Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3329

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
UTR - 20 _ 2769
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, sluiting bedrijfswoning, geen spoedeisend belang, verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2769

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),

en

de burgemeester van de gemeente Houten, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 27 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bedrijfswoning aan de [adres] in [vestigingsplaats] vanaf 30 juli 2020 gesloten voor een periode van zes maanden.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Verder heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

Wat is de aanleiding voor deze uitspraak?

1. Verzoekster is eigenaar van de bedrijfswoning aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Op 14 juli 2020 is door de politie geconstateerd dat de bedrijfswoning in gebruik is genomen als hennepkwekerij. De politie heeft deze informatie gedeeld met verweerder en op grond hiervan is besloten de bedrijfswoning te sluiten. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de sluiting en is bij de voorzieningenrechter deze spoedprocedure gestart.

Waarom is verzoekster deze spoedprocedure gestart?

2. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Zij voert aan dat zij door het besluit haar bedrijfswoning niet meer kan gebruiken/verhuren. Achter de bedrijfswoning is een grote broeikas gelegen waar haar personeel werkzaam is. Het is volgens verzoekster noodzakelijk dat een bedrijfsleider zijn intrek neemt in de bedrijfswoning om toezicht te houden op het personeel. Daar komt bij dat op deze wijze huurinkomsten worden gerealiseerd, waarvan verzoekster grotendeels financieel afhankelijk is. Verzoekster merkt nog op dat het enkele maanden kan duren voordat verweerder een beslissing neemt op haar bezwaar en zij in ieder geval tot die tijd niet kan beschikken over haar bedrijfswoning. Volgens verzoekster is dan ook sprake van een onomkeerbare situatie.

Vervolgens voert verzoekster aan dat het besluit onrechtmatig tot stand is gekomen, omdat zij geen redelijke termijn heeft gekregen om een zienswijze in te dienen. Verder voert verzoekster aan dat de aangetroffen feiten en omstandigheden geen sluiting rechtvaardigen en dat de duur van de sluiting onevenredig is. Volgens verzoekster moeten haar belangen prevaleren boven het belang van verweerder om de bedrijfswoning te sluiten. Daar merkt zij bij op dat de sluiting voor haar ingrijpend is met vergaande (financiële) gevolgen.

Waarom is in deze zaak geen zitting gehouden?

3. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting als het verzoek kennelijk ongegrond is1. Het begrip ‘kennelijk’ betekent dat daarover in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er kennelijk geen sprake is van een spoedeisend belang. Er wordt namelijk alleen een voorlopige voorziening getroffen als een spoedeisend belang dat vereist2 (ook wel ‘onverwijlde spoed’ genoemd). De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van spoedeisend belang en heeft daarom geen zitting gehouden.

Waarom is er geen sprake van spoedeisend belang?

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster onvoldoende onderbouwd en aannemelijk heeft gemaakt dat door de sluiting een onomkeerbare situatie dreigt of sprake is van acute financiële nood. Verzoekster kan door de sluiting de bedrijfswoning niet gebruiken om te verhuren en/of een bedrijfsleider zijn intrek te laten nemen om toezicht te houden op haar werknemers in de achterliggende broeikas. Het is echter niet gesteld en uit de stukken blijkt ook niet dat voor de sluiting de bedrijfswoning op die manier werd gebruikt. Uit het dossier blijkt dat de hele bedrijfswoning werd gebruikt voor hennepteelt (813 planten). Ook blijkt uit het dossier dat verzoekster een aanvraag had ingediend bij de gemeente Houten om in de bedrijfswoning acht personen te mogen huisvesten, maar dat dit in juni 2020 is geweigerd. Van een bewoning zoals verzoekster schetst, is dan ook niet gebleken. In de stelling dat toezicht moet worden gehouden op werkzaamheden in de kas, ziet de voorzieningenrechter dan ook geen spoedeisend belang. Dat verzoekster de bedrijfswoning nu wel op de door haar geschetste manier wil gebruiken, is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. Verder heeft verzoekster niet inzichtelijk gemaakt dat door de gestelde huurderving de continuïteit van haar bedrijf op korte termijn in gevaar komt. Hierin ligt dus ook geen spoedeisend belang. Verder is de enkele stelling dat een bezwaarprocedure maanden kan duren onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. Daar komt bij dat de mogelijkheid tot het vragen van een voorlopige voorziening niet is bedoeld om de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.

Is het besluit evident onrechtmatig?

5. De door verzoekster gevraagde voorziening kan alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder ‘evident onrechtmatig’ is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Het wordt namelijk niet bestreden dat nagenoeg de hele bedrijfswoning werd gebruikt voor hennepteelt. In zo’n geval heeft verweerder de bevoegdheid de bedrijfswoning te sluiten. Er zijn geen omstandigheden om aan te nemen dat van deze bevoegdheid geen gebruik had mogen worden gemaakt, mede gelet op de voorgeschiedenis. Dat verzoekster stelt onvoldoende tijd te hebben gehad om een goede zienswijze in te dienen, is geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Ook al zou dit het geval zijn, betekent dit nog niet dat de sluiting van de bedrijfswoning onrechtmatig is. Verder ziet de voorzieningenrechter in de gronden tegen de duur van de sluiting geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De discussie hierover kan in bezwaar worden gevoerd. Daarbij ligt het op de weg van verweerder om voortvarend op het bezwaar te beslissen om te voorkomen dat een beslissing over de sluitingsduur door tijdsverloop achterhaald is.

Wat betekent deze uitspraak voor verzoekster?

6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is en dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een belangenafweging in het voordeel van verzoekster uit te laten vallen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond. Dit betekent dat het besluit niet wordt geschorst en verzoekster dus in ieder geval totdat op het bezwaar is beslist de bedrijfswoning niet mag gebruiken.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.