderd toe te rekenen. Het recidiverisico wordt laag ingeschat. Deskundige Van der Weegen is tot overeenkomstige bevindingen gekomen.

Van der Zanden en Van der Weegen hebben meerdere opties voor een eventueel juridisch kader onderzocht. Het advies is om een ambulant begeleid wonen traject in te zetten. Gedurende deze begeleiding zou er dan aandacht moeten zijn voor het behoud van abstinentie van middelen, het aanbrengen en behoud van structuur (werk) en het aanbieden van ondersteunende gesprekken ter ventilatie van frustratie en onzekerheden. Nu het vooral de opbouw van frustratie en boosheid is geweest in combinatie met de beperkte (keuze)mogelijkheden die verdachte heeft door de verstandelijke ontwikkelingsstoornis, wordt ook een emotieregulatie training geadviseerd. Een intensief forensisch traject is niet noodzakelijk. Dit ambulant wonen traject en de begeleiding kunnen worden opgelegd bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, maar gezien de ernst van het tenlastegelegde, zal dit mogelijk niet passend zijn. Er is ook gedacht aan TBS met voorwaarden, maar dit is niet passend en zal alleen maar frustratie veroorzaken bij verdachte. Het is wenselijk dat verdachte vanuit de detentieperiode gelijk doorstroomt in een ambulant wonen traject met begeleiding. Dit zal binnen de laatste fase van de detentie opgezet en vormgegeven moeten worden, inclusief het starten met een emotieregulatie training. Van der Zanden uit de zorg dat een dergelijk traject niet tijdig opgezet en vormgegeven kan worden voor de laatste fase van detentie. Het is onwenselijk dat verdachte vrij komt en er geen begeleiding is.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen Van der Zanden en Van der Weegen over, in die zin dat het bewezenverklaarde verdachte in verminderde mate valt toe te rekenen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport van Reclassering Nederland d.d. 16 juli 2020. In dat rapport wordt benoemd dat beiden Pro Justitia rapporteurs aan hebben gegeven dat verdachte gebaat zou zijn bij een ambulante behandeling en het extern structureren van zijn leven door middel van begeleid wonen (ambulante woonbegeleiding). De Pro Justitia rapporteurs geven aan dat dit zou kunnen als voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf, maar maken volgens de reclassering terecht beiden de kanttekening dat dit mogelijk niet haalbaar is gezien de ernst van de zaak. De reclassering sluit zich hierbij aan en voegt daaraan toe dat eventuele bijzondere voorwaarden in het kader van detentiefasering op dat moment onderzocht en geadviseerd kunnen worden. Daarnaast stellen beiden Pro Justitia rapporteurs dat de gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) een optie zou kunnen zijn. De GVM is echter alleen toepasbaar bij tbs’ers en bij daders van ernstige gewelds- of zedenmisdrijven met een hoog recidiverisico. Daarvan is in onderhavige zaak gezien de vastgestelde lage kans op recidive echter geen sprake.

De straf

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie blijkt dat voor doodslag doorgaans een gevangenisstraf wordt opgelegd tussen de 8 en 12 jaren. De rechtbank neemt in het voordeel van verdachte mee dat hij direct nadat hij [slachtoffer] had neergestoken 112 heeft gebeld. In aansluiting daarop heeft hij zich onmiddellijk laten aanhouden door de politie en heeft hij een meewerkende proceshouding gehad. Ook neemt de rechtbank in strafverminderende zin mee dat verdachte een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis had ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten als gevolg waarvan de feiten hem in verminderde mate toe te rekenen zijn. In het nadeel van verdachte weegt mee dat hij zich niet enkel schuldig heeft gemaakt aan doodslag, maar ook aan poging diefstal. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren passend en geboden.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of in aanvulling op de gevangenisstraf een juridisch kader zou moeten worden gecreëerd voor het door de deskundigen aanbevolen begeleid wonen traject. De rechtbank overweegt echter dat oplegging in het kader van een voorwaardelijk strafdeel niet mogelijk is bij een gevangenisstraf van langer dan 4 jaren (artikel 14a Wetboek van Strafrecht). Oplegging van een maatregel in het kader van artikel 38z Wetboek van Strafrecht is naar het oordeel van de rechtbank niet passend, omdat volgens de deskundigen sprake is van een laag recidiverisico. De rechtbank overweegt daarom dat het begeleid wonen traject, zoals geadviseerd door de deskundigen, het beste kan worden vormgegeven in het kader van de detentiefasering. Zij geeft dit dan ook nadrukkelijk ter overweging mee aan het openbaar ministerie en de reclassering die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de straf.

8 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 57, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaar;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. Vonk, voorzitter, mrs. G. Perrick en I.L. Gerrits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair

hij op of omstreeks 26 maart 2020 te Leusden, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, door één of meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik en/of de rug, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 26 maart 2020 te Leusden, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, door één of meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik en/of de rug, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

feit 2

hij op of omstreeks 26 maart 2020 te Leusden, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op één of meer tijdstippen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat weg te nemen een hoeveelheid geld, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld onder zijn bereik te brengen door een valse sleutel, (telkens) (zonder toestemming) gebruik heeft gemaakt van één of meerdere bankpassen van die voornoemde [slachtoffer] en/of de (bij die bankpassen behorende) pincode(s), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1 ECLI:NL:RBLIM:2016:9925

2 ECLI:NL:GHARL:2015:7837

3 ECLI:NL:RBBRE:2012:BY7122