Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3281

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
8563957 / ME VERZ 20-74
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding op de h en i grond afgewezen door gebrek aan motivatie. Ontbinding op de g-grond afgewezen; reden: niet duurzaam verstoord. Discussie over wel of niet hersteld na corona klachten en over zorgverlof is reden verstoorde verhouding. Frustratie over overname vennootschap speelt al langer, maar is niet de reden voor de verstoorde verhouding en dit verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0987
Prg. 2020/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Beschikking van 10 augustus 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 8563957 / ME VERZ 20-74 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij, tevens verwerende partij,
gemachtigde mr. W.H.J. Luijer,

tegen

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij, tevens verzoekende partij,

gemachtigde mr. D. Pranjic.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerder] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekster] , door de rechtbank ontvangen op 8 juni 2020;

  • -

    het verweerschrift van [verweerder] door de rechtbank ontvangen op 8 juli 2020;

  • -

    twee nagekomen producties van [verzoekster] ;

  • -

    het herziene verweerschrift en vermeerdering van de tegenverzoeken van [verweerder] door de rechtbank ontvangen op 24 juli 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling die middels een skype-verbinding heeft plaatsgevonden op 27 juli 2020. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1963, heeft op 1 januari 2019 zijn onderneming [verzoekster] verkocht aan [bedrijfsnaam 1] BV en is sinds deze datum in dienst van [verzoekster] als Operational Manager. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

2.2.

In de koopovereenkomst is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst niet voor 31 december 2021 eenzijdig door [verzoekster] kan worden opgezegd, behoudens dringende redenen.

2.3.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Particuliere Beveiliging 2019/2021 (hierna: de cao) van toepassing met ingang van 3 mei 2019.

2.4.

Op 16 maart 2020 heeft [verweerder] zich ziekgemeld met klachten die horen bij besmetting met het Covid-19 virus. Het virus is bij zijn echtgenote vastgesteld.

2.5.

Op 4 mei 2020 heeft [verzoekster] via de mail een brief gestuurd aan [verweerder] . In deze brief staat – voor zover relevant – het volgende.

Ik heb jou woensdag 22 april gebeld met een voorstel, hierop zou je vrijdag 24 april reageren, dit is echter niet gebeurd. Ik heb je vervolgens gebeld en jouw reactie was dat je vrijdag 1 mei zou reageren. Dit is wederom niet gebeurd en heb je een app gestuurd dat jullie er nog niet uit waren en dat je uiterlijk vandaag, 4 mei met een reactie zou komen. (…)

We ontvangen derhalve graag uiterlijk op woensdag 6 mei aanstaande voor 14.00 uur een voorstel van je. Hiervoor zou ik graag jouw inzicht willen hebben hoe lang je denkt het langdurig zorgverlof nodig te hebben. (…) Verder moeten wij afspraken maken over de vraag hoe we de periode vanaf 20 april jongstleden moeten opvatten. Je bent zelf niet ziek maar hebt ook geen verlof. Wij horen graag wat hierin jouw voorstel is. Wij stellen in ieder geval voor om je vanaf 20 april jongstleden hersteld te melden. Dat voorkomt ook dat we problemen krijgen in het kader van de wet Poortwachter. Wij zijn immers daarin onze verplichtingen nagekomen, maar begrijpen dat onze arbodienst ( [bedrijfsnaam 2] ) moeite heeft om jou te bereiken. (…)

Wij willen je tenslotte nog in overweging geven dat de mogelijkheden voor langdurig zorgverlof wellicht te beperkt zijn om de revalidatie van jouw vrouw gedurende de gehele periode te kunnen ondersteunen. Als je voorziet dat de gezondheid van jouw vrouw ook op langere termijn zorg zal vragen dan zijn wij bereid om na te denken over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

2.6.

Op 6 mei 2020 heeft [verweerder] via de mail gereageerd richting [verzoekster] . In deze e-mail staat – voor zover relevant – het volgende.

Even voor de goede orde: Herstel melding 20 april 2020 laat ik aan jou, ik heb mij niet hersteld gemeld. Zoals je weet, zit ik op dit moment, in opdracht van arts, d.d. 21-04-2020, conform laatste richtlijnen, in quarantaine.

2.7.

Op 6 mei 2020 heeft [verweerder] nog een tweede e-mail naar [verzoekster] gestuurd. In deze e-mail staat – voor zover relevant – het volgende.

Heb vandaag even contact met de arbo gezocht; Zou jij in het werkgevers portaal geregistreerde telefoonnummer van mij even willen nakijken en aanpassen (er staat 1, 1, te veel in).

