Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3310

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4640
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand, verblijfsdocument EU, onjuiste toets, Chavez, niet sprake van zodanige afhankelijkheidsrelatie, beroep artikel 11 Pw, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4640

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: M.K. Riemersma).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijstand afgewezen.

Bij besluit van 16 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien hebben partijen de rechtbank nog verschillende stukken dan wel e‑mailberichten toegestuurd die in kopie naar de wederpartij zijn gestuurd.

Nadat geen van de partijen binnen de hiervoor gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht ter zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek op 8 juni 2020 gesloten.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank een stuk van verweerder, gedateerd 19 mei 2020, waarvan vóór de sluiting van het onderzoek op 8 juni 202 per abuis niet een kopie naar eisers gemachtigde was gestuurd alsnog op 9 juni 2020 doorgestuurd naar eisers gemachtigde. Het onderzoek is daarmee heropend en eisers gemachtigde is gevraagd of zij nog op het voormelde stuk van verweerder wil reageren. Eisers gemachtigde heeft op 22 juni 2020 telefonisch verklaard dat zij hier niet meer op wil reageren en heeft toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heden, vóór het doen van deze uitspraak gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiser is geen griffierecht verschuldigd.

2. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.1.

Eiser is geboren op [1982] en hij stelt dat hij de Sierra Leoonse nationaliteit heeft. Verder stelt hij dat uit zijn relatie met mevrouw [A] op [2010] in [geboorteplaats] een dochter is geboren, genaamd [dochter] . Op [2019] heeft eiser [dochter] erkend.

2.2.

Eiser heeft geen bekend adres. Hij zwerft binnen de gemeente [gemeente] .

2.3.

Eiser heeft tot 1 mei 2011 bijstand van verweerder ontvangen.

2.4.

Op 25 juni 2018 heeft eiser een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument ingediend en in dat kader toetsing aan het recht van de Europese Unie (EU) verzocht. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (staatssecretaris) heeft bij besluit van 22 november 2018 vastgesteld dat eiser geen van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) afgeleid verblijfsrecht heeft en dat hij Nederland direct dient te verlaten. Volgens de staatssecretaris staat de identiteit van eiser niet vast, staat de familierechtelijke relatie tussen eiser en [dochter] niet vast en is niet aangetoond dat er tussen eiser en [dochter] een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat [dochter] bij uitzetting van eiser ook het grondgebied van de EU moet verlaten.
Tegen dit besluit van de staatssecretaris heeft eiser bezwaar gemaakt. Het bezwaar van eiser heeft de staatssecretaris bij besluit van 26 februari 2019 ongegrond verklaard.
De rechtbank Den Haag heeft eisers beroep tegen dit besluit op bezwaar ongegrond verklaard bij uitspraak van 17 oktober 2019.

2.5.

Op 8 november 2019 heeft eiser een nieuwe aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument bij de staatssecretaris ingediend en in dat kader wederom om toetsing aan het recht van de EU verzocht.

2.6.

Op 26 juni 2018 heeft eiser een aanvraag om bijstand ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 10 augustus 2018 afgewezen op de grond dat eiser niet tot de kring van rechthebbenden van de Participatiewet (Pw) behoort als bedoeld in artikel 11 van de Pw. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Tegen het besluit van 10 december 2018, waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2018 ongegrond is verklaard, heeft eiser beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft dit beroep van eiser bij uitspraak van 28 januari 2020 (UTR 19/277) ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld.

2.7.

Op 28 maart 2019 heeft eiser de huidige opvolgende aanvraag om bijstand ingediend.

3. In de bestreden besluitvorming heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in het kader van de huidige opvolgende bijstandsaanvraag van eiser niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het voorafgaande afwijzende besluit van 10 augustus 2018. Verweerder is in de bestuurlijke fase in overleg met de staatssecretaris getreden en volgt het standpunt van de staatssecretaris dat eiser geen van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht heeft en verweerder heeft ook zelf beoordeeld of eiser een van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht heeft. Volgens verweerder heeft eiser met de ingebrachte stukken onvoldoende zicht gegeven op zijn zorgtaken, rol en afhankelijkheidsrelatie ten aanzien van [dochter] . Eiser heeft dan ook niet aangetoond dat sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen hem en [dochter] , waaruit zou volgen dat wanneer hij het grondgebied van de EU zou verlaten [dochter] gehouden is hem te volgen. Gelet hierop heeft hij geen rechtmatig verblijf in Nederland en heeft hij op grond van artikel 11 van de Participatiewet (Pw) geen recht op bijstand.

4. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van de datum van de aanvraag tot de datum van het primaire besluit, dus in dit geval van 28 maart 2019 tot en met 11 juni 2019.

5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat verweerder een onjuiste toets heeft aangelegd. Er is geen sprake van een herhaalde aanvraag. Het gaat immers om een duuraanspraak en eiser heeft niet gevraagd om bijstand met terugwerkende kracht.

6. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1 ligt het op de weg van de aanvrager indien na een afwijzing van een eerdere aanvraag om periodieke bijstand hij een nieuwe aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat later tijdstip wel voldoet aan de vereisten/voorwaarden voor het recht op bijstand. De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken, vast dat verweerder voormelde toets en dus de juiste toets in het bestreden besluit heeft aangelegd.

7. Eiser heeft verder met verwijzing naar een uitspraak van de CRvB van 18 december 20182aangevoerd dat verweerder pas mag afgaan op het oordeel van de staatssecretaris als dat oordeel onaantastbaar is. Dat is dit niet aan de orde. Er is nog een hoger beroep aanhangig tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2019.

8. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

8.1.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB3 is het de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven.
Het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 4, derde lid, van het VWEU, brengt mee dat de autoriteiten van de lidstaten met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Dit geldt des te meer voor autoriteiten binnen een lidstaat. Het ligt dan ook bij de beoordeling van het recht op bijstand van een betrokkene op de weg van het bijstandverlenende orgaan om in overleg met de staatssecretaris te onderzoeken of betrokkene aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen en dus rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en voor toepassing van de Pw met een Nederlander gelijk moet worden gesteld.

Ingeval de staatssecretaris met ingang van de te beoordelen periode of in een periode daarvoor heeft vastgesteld dat betrokkene geen rechtmatig verblijf meer heeft op grond van het Unierecht en dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden, mag een bijstandverlenend orgaan afgaan op de juistheid van de toepassing van het Unierecht op het geval van de betrokkene door de staatssecretaris en behoeft het niet nader in contact te treden met de staatssecretaris en/of zelf te beoordelen of betrokkene met ingang van de te beoordelen periode rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Indien echter na dat besluit van de staatssecretaris zich een wijziging voordoet van omstandigheden die kan leiden tot rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht, vormt dat aanleiding om wel met de staatssecretaris in overleg te treden.

8.2.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige bestuurlijke fase nog geen sprake was van een in rechte onaantastbaar besluit van de staatssecretaris over zijn verblijfsrecht. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder in de bestuurlijke fase in contact is getreden met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om te onderzoeken of eiser in de te beoordelen periode hier te lande een van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht had en dus in de te beoordelen periode rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw. Verweerder is in de bestreden besluitvorming niet alleen afgegaan op het standpunt van verweerder maar heeft zelf beoordeeld of eiser in de te beoordelen periode een van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht had.
Gelet op voormelde handelswijze van verweerder heeft hij dus in overeenstemming met de onder 8.1. bedoelde vaste rechtspraak van de CRvB gehandeld.

9. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het voorafgaande afwijzende besluit van 10 augustus 2018. De wijziging van feiten en omstandigheden ten opzichte van de vorige aanvraag volgt uit de beschikking van deze rechtbank, de meervoudige Familiekamer, van 22 februari 2019. Uit deze beschikking volgt dat:

  • -

    de identiteit van eiser vaststaat;

  • -

    vaststaat dat eiser de vader van [dochter] is;

  • -

    niet langer in geding is dat hij zorgtaken heeft voor [dochter] .

Eiser wijst ook op de omstandigheid dat hij [dochter] op [2019] heeft kunnen erkennen. Nu vaststaat dat hij haar vader is en zorgtaken heeft, is het voldoende aannemelijk dat [dochter] in haar rechten wordt geschaad als zijn verblijf hier te lande niet wordt toegestaan. Het is evident in het belang van [dochter] dat haar vader bij haar binnen de EU kan blijven, gezien haar recht op familieleven met beide ouders en haar ontwikkeling en de risico’s voor haar evenwicht bij verwijdering van haar vader uit de EU.
Eiser heeft voldoende bewijs geleverd. Alle gegevens zijn verschaft. Zo is er een ouderschapsplan overgelegd alsook foto’s en berichten waaruit volgt dat eiser zorgtaken heeft. Nu ligt de onderzoeksplicht bij verweerder. Het had op de weg van verweerder gelegen om onderzoek in te laten stellen, bijvoorbeeld door de Raad voor de Kinderbescherming.
Er is een onjuiste toets aangelegd, omdat het belang van [dochter] niet is getoetst, waarbij er niet is gekeken naar haar leeftijd haar lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van affectieve relatie met beide ouders en het risico voor het evenwicht van [dochter] indien zij van haar vader zou worden gescheiden.

10. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

10.1.

Uit het arrest Chavez-Vilchez e.a. van 10 mei 20174 volgt, voor zover hier relevant, dat artikel 20 van het VWEU eraan in de weg staat dat een kind, zijnde een burger van de EU, gedwongen zou zijn om het grondgebied van de EU te verlaten, doordat aan een ouder het verblijfsrecht in de betrokken lidstaat wordt geweigerd. Bij de beoordeling of dit het geval is, moet worden vastgesteld of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder en of het kind de EU zou moeten verlaten in geval van een weigering van verblijfsrecht aan die ouder. Hierbij dienen, in het hogere belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing te worden betrokken, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van het kind, de mate van affectieve relatie van het kind met zowel de ouder die burger van de Unie is als met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.

Het is in beginsel aan de ouder die onderdaan van een derde land is om de gegevens over te leggen waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan artikel 20 van het VWEU ontleent, in het bijzonder de gegevens die aantonen dat bij weigering van een verblijfsrecht het kind het grondgebied van de EU zou moeten verlaten.
Vervolgens dienen de autoriteiten van de betrokken lidstaat aan de hand van de door de onderdaan van een derde land verstrekte gegevens het nodige onderzoek te doen om vast te stellen waar de ouder die onderdaan van die lidstaat is woont en om te onderzoeken, in de eerste plaats, of die ouder daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke last voor het kind kan en wil dragen en, in de tweede plaats, of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land dat het kind bij weigering van een verblijfsrecht aan deze ouder het effectieve genot van de essentie van de aan de status van burger van de EU ontleende rechten zou worden ontzegd doordat het genoopt zou zijn het grondgebied van de EU in zijn geheel te verlaten.

10.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het voorafgaande afwijzende besluit van 10 augustus 2018 die thans wel tot de conclusie zouden kunnen leiden dat in de te beoordelen periode bij weigering van een verblijfsrecht aan eiser [dochter] genoopt zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten.
Eiser heeft immers geen objectieve verifieerbare gegevens verstrekt waaruit blijkt van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen hem en [dochter] , dat zij gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan hem het verblijfsrecht zou worden geweigerd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de door eiser overgelegde stukken, zoals de beschikking van de meervoudige familiekamer van deze rechtbank van 22 februari 2019, het overgelegde ouderschapsplan, foto’s en berichten, niet blijkt dat een groot risico voor een evenwichtige ontwikkeling van [dochter] zal ontstaan als zij van eiser gescheiden raakt, dan wel dat de ontwikkeling van [dochter] op enigerlei (andere) wijze zou worden bedreigd als eiser niet meer in Nederland zou wonen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat voormelde beschikking van 22 februari 2019 is vernietigd bij beschikking van het Hof Arnhem Leeuwaarden van 31 oktober 2019.
De omstandigheid dat eiser [dochter] inmiddels heeft erkend is een omstandigheid die dateert van na de te beoordelen periode. Om die reden kan deze erkenning niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Ten overvloede is de rechtbank van oordeel dat uit de enkele erkenning van [dochter] door eiser evenmin volgt dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en [dochter] zoals hierboven bedoeld.
De stelling van eiser dat het op de weg van verweerder had gelegen om onderzoek in te laten stellen, bijvoorbeeld door de Raad voor de Kinderbescherming, onderschrijft de rechtbank niet. Immers, zoals onder 10.1. is weergegeven volgt uit het arrest Chavez-Vilchez dat verweerder het nodige onderzoek moet doen aan de hand van door eiser verschafte gegevens. Het ligt dus op de weg van eiser om gegevens over te leggen ter onderbouwing van zijn stelling dat [dochter] ontwikkeling bedreigd wordt als eiser buiten de EU zou wonen en vervolgens op de weg van verweerder om die gegevens te onderzoeken. Gezien de bestreden besluitvorming heeft verweerder dat ook gedaan. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat hetgeen eiser heeft aangedragen onvoldoende is voor de conclusie dat bij weigering van een verblijfsrecht aan eiser [dochter] genoopt zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten. Anders dan eiser heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangen van [dochter] heeft meegewogen aan de hand van de door eiser overgelegde gegevens.

11. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat hij wel met een Nederlander gelijk moet worden gesteld en dus aanspraak had op bijstand. Hij heeft immers een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 20 van het VWEU ingediend en is in bezwaar gekomen tegen de afwijzing van daarvan. Gelet hierop had hij wel rechtmatig verblijf en daarmee dus ook recht op bijstand.

12. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond, waarmee eiser in feite een beroep doet op artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw, niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. In de eerste plaats is van belang dat de op 28 maart 2019 ingediende aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument, dat slechts declaratoir van aard is, niet kan worden aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20, 33 en 45a van de Vw. Eiser was in de te beoordelen periode dus niet in afwachting van een beslissing op een aanvraag als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw. Voorts was in de te beoordelen periode geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw, waarin de uitzetting van eiser krachtens de wet of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege diende te blijven. Eiser voldeed in de te beoordelen periode dan ook niet aan de voorwaarden van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw. Daarom kon eiser niet met een Nederlander worden gelijkgesteld en had hij dus ook geen aanspraak op bijstand.

13. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Beijl, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 augustus 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd om deze rechter

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie de uitspraak van de CRvB van 2 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2175), te raadplegen op www.rechtspraak.nl

2 ECLI:NL:CRVB:2018:4200.

3 Ibidem.

4 C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354.