Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3326

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-08-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3834
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving verkeersbesluit laadplekken elektrische voertuigen. Eiser verwachtte op basis van de tekst van het verkeersbesluit dat de laadplekken niet recht voor zijn woning maar om de hoek zouden worden aangelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat het besluit in samenhang met de situatietekening moet worden bekeken. De laadplekken zijn in overeenstemming daarmee aangelegd, zodat het college niet bevoegd was handhavend op te treden en het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3834

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B. Benard),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, verweerder

(gemachtigde: D. van Straalen).

Inleiding

Het college heeft op 15 november 2018 een verkeersbesluit genomen waarin twee parkeerplaatsen “ter hoogte van de [adres] ” zijn aangewezen als standplaats voor het laden van elektrische voertuigen. Bij het verkeersbesluit hoort een situatietekening, waarop de parkeerplaatsen staan ingetekend.

De twee parkeerplaatsen zijn vervolgens tegenover eisers woning aan de [adres] in [woonplaats] (om de hoek van de [adres] ) aangelegd en ingericht uitsluitend ten behoeve van het parkeren voor het opladen van elektrische voertuigen.

Eiser is het niet eens met deze laadplekken voor zijn woning. Hij had op basis van het verkeersbesluit verwacht dat de laadplekken aan de [straat] zouden worden aangelegd, bij de ingang van het gebouw [adres] . Hij vindt dat de locatie waar de laadplekken nu zijn aangelegd niet wordt gedekt door het verkeersbesluit. Eiser wil dat de laadplekken verwijderd worden en heeft het college gevraagd om handhaving.

Het college heeft het handhavingsverzoek van eiser afgewezen met het besluit van 17 april 2019. Met het besluit van 14 augustus 2019 heeft het college eisers bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak zou worden behandeld op de zitting van 23 april 2020. Door de maatregelen als gevolg van de uitbraak van het coronavirus kon die zitting niet doorgaan. Partijen hebben er vervolgens mee ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 14 mei 2020.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. In het verkeersbesluit staat dat twee parkeerplaatsen “ter hoogte van de [adres] ” als laadplekken worden aangewezen, maar in het verkeersbesluit staat ook een verwijzing naar de situatietekening. Op de situatietekening is duidelijk te zien waar de laadplekken zullen komen: dat is inderdaad recht tegenover eisers woning aan de [adres] , waar de laadplekken ook daadwerkelijk zijn aangelegd. Net als het college is de rechtbank van oordeel dat “ter hoogte van de [adres] ” niet onjuist is: dat adres betreft namelijk een groot pand, dat op de hoek ligt van de [straat] en de [straat] . De rechtbank snapt dat eiser op basis van de tekst van het verkeersbesluit iets anders verwachtte, maar zij is van oordeel dat dit besluit in samenhang met de situatietekening moet worden bekeken.

2. Het besluit is dus duidelijk genoeg, hoewel de tekst in de Staatscourant op zichzelf misschien tot verwarring zou kunnen leiden. Dat is iets waar eiser op had kunnen wijzen als hij door toedoen van die verwarring niet tijdig bezwaar zou hebben gemaakt tegen het verkeersbesluit als zodanig.

3. De conclusie is dat het college terecht heeft geconstateerd dat de laadplekken zijn aangelegd in overeenstemming met het verkeersbesluit, en dat hij daarom niet bevoegd is om daartegen handhavend op te treden. Het handhavingsverzoek is terecht afgewezen.

4. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 17 augustus 2020 door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra dat weer mogelijk is wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.