Groet,

[voornaam van verweerder] .

NB. Klopt het dat ik nog niets heb gehoord van de Arbo. Een eventuele uitnodiging moet nog worden verzonden.

2.8.

Op 7 mei 2020 heeft [verzoekster] via de mail een brief gestuurd aan [verweerder] . In deze brief staat – voor zover relevant – het volgende.

Even ter verduidelijking jij bent bij de mannen in Hilversum geweest met het verzoek tot zorgverlof. In dat gesprek heb je aangegeven dat het [verzoekster] geen geld mag kosten, wat dit ook moge betekenen. Je hebt hun gevraagd om mee te denken met jou dit omdat er twee opties waren (aldus jou eigen bewoording) om dat jouw vrouw moet revalideren (zware revalidatie), namelijk:

1. Revalideren in een revalidatiecentrum

2. Revalideren thuis onder regie van jou (JULLIE hebben zelf de keuze gemaakt voor revalidatie thuis)

Het enige wat wij graag willen weten is hoe jij het zorgverlof ziet, hoe lang, welke tijden of andere randvoorwaarden.

Dan geef je aan dat ik maar moet kijken of ik je beter meld, die discussie mag je gelukkig met de Arbo voeren. De Arbo ( [bedrijfsnaam 2] ) is wel degelijk bij je bekend, de polis die er loopt heb je zelf afgesloten. Daarnaast heb je minimaal 4 gemiste gesprekken en had je makkelijk kunnen terug bellen, toch? Maar voor de zekerheid is hier het nummer van [bedrijfsnaam 2] (telefoon [telefoonnummer] ) en verzoek ik je dit punt met hun te bespreken, Wellicht kun je direct de opdracht van jouw arts hier bespreken. Wij hebben hen doorgegeven hoe het gesprek met jou, [voornaam van B] en [voornaam van A] , ten aanzien van jouw verzoek tot zorgverlof en de e-mail die je daarvoor hebt gestuurd, is verlopen.

(…)

Nu je zelf geen uitsluitsel geeft ten aanzien van jouw afwezigheid sinds 20 april berichten wij jou dat wij deze periode aanmerken als opgenomen vakantiedagen.

2.9.

Op 8 mei 2020 heeft [verweerder] via de mail gereageerd richting [verzoekster] . In deze e-mail staat – voor zover relevant – het volgende.

Klopt, ik heb gevraagd of er een mogelijkheid is tot zorgverlof. Heb dit zelfs ook nog per mail gedaan.

Als reactie van jullie kant verwijs ik naar ons telefoongesprek d.d. 22-04-2020; 1 optie werd benoemd, vaststellingsovereenkomst (dus ontslag), 3 maanden loon en daarna een uitkering. (…) Ontslag en daarmee afstand doen van alle rechten als je een vraag stelt over zorgverlof, ik zit daar nu niet op te wachten.

2.10.

Op 8 mei 2020 heeft [verzoekster] vervolgens via de mail een brief gestuurd aan [verweerder] . In deze brief staat – voor zover relevant – het volgende.

Hoewel je al een aantal weken aangeeft dat je graag samen zou werken aan een oplossing voor de zorgtaak die voor je opdoemt, moet ik constateren dat je ondanks herhaalde toezeggingen en herhaalde aansporingen geen enkel initiatief hebt genomen om tot een oplossing voor zorgverlof (of een langduriger oplossing) te komen. (…) Wij zullen vanwege je afwachtende, nonchalante houding, geen initiatieven nemen om binnen de arbeidsovereenkomst oplossingen voor jouw probleem te zoeken. Ieder initiatief zal dus van jouw kant moeten komen. Nu dat initiatief is uitgebleven, en je ook geen geldige reden hebt om het werk niet te hervatten, zullen we je verlof per 11 mei as. als beëindigd beschouwen.

Wij verzoeken en voor zo ver nodig sommeren wij je om je werkzaamheden per die datum te hervatten,

Een ziekmelding vanwege de inmiddels ontstane (minder goede) arbeidsverhouding, of in verband met corona-gerelateerde (zorg)problematiek, zullen wij niet accepteren. (…) Op een dergelijke ziekmelding zullen wij derhalve uitsluitend kunnen reageren met een opzegging om dringende redenen.

2.11.

Op 11 mei 2020 heeft [verzoekster] via de mail een brief gestuurd aan [verweerder] . In deze brief staat – voor zover relevant – het volgende.

Helaas heb je vandaag je werkzaamheden niet volgens opdracht hervat. Omdat je zonder daar een geldige reden voor te hebben niet hebt gewerkt, zullen wij vandaag aanmerken als onbetaald verlof. (…) In het gesprek met [C (voornaam)] suggereerde je min of meer dat je ziek zou zijn. Je zou althans wachten op een oproep van de bedrijfsarts. Die suggestie is niet in overeenstemming te brengen met je verzoek om vrijgesteld te worden van werk in het kader van zorgverlof o.i.d.. Ons is geen actuele ziekmelding bekend maar voor zo ver je die ziekmelding alsnog zou doen, verwijzen wij je naar ons bericht van vrijdag jl. We weten immers allemaal wat de afgelopen weken de belangrijkste reden voor je langdurige afwezigheid is. (…)

Tot het moment dat we eruit zijn (en we zijn echt de beroerdste niet) verwachten wij dat je de overeengekomen werkzaamheden op de overeengekomen wijze uitvoert en dat je op momenten waarop je daar niet toe in staat zou zijn er te allen tijde alert op blijft dat je per telefoon, whats-app of per e-mail, bereikbaar bent om gehoor te geven aan onze redelijke opdrachten.

Als je morgen om welke reden dan ook niet op het werk verschijnt dan zul je ons geen andere keus laten dan je met onmiddellijke ingang op grond van een dringende reden te ontslaan.

2.12.

Op 12 mei 2020 heeft [verzoekster] via de mail een brief gestuurd aan [verweerder] . In deze brief staat – voor zover relevant – het volgende.

Wij zullen je afwezigheid wederom opvatten als een weigering om het overeengekomen werk te verrichten. Ook vandaag zal derhalve beschouwd worden aangemerkt als onbetaald verlof.

Wij zullen verdere loondoorbetaling opschorten totdat je de overeengekomen werkzaamheden zonder mankeren verricht.

(…)

Indien je morgen zonder geldige reden niet op het werk verschijnt dan zullen wij je zonder verdere waarschuwing (die heb je immers al meerdere keren gehad) op staande voet ontslaan.

2.13.

Op 13 mei 2020 heeft [verweerder] zijn werkzaamheden niet hervat. Daarom heeft [verzoekster] [verweerder] geschorst en de loonbetalingen stopgezet.

2.14.

Op 22 mei 2020 heeft de gemachtigde van [verweerder] een brief gestuurd aan [verzoekster] . In deze brief staat dat de schorsing onterecht is, omdat [verweerder] ziek is gemeld. [verweerder] heeft zich niet beter gemeld. Verder schrijft de gemachtigde van [verweerder] dat het telefoonnummer van [verweerder] verkeerd is doorgegeven door de werkgever en dat een nieuwe afspraak door [verzoekster] verzocht moet worden bij de arbodienst. [verweerder] heeft direct aan [verzoekster] doorgegeven dat een nieuwe afspraak gemaakt moet worden.

2.15.

Op 26 mei 2020 heeft de gemachtigde van [verzoekster] schriftelijk gereageerd op de brief van de gemachtigde van [verweerder] . In deze brief staat onder meer dat [verweerder] sinds 20 april 2020 hersteld is gemeld en dat hij zowel richting [verzoekster] als de gemachtigde van [verzoekster] heeft aangegeven dat hij niet ziek is maar niet kan werken omdat hij thuis voor zijn vrouw wil zorgen. [verzoekster] heeft hier voor de korte termijn aan meegewerkt, maar voor de lange termijn dient er een voorstel van [verweerder] te komen voor zorgverlof of de arbeidsovereenkomst dient beëindigd te worden.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW of op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW althans art. 7:669 lid 3 sub i BW zo spoedig mogelijk, met ingang van een in goede justitie te bepalen datum te ontbinden. [verzoekster] onderkent daarbij dat [verweerder] gerechtigd is tot de transitievergoeding. Hoewel zich naar de inzichten van [verzoekster] geen omstandigheden voordoen om daarnaast een billijke vergoeding aan [verweerder] toe te kennen, is [verzoekster] wel bereid om een billijke vergoeding ter grootte van twee maandsalarissen, ofwel een bedrag van € 6.480,00 aan [verweerder] te voldoen.

3.2.

[verzoekster] heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat [verweerder] weigert om zijn werkzaamheden te verrichten. Hij is niet ziek, hij heeft zich op 17 april 2020 hersteld gemeld, maar wil thuis voor zijn herstellende vrouw zorgen en daarom weigert hij zijn werkzaamheden uit te voeren. [verweerder] heeft verzocht om zorgverlof, maar enig voorstel hieromtrent is uitgebleven.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] voert verweer. Hij stelt zich primair op het standpunt dat de koopovereenkomst tussen partijen aan het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wel op verzoek van [verzoekster] ontbonden zou kunnen worden op andere gronden dan dringende redenen, zou dit niet mogen worden toegestaan als het intreden van de ontslaggrond volledig aan [verzoekster] is te wijten. Wat in deze zaak het geval is.

4.2.

[verweerder] heeft verder aangevoerd dat er geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat. [verzoekster] probeerde voor zijn ziekmelding al aan te sturen om een beëindiging van het dienstverband. [verweerder] heeft zich nooit beter gemeld en is ook nog steeds ziek. Hij is nog steeds bereid om mee te werken aan een onderzoek door de bedrijfsarts en te voldoen aan alle re-integratieverplichtingen.

5 De tegenverzoeken

5.1.

[verweerder] verzoekt om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van achterstallig loon en vakantiegeld, plus loonsverhogingen en eindejaarsuitkering 2019 conform de met ingang van 3 mei 2019 algemeen verbindend verklaarde cao, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Voorts verzoekt [verweerder] om [verzoekster] te veroordelen, op straffe van een dwangsom, om te voldoen aan haar wettelijke verplichtingen in het kader van het ziekteverzuim van [verweerder] , binnen 7 dagen na deze beschikking. Ten slotte verzoekt hij om [verzoekster] te veroordelen tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties.

5.2.

[verweerder] heeft daartoe aangevoerd dat [verzoekster] ten onrechte de loonbetalingen heeft gestaakt. [verweerder] is namelijk ziek en daarom kan hij zijn werkzaamheden niet uitoefenen. [verzoekster] weigert, ondanks verzoeken van de zijde van [verweerder] , om voor hem een nieuw traject bij de arbo-arts in gang te zetten. Doordat [verzoekster] te laat is met het betalen van het loon, heeft [verweerder] recht op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente hierover.

5.3.

Voor het geval de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding gelijk aan het loon wat [verweerder] had ontvangen indien de afspraak uit de koopovereenkomst, dat er niet voor 31 december 2021 eenzijdig opgezegd kan worden door [verzoekster] , zou zijn nagekomen.

6 Het verweer op de tegenverzoeken

6.1.

[verzoekster] voert als verweer aan dat zij de loonbetalingen terecht heeft gestaakt, omdat [verweerder] weigert zijn werkzaamheden uit te voeren en niet ziek is. [verweerder] heeft zich op 17 april 2020 hersteld gemeld, hetgeen met ingang van 20 april 2020 in de systemen is verwerkt. [verzoekster] voert geen verweer tegen de loonsverhogingen op grond van de cao. Wel tegen de wettelijke verhoging hierover.

6.2.

[verzoekster] heeft verder aangevoerd dat zij onderkent dat in geval van een ontbinding [verweerder] recht heeft op de transitievergoeding. Zij is bereid om daarnaast een billijke vergoeding aan [verweerder] te betalen ter grootte van twee maandsalarissen, te weten een bedrag van € 6.480,00.

7 De beoordeling

Het verzoek tot ontbinding

7.1.

Het primaire verweer van [verweerder] houdt in dat [verzoekster] geen ontbinding bij de kantonrechter mag verzoeken op grond van het hierboven in overweging 2.2. genoemde beding. [verweerder] verwijst hierbij naar een voor hem gunstige uitleg op grond van de Haviltex norm. De kantonrechter gaat hier niet in mee. In het beding is duidelijk vermeld dat [verzoekster] niet eenzijdig mag opzeggen, behoudens dringende reden. Een ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is niet op gelijke voet te stellen met een eenzijdige opzegging. [verweerder] en [verzoekster] waren gelijkwaardig aan elkaar ten tijde van het sluiten van de koop- en arbeidsovereenkomst, [verweerder] was immers op dat moment dga van [verzoekster] . Bovendien volgt uit productie 1 bij het verweerschrift dat [verweerder] zich door een advocaat, mr. Kaiser, heeft laten bijstaan bij het opstellen van de concept

koop-/arbeidsovereenkomst. Er is dan ook geen aanleiding om het beding in zijn voordeel uit te leggen. Indien [verweerder] een verzoek tot ontbinding had willen uitsluiten, dan had hij dit overeen moeten komen en eveneens moeten vastleggen in de koopovereenkomst. Dit verweer kan daarom niet slