Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3308

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
16/047462-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 februari 2020 te [woonplaats], alleen, opzettelijk heeft verwerkt en aanwezig heeft gehad in een woning gelegen aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal 24,89 kilogram hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Verdachte wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen.

De rechtbank:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat een gedeelte van 3 maanden van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/047462-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1989] te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen verdachte heeft plaatsgevonden op 25 mei 2020 en 3 augustus 2020. Verdachte was bij de behandeling van de zaak aanwezig, waardoor sprake is van een vonnis op tegenspraak.

De rechtbank heeft op de zitting gesproken met en geluisterd naar officier van justitie mr. F. Rethmeijer, verdachte en de advocaat van verdachte, mr. M. Hoevers.

TENLASTELEGGING

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat hij:

op 21 februari 2020 in Amersfoort samen met iemand anders in de uitoefening van een beroep of bedrijf 26,29 kilo hennep heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of aanwezig heeft gehad.

Deze verdenking staat beschreven in de tenlastelegging. De volledige tenlastelegging is als bijlage bij dit vonnis opgenomen.

VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

WAARDERING VAN HET BEWIJS

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De hennep is aangetroffen in de woning van verdachte en hij wist ook dat die hennep zich daar bevond. Volgens de officier heeft verdachte de hennep samen met een ander in zijn bezit gehad. De officier van justitie vindt dat ook bewezen kan worden dat verdachte de hennep beroepsmatig in zijn bezit had, gelet op de aangetroffen hoeveelheid en de apparatuur.

Het standpunt van de advocaat

Volgens de advocaat heeft verdachte de hennep voor iemand anders bewaard. Verdachte zou dit alleen hebben gedaan. Van enige handel in hennep – en daarmee beroeps- of bedrijfsmatig handelen – door verdachte was volgens de advocaat geen sprake.

Het oordeel van de rechtbank 1

De bewijsmiddelen

Op vrijdag 21 februari 2020 omstreeks 13.40 uur bevonden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich bij de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Na het verkrijgen van een machtiging zijn de verbalisanten vervolgens de woning aan de [adres] binnengegaan. Aldaar troffen zij verdachte aan. Verder zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op diverse plekken in de woning strijkzakken liggen die (gedeeltelijk) gevuld waren met henneptoppen. Verbalisant [verbalisant 2] zag daarnaast dat er in een van de kamers op de begane grond een koolstoffilter en een afzuigmotor/slakkenhuis stonden, die met luchtslangen op elkaar aangesloten waren. Ook zag hij in deze kamer meerdere opengevouwen kartonnen dozen staan met daarin kleine resten van henneptoppen en zag hij op een kastje enkele losse henneptoppen liggen. Verder zag hij stiften, een stanleymes en een weegschaal op de grond van de kamer liggen. Op een andere kamer zag verbalisant [verbalisant 2] een strijkijzer liggen waar een stuk plastic aan vastzat. In de hal van de woning zag hij een geopende vuilniszak liggen met daarin meerdere opgevouwen strijkzakken. Verbalisant [verbalisant 2] zag in de hal ook meerdere brandende kaarsen staan. De aangetroffen strijkzakken zijn door de verbalisanten in beslag genomen.2

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben meerdere representatieve monsters genomen van de aangetroffen henneptoppen. Deze monsters zijn door hen getest. Zij zagen dat de testen een duidelijke positieve kleurreactie gaven, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep.3

Op 25 februari 2020 zijn de henneptoppen gewogen op een geijkte weegschaal. De henneptoppen bleken 24,89 kilo te wegen.4

Verdachte heeft op de zitting aangegeven dat de hennep zich in zijn woning bevond en dat hij hiervan wist.5

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van voorgaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een hoeveelheid van 24,89 kilo hennep in zijn woning aanwezig had. Van het meerdere – in de tenlastelegging is een hoeveelheid van 26,29 kilogram opgenomen – zal verdachte worden vrijgesproken.

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hennep in zijn woning heeft verwerkt. Daarbij baseert de rechtbank zich op de in de woning aangetroffen apparatuur, de slechts gedeeltelijk gevulde en (nog) niet gesealde strijkzakken, de losse henneptoppen, en de brandende kaarsen. Verdachte heeft hierover ter zitting (voor het eerst) verklaard dat iemand anders in zijn woning zou zijn geweest en zich zou hebben beziggehouden met het verwerken van de hennep. Deze verklaring wordt niet ondersteund door enig bewijsstuk in het dossier en is (ook overigens) niet concreet en verifieerbaar. De rechtbank acht de verklaring gelet hierop niet aannemelijk.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen. In het dossier bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen aannemen dat ook een ander persoon wist van de in de woning aanwezige hennep en die hennep zich ook in zijn machtssfeer bevond.

De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van het ten laste gelegde handelen in de uitoefening van beroep en bedrijf. De rechtbank stelt daarbij voorop dat aan de vaststelling van het bestanddeel “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld, mede gelet op het strafverhogende effect daarvan (zie ECLI:NL:HR:2014:2756). De feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het bestanddeel “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” te kunnen komen. Weliswaar is er een aanzienlijke hoeveelheid hennep aangetroffen, maar dat is op zichzelf niet doorslaggevend. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een zekere stelselmatigheid en duurzaamheid. De omstandigheden waaronder de hennep is aangetroffen duiden evenmin op een zodanig professionele onderneming dat gesproken kan worden van het uitoefenen van een beroep of bedrijf in de zin van artikel 11 lid 3 Opiumwet.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 21 februari 2020 te [woonplaats] , alleen, opzettelijk heeft verwerkt en aanwezig heeft gehad in een woning gelegen aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal 24,89 kilogram hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Verdachte wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten in de tenlastelegging verbeterd. Dat is volgens de rechtbank niet nadelig voor verdachte.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Er is niet gebleken dat er zo'n rechtvaardigingsgrond voor de door verdachte gepleegde feiten bestond. Het door verdachte gepleegde feit is dus strafbaar.

De wet noemt het door verdachte gepleegde feit:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Er is niet gebleken dat er in het geval van verdachte sprake is van zo’n schulduitsluitingsgrond. Verdachte is dus strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de algemene voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht.

Het standpunt van de advocaat

De advocaat heeft verzocht om een eventueel op te leggen straf te beperken tot een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten. Daarbij heeft de advocaat gewezen op de beperkte rol van verdachte. De drugs zouden niet van hem zijn geweest en hij zou ook niet hebben geweten dat het zoveel was. Daarnaast heeft de advocaat gewezen op het feit dat het voorarrest is uitgezeten gedurende de corona lockdown waardoor de detentie zwaarder was dan gewoonlijk.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd

Verdachte heeft een grote hoeveelheid aan henneptoppen aanwezig gehad. Softdrugs kunnen, zeker bij intensief/langdurig gebruik, schadelijk zijn voor de gezondheid. Gezien de hoeveelheid aangetroffen hennep kan het niet anders dan dat deze bestemd was voor de handel. Naast gezondheidsrisico’s voor de gebruikers van hennep, leidt de handel daarin veelal tot negatieve maatschappelijke effecten, nu dit niet zelden gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit.

De persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit de justitiële documentatie (het ‘strafblad’) van verdachte blijkt dat hij in 2007 een keer veroordeeld is voor een drugsfeit. Gelet op het tijdsverloop sindsdien zal de rechtbank het strafblad van verdachte niet in strafverzwarende zin meewegen.

Strafoplegging

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft oriëntatiepunten opgesteld die als uitgangspunt kunnen dienen bij het bepalen van een straf. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezen verklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten. Het uitgangspunt voor het bezit van 10 tot 25 kilogram softdrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zal de rechtbank in het voordeel van verdachte afwijken van dit uitgangspunt en aansluiten bij de eis van de officier van justitie. De rechtbank vindt het wenselijk om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen hechtenis, passend en geboden. Van de gevangenisstraf zal een gedeelte van 3 maanden voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar en de algemene voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

BESLAG

In het dossier bevindt zich een beslaglijst. Uit deze beslaglijst blijkt dat onder verdachte de volgende goederen door de politie in beslag zijn genomen:

  • -

    twee koolstoffilters;

  • -

    een afzuigmotor en

  • -

    een rode standkachel.

De rechtbank zal de in beslag genomen goederen verbeurd verklaren, aangezien het onder rubriek 5 bewezen verklaarde feit met behulp van deze voorwerpen is begaan.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

- 14 a, 14b, 14c, 9, 22c, 22d, 33, 33a van het Wetboek van Strafrecht en

- 3 en 11 van de Opiumwet,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat een gedeelte van 3 maanden van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

o twee koolstoffilters;

o een afzuigmotor;

o een rode standkachel.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. ter Meulen, voorzitter, mrs. I.J.B. Corbeij en L.C. Michon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. Versluis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 augustus 2020.

Mr. H.J. ter Meulen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 februari 2020 te [woonplaats] tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening

van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt,

verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft gehad (in een woning gelegen aan de [adres] )

een hoeveelheid van in totaal (ongeveer) 26,29 kilogram hennep, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet,

( art 11 lid 3 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met registratienummer PL0900-2020054722, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 154. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2020, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 9-12.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2020, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 12.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 25 februari 2020, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , p. 93.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting van 3 augustus 2020.