Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3341

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
C/16/506742 / KG ZA 20-381
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kopje: Kort geding. Opheffing executoriale beslagen, omdat het niet aannemelijk is dat de vordering waarvoor deze beslagen zijn gelegd bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/506742 / KG ZA 20-381

Vonnis in kort geding van 21 augustus 2020

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

hierna te noemen: [eiseres]

advocaat mr. B.E.J.M. Tomlow

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.

statutair gevestigd [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats]

gedaagde

hierna te noemen: [gedaagde]

advocaat mr. R. de Vries

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de producties 1 tot en met 6 van [eiseres]

  • -

    de producties 1 tot en met 15 van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling van 6 augustus 2020

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Aan het einde van de zitting is aan partijen verteld dat op 21 augustus 2020 vonnis wordt gewezen.

2 Waar gaat dit kort geding over?

[eiseres] is op basis van een arbeidsovereenkomst bij [gedaagde] werkzaam geweest. Zij trad daarbij onder andere op als manager van de enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde] , [A] (hierna: [A] ).
Er is op enig moment een arbeidsconflict tussen [eiseres] en [gedaagde] ontstaan. [eiseres] heeft tot een kort geding procedure tegen [gedaagde] bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland aanhangig gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling van dat kort geding hebben [eiseres] en [gedaagde] een schikking getroffen. Deze schikking is vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding van 6 november 2019. [gedaagde] meent dat [eiseres] het in punt 12 van deze schikking opgenomen geheimhoudingsbeding heeft overtreden en dat zij voor die overtreding een boete van minstens € 25.000 aan [gedaagde] moet betalen. [gedaagde] heeft om die boete te innen executoriaal beslag gelegd op de Volkswagen type Polo met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) van
[eiseres] en op de bankrekeningen van [eiseres] bij de Rabobank en ING.
vindt dat deze beslagen onterecht zijn gelegd en wil met dit kort geding vooral bereiken dat die beslagen worden opgeheven. Zij vordert, samengevat:
primair
a. opheffing/nietigheidverklaring van de beslagen
b. teruggave van de auto in onbeschadigde staat op straffe van een dwangsom

c. betaling van een voorschot op de schadevergoeding (materieel en immaterieel) van
€ 2.500
subsidiair
d. schorsing van de executie op straffe van een dwangsom
meer subsidiair
e. matiging van de boete tot nihil.

3 De beoordeling

Primaire vordering: opheffing van de beslagen
3.1. Aan de orde is de vraag of [gedaagde] de beslagen op de auto en de bankrekeningen van [eiseres] terecht heeft gelegd. [eiseres] vindt om meerdere redenen van niet. Eén van die redenen is dat er volgens [eiseres] door haar geen boete is verbeurd. De beslagen zijn daarom, zo voert [eiseres] aan, onrechtmatig gelegd en moeten om die reden worden opgeheven. Dit standpunt gaat, zoals hierna wordt uitgelegd, op.

3.2.

De executoriale titel op grond waarvan [gedaagde] de beslagen heeft gelegd is het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding van 6 november 2019 (hierna: het proces-verbaal).

3.3.

In punt 12 van dit proces-verbaal is vermeld dat [eiseres] en [gedaagde] zich over en weer zullen houden aan het geheimhoudingsbeding zoals verwoord in de overgelegde beëindigingsovereenkomst zoals in het geding gebracht als productie 1 bij de kort geding dagvaarding in casu, hoofdstuk 7 artikelen 7.1 t/m 7.5.
[eiseres] en [gedaagde] zijn het erover eens dat de beëindigingsovereenkomst waarnaar in dit proces-verbaal wordt verwezen de beëindigingsovereenkomst is die
[eiseres] in dit kort geding als productie 1 bijlage 1 heeft overgelegd.

3.4.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiseres] het geheimhoudingsbeding zoals vermeld in 7.1 en/of 7.4 van de beëindigingsovereenkomst heeft overtreden door tijdens de openbare mondelinge behandeling van een kort geding over een huurkwestie tussen [A] (als eiseres) en [eiseres] (als gedaagde) op te merken dat [A] in februari 2017 een zelfmoordpoging heeft gedaan.

3.5.

Niet in geschil is dat [eiseres] deze opmerking heeft gemaakt.

3.6.

Partijen verschillen wel van mening of deze opmerking onder de reikwijdte van het in 7.1 en/of 7.4 geformuleerde geheimhoudingsbeding valt.

3.6.1.

In 7.1. is het volgende vermeld:

Zowel gedurende als na afloop van de Arbeidsovereenkomst is Werknemer verplicht alle gegevens waarvan Werknemer bij de uitoefening van haar werkzaamheden kennis krijgt of heeft verkregen, waarvan het vertrouwelijk karakter Werknemer bekend is of heeft kunnen zijn, als vertrouwelijk te beschouwen en niet aan derden ter beschikking te stellen, ter inzage te geven of daarover mededelingen te doen van welke aard dan ook te doen en strikte geheimhouding tegenover derden te betrachten over alle betreffende de bedrijfsaangelegenheden, zaken, relaties en belangen van Werkgever en de ondernemingen waarmee Werkgever in een groep verbonden is, waarvan Werknemer bij de uitoefening van haar werkzaakheden functie kennis verkrijgt en waarvan het vertrouwelijk karakter Werknemer bekend is of had kunnen zijn.
en in 7.4. het volgende:

Werkgever en Werknemer komen daarnaast een geheimhouding overeen ten aanzien van de privéaangelegenheden van de directeur van de Werkgever. Dat geheimhoudingsbeding maakt integraal onderdeel uit van deze Overeenkomst en wordt als zodanig aangehecht.”

3.6.2.

Uit de tekst van dit in 7.1 geformuleerde beding, bezien in samenhang met de tekst van het in 7.4. geformuleerde geheimhoudingsbeding, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op te maken dat het bij 7.1 draait om het geheim houden van vertrouwelijke bedrijfsinformatie en bij 7.4 om het geheim houden van vertrouwelijke informatie over privéaangelegenheden van [A] .

3.6.3.

De opmerking [eiseres] over [A] in het tussen hen gevoerde kort geding is een opmerking over privéaangelegenheden van [A] .

3.6.4.

Dit betekent dat deze opmerking geen overtreding oplevert van het in 7.1 geformuleerde geheimhoudingsbeding.

3.6.5.

De opmerking valt wel onder de reikwijdte van het geheimhoudingsbeding zoals geformuleerd in 7.4 van de beëindigingsovereenkomst.

[eiseres] voert aan dat het maken van deze opmerking geen overtreding van dit beding oplevert, omdat zij die opmerking wel moest maken om zich te verdedigen tegen de door [A] tegen haar ingestelde vordering in de huurzaak. Het kan volgens haar niet zo zijn dat het geheimhoudingsbeding eraan in de weg staat dat zij zich behoorlijk kan verdedigen.
De beoordeling van dit, door [gedaagde] betwiste, standpunt kan in het midden blijven. Ook als dit standpunt van [eiseres] niet opgaat en geconcludeerd wordt dat zij door het maken van de opmerking het in 7.4 geformuleerde geheimhoudingsbeding heeft overtreden, dan kan dit [gedaagde] niet baten. In de beëindigingsovereenkomst is, zoals [eiseres] ook nog aanvoert, niet vermeld dat er een boete verschuldigd is bij overtreding van het geheimhoudingsbeding van 7.4. Het is niet in 7.4 zelf vermeld, maar ook niet in de andere bepalingen van hoofdstuk 7 (7.2, 7.3., 7.5).

In 7.2 is wel een boetebepaling opgenomen maar die ziet alleen op overtreding van het geheimhoudingsbeding zoals geformuleerd in 7.1 en dat beding is zoals hiervoor is overwogen niet door [eiseres] overtreden.

[gedaagde] voert nog aan dat deze boete is verschuldigd op basis van het door haar als productie 4 overgelegde document genaamd “het geheimhoudingsbeding”. Dit document maakt volgens haar deel uit van de beëindigingsovereenkomst. Dat dit zo is, volgt, zo voert [gedaagde] aan, uit artikel 7.4 van de beëindigingsovereenkomst, waarin is vermeld:

Dat geheimhoudingsbeding maakt integraal onderdeel uit van deze Overeenkomst en wordt als zodanig aangehecht.”

Dit door [eiseres] betwiste standpunt gaat niet op.
Het is onvoldoende aannemelijk dat het hiervoor genoemde document het document is waarnaar in 7.4 van de beëindigingsovereenkomst wordt verwezen.
heeft dit betwist. Zij heeft dit document, zo voert zij aan, vóór dit kort geding nog nooit gezien. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat dit wel zo is. De feiten wijzen juist op het tegendeel. Het door [gedaagde] overgelegde document (genaamd “het geheimhoudingsbeding) is niet door [eiseres] en ook niet door [A] voor akkoord ondertekend. Daarbij komt dat [gedaagde] heeft toegelicht dat dit document aan

[eiseres] is gestuurd met het verzoek om daarmee akkoord te gaan, en dat zij niet in het bezit is van een door [eiseres] voor akkoord ondertekend exemplaar. Het is daarom onvoldoende aannemelijk dat er overeenstemming is bereikt over wat er in dit document is vermeld en daarmee is het ook onvoldoende aannemelijk dat dit document integraal onderdeel uitmaakt van de beëindigingsovereenkomst. Er zal daarom geen acht worden geslagen op de inhoud van dit document en het daarin voorkomende boetebeding.

3.7.

De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat [eiseres] de boete waarvoor de beslagen zijn gelegd aan [gedaagde] is verschuldigd. De beslagen zijn daardoor onrechtmatig gelegd. De primaire vordering tot opheffing van de beslagen is op deze grond al toewijsbaar. De voorzieningenrechter zal, nu hij daartoe bevoegd is, de beslagen bij dit vonnis opheffen, in plaats van [gedaagde] te bevelen om dit op straffe van een dwangsom te doen.

Aan bespreking van de andere argumenten die [eiseres] aan haar vordering tot opheffing van de beslagen aanvoert, wordt niet meer toegekomen. Dit geldt ook voor de beoordeling van de primaire vorderingen tot nietigverklaring van de beslagen omdat er niet goed zou zijn overbetekend, de subsidiaire vordering tot schorsing van de executie en de meer subsidiaire vordering tot matiging van de boete.
Primaire vordering: teruggave van de in beslaggenomen auto in onbeschadigde staat

3.8.

[eiseres] vordert dat de in beslag genomen auto binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in onbeschadigde staat wordt teruggeven. Deze vordering zal in zoverre worden toegewezen dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om de auto terug te geven.

Dat moet immers gebeuren nu het beslag op de auto wordt opgeheven. Voor het overige wordt de vordering afgewezen, omdat het onduidelijk in welke staat de auto zich bevond toen deze in beslag werd genomen. De in verband met deze vordering gevorderde dwangsom zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen.

Primaire vordering: betaling voorschot van € 2.500 aan schadevergoeding

3.9.

[eiseres] vordert verder nog dat [gedaagde] aan haar een voorschot van
€ 2.500 aan materiële en immateriële schadevergoeding betaalt. Ook deze vordering wordt afgewezen. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is onder andere nodig dat het in hoge mate aannemelijk is dat die vordering bestaat. Dat is hier niet het geval. Het is weliswaar mogelijk om op grond van onrechtmatige beslaglegging schadevergoeding te vorderen, maar [eiseres] heeft, zoals [gedaagde] ook aanvoert, de schade die zij door deze onrechtmatige beslaglegging lijdt en zal lijden niet gemotiveerd onderbouwd.

Proceskosten en nakosten

3.10.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaardingskosten € 100,89

- griffierecht 304,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.384,89

3.11.

De door [eiseres] gevorderde nakosten worden op de in de beslissing te noemen manier begroot.


Uitvoerbaar bij voorraad

3.12.

Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

heft op het door [gedaagde] ten laste van [eiseres] gelegde executoriaal beslag op:
a. de auto (Volkswagen type Polo met kenteken [kenteken] )
b. de bankrekeningen van [eiseres] bij:
- de coöperatieve Rabobank U.A. gevestigd te Amsterdam
- de ING Bank N.V. gevestigd te Amsterdam

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de auto als genoemd in 4.1. onder a aan [eiseres] terug te geven

4.3.

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 500 voor iedere dag dat zij niet heeft voldaan aan de hoofdveroordeling zoals genoemd in 4.2 tot een maximum is bereikt van € 20.000

4.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.384,89

4.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak

4.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

4.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2020.1

1 type: BvdG (4374) coll: