Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3316

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-08-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4977
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting bedrijfspand, 13b Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4977

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C. Herrewijnen),

en

de burgemeester van de gemeente Woerden, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat het bedrijfspand aan de [adres] te [woonplaats] (het pand) op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van zes maanden wordt gesloten.

Bij besluit van 17 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Derde-partij heeft op 5 juni 2020 een zienswijze ingediend. Verweerder heeft hier op 22 juli 2020 op gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om de zaak schriftelijk af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser exploiteert sinds 2015 in het pand een autobedrijf. Hij huurt het pand van derde-partij.

Derde-partij

Verweerder heeft in zijn reactie van 22 juli 2020 verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 20201 en gesteld dat derde-partij niet als direct belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat hij als verhuurder slechts een afgeleid belang heeft bij de sluiting van het pand. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Daartoe acht de rechtbank van belang dat die zaak ging over de intrekking van vergunningen en niet over de sluiting van een pand. Ook een verhuurder moet de sluiting van een pand immers respecteren, waardoor hij wordt beperkt in het gebruik van de eigendom van het pand en dus een direct belang heeft om als partij deel te nemen.

Bestuurlijke rapportages

2. Verweerder heeft twee bestuurlijke rapportages over het pand van 15 maart 2019 en 15 mei 2019 overgelegd. Eiser beschikt ook over deze bestuurlijke rapportages. Daarnaast heeft verweerder een bestuurlijke rapportage van 13 mei 2016 (over horecagelegenheid [horecagelegenheid] ) en van 29 mei 2019 (“aanvulling 2” over het pand) overgelegd. Daarbij heeft verweerder een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb. Bij beslissing van 30 januari 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de gevraagde beperkte kennisneming van de gelakte delen van de bestuurlijke rapportages gerechtvaardigd is. Deze gelakte delen blijven dus geheim voor eiser. Eiser heeft toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De rechtbank heeft daarna kennis genomen van de gelakte delen van de bestuurlijke rapportages.

Waarom heeft verweerder besloten het pand te sluiten?

3. Verweerder heeft besloten het pand te sluiten in verband met de volgende omstandigheden. Bij een doorzoeking op 9 januari 2019 is 4,21 gram harddrugs (amfetamine) aangetroffen in het pand. Dat is een handelshoeveelheid. In combinatie met de overige bevindingen zoals vermeld in de bestuurlijke rapportages, is verweerder tot de conclusie gekomen dat het pand onderdeel uitmaakt van de handel in drugs en dat sluiting van het pand geboden is. Die overige bevindingen wijzen erop dat eiser geen onbekende is in het drugscircuit en omgaat met personen met criminele antecedenten en het bedrijf van eiser een ongewenste bekendheid geniet in het criminele circuit. Omdat niet is gebleken van overlast heeft verweerder de duur van de sluiting beperkt tot zes maanden. Het pand is gesloten met ingang van 10 juli 2019 en is dus inmiddels weer open.

Waarom had verweerder volgens eiser het pand niet mogen sluiten?

4. Eiser voert aan dat in het pand geen drugs aanwezig waren voor verkoop of verstrekking en dat verweerder daarom niet bevoegd was om artikel 13b van de Opiumwet toe te passen. Eiser wist niet dat er drugs in het pand aanwezig waren. De drugs zijn gevonden in een ruimte die voor bezoekers toegankelijk was, zodat iedereen de drugs daar kan hebben achtergelaten. Eiser stelt dat nooit is vastgesteld dat vanuit het pand drughandel heeft plaatsgevonden en dat daar ook geen aanwijzingen voor zijn. De enkele aanwezigheid van de drugs is zonder verdere indicaties onvoldoende om het pand te sluiten. Verder stelt eiser dat verweerder van onjuiste aannames uitgaat. Zo weet eiser niets van een PGP-telefoon die volgens verweerder in het pand is aangetroffen. Verder zijn de antecedenten die verweerder noemt deels onjuist en deels meer dan tien jaar oud en daarom niet relevant. Eiser betwist dat hij betrokken is bij het criminele circuit.

5. Als wordt aangenomen dat verweerder wel bevoegd was om artikel 13b van de Opiumwet toe te passen, dan stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder geen gebruik mocht maken van die bevoegdheid. Er was volgens eiser geen noodzaak tot sluiting omdat niets wijst op bekendheid van het pand als drugspand en omdat de openbare orde niet geschonden is. Verder was een sluiting niet proportioneel omdat geen sprake was van een ernstig geval. Eiser wist immers van niets, het ging om een kleine hoeveelheid drugs, er heeft geen verkoop plaatsgevonden, er was geen loop naar het pand en er zijn geen andere strafbare feiten gepleegd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Bevoegdheid

6. Als in een pand meer dan 0,5 gram harddrugs wordt aangetroffen, is aannemelijk dat die drugs zijn bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het is dan aan de rechthebbende van het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval de bevoegdheid had om een last onder bestuursdwang op te leggen. Uit de bestuurlijke rapportage van 15 maart 2019 blijkt dat in het pand een plastic zakje met daarin 4,21 gram wit poeder is aangetroffen en dat een indicatieve drugstest er op wees dat het om amfetamine, een harddrug, ging. Daarom heeft verweerder kunnen concluderen dat de drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat eiser niets wist van de aanwezigheid van de drugs maakt niet dat verweerder niet bevoegd was om het pand te sluiten. Als huurder en gebruiker van het pand is eiser verantwoordelijk voor wat daar gebeurt en wat daar aanwezig is. Voor het ontstaan van de bevoegdheid is niet noodzakelijk dat is vastgesteld dat eiser op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs of dat daadwerkelijk handel vanuit het pand heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft verder bij zijn besluitvorming mogen betrekken dat in het pand een ‘PGP-telefoon’ is aangetroffen. Uit de bestuurlijke rapportage van 15 mei 2019 komt naar voren dat uit politieonderzoek is gebleken dat deze telefoon is gevonden onder een werkbank in de garage en dat eiser deze telefoon bewaarde voor iemand die in voorlopige hechtenis zat in het kader van een opsporingsonderzoek naar import van een grote hoeveelheid cocaïne. Verder heeft verweerder bij zijn besluitvorming mogen betrekken dat eiser vanaf 2010 twee keer in de politiesystemen voorkomt in verband met de handel in softdrugs en dat eiser in 2017 een auto bestuurde van een buitenlands leasebedrijf, waarvan de voertuigen bij herhaling in verband zijn gebracht met strafbare feiten, verdachte situaties en personen met criminele antecedenten.

8. Omdat verweerder gelet op het voorgaande bevoegd was het pand te sluiten, komt de rechtbank toe aan de vraag of verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik mocht maken. Bij de beantwoording van die vraag is van belang of sluiting van het pand noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat te beschermen en de openbare orde te herstellen. Daarnaast is van belang of een sluiting voor zes maanden evenredig is.

Noodzakelijkheid

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sluiting van het pand noodzakelijk is. Als een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen in een pand, mag aangenomen worden dat het pand een rol vervult binnen een keten van drugshandel. Dit levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als geen overlast rondom of feitelijke drugshandel vanuit het pand is geconstateerd. Met een sluiting wordt het pand aan het drugscircuit onttrokken en de bekendheid doorbroken. Dat het pand bekendheid geniet in het drugscircuit is voldoende aannemelijk door de PGP-telefoon die in het pand is aangetroffen, in combinatie met de drugs die zijn aangetroffen.

Evenredigheid

10. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel verweerder de sluiting achterwege had moeten laten. Dat de financiële gevolgen voor eiser groot zijn is op zichzelf geen reden om aan te nemen dat de sluiting eiser onevenredig zwaar treft in verhouding tot het doel van de sluiting.

Conclusie

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd was het pand te sluiten en dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Dat betekent dat verweerder het pand mocht doen sluiten voor de duur van zes maanden.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 17 augustus 2020 gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2020:269