Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3291

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1589
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond, OBR kent geen afwijkingsbevoegdheid bij bijzondere feiten/omstandigheden, OBR is gepubliceerd in de Staatscourant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1589

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: A. Koelewijn),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Pinar).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres, geboren op [1954] , met terugwerkende kracht vanaf 7 september 2019 en tot 7 januari 2021 een overbruggingsuitkering op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) toegekend. In dit besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiseres:

  • -

    over de maand september 2019 een nabetaling van € 555,55 netto;

  • -

    vanaf de maand oktober 2019 € 646,94 netto per maand; en

  • -

    in de maand januari 2021 € 134,41 netto

ontvangt.

Bij besluit van 12 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de hoogte van de overbruggingsuitkering ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via een beeld- en geluidverbinding (Skype) plaatsgevonden op 11 augustus 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de overbruggingsuitkering op een hoger bedrag zou moeten worden vastgesteld. Ter motivering hiervan heeft eiseres het volgende gesteld. Zij had de mogelijkheid om de hoogte van haar levensloopuitkering te verhogen zodat zij in de zesde kalendermaand, voorafgaand aan de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, een hogere levensloopuitkering zou hebben gehad. Zij is niet in de gelegenheid is gesteld om het voormelde te bewerkstelligen. Daarom moet verweerder het toetsmoment alsnog laten vallen in de maand voorafgaande aan de 65-jarige leeftijd, waarin zij een levensloopuitkering van € 800,- heeft ontvangen.

2. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2.1.

Artikel 11, eerste lid, van de OBR bepaalt dat indien de hoogte van de bruto-overbruggingsuitkering, bedoeld in artikel 4, vastgesteld op grond van de artikelen 8 tot en met 10, meer bedraagt dan het bruto-inkomen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 5, over de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin een rechthebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt, de hoogte van de overbruggingsuitkering wordt vastgesteld op het lagere bedrag van dat inkomen.

2.2.

Gezien de gedingstukken stelt de rechtbank vast dat verweerder de hoogte van de overbruggingsuitkering op de door artikel 11, eerste lid, van de OBR voorgeschreven wijze heeft vastgesteld. Verweerder heeft de hoogte van de overbruggingsuitkering vastgesteld op het bruto-inkomen dat eiseres daadwerkelijk had in de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
De OBR biedt geen grondslag om de hoogte van overbruggingsuitkering op de door eiseres voorgestane wijze vast te stellen.
Dat eiseres de mogelijkheid had om de hoogte van haar levensloopuitkering te verhogen zodat zij in de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt een hogere levensloopuitkering zou hebben ontvangen, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat gezien de OBR de feitelijke inkomenssituatie zoals die was in de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin eiseres de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, van belang is. Feit is en blijft dat eiseres in haar eigen financiële situatie geen aanleiding heeft gezien om de hoogte van de levensloopuitkering bijvoorbeeld met ingang van 1 maart 2019 te verhogen zodat zij in de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt een hogere levensloopuitkering zou hebben ontvangen.

3. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder van artikel 11, eerste lid, van de OBR dient af te wijken, omdat sprake is van een bijzonder geval. Immers, het in artikel 11, eerste lid, van de OBR neergelegde toetsmoment is van niet van algemene bekendheid en eiseres was daarvan niet op de hoogte. Uit de haar ter beschikking bestaande informatie, waaronder informatie op de website van verweerder, heeft zij mogen afleiden dat de maand voorafgaand aan september 2019 het toetsmoment zou zijn. Haar onbekendheid met het in artikel 11, eerste lid, van de OBR neergelegde toetsmoment is verschoonbaar. Van haar kon niet worden gevergd om eigener beweging de OBR te raadplegen. Gezien het rechtszekerheidsbeginsel rustte op verweerder de inlichtingenplicht om haar op het in artikel 11, eerste lid, van de OBR, neergelegde toetsmoment te wijzen.

4. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. In de OBR is niet geregeld dat van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de OBR kan worden afgeweken indien sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden. Reeds daarom kan de beroepsgrond van eiseres dat sprake is van een bijzonder geval en alles wat zij ter motivering daarvan heeft gesteld niet tot het oordeel leiden dat verweerder in afwijking van artikel 11, eerste lid, van de OBR de overbruggingsuitkering op een hoger bedrag had moeten vaststellen.

5. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. De stelling van eiseres dat zij niet (eerder) op de hoogte kon zijn van het in artikel 11, eerste lid, van de OBR neergelegde toetsmoment en dat deze bepaling niet van algemene bekendheid is, onderschrijft de rechtbank niet. Immers, ook in de periode vanaf bijvoorbeeld 1 januari 2019 luidde artikel 11, eerste lid, van de OBR zoals onder 2.1. is weergegeven en was de OBR via publicatie in de Staatscourant algemeen bekend gemaakt. Eiseres kon dan ook in ieder geval vanaf 1 januari 2019 redelijkerwijs op de hoogte zijn van het in dit artikellid neergelegde toetsmoment. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres’ stelling dat op verweerder een inlichtingenplicht rust zoals zij dat voor ogen heeft, geen steun vindt in het recht.

6. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 13 augustus 2020 gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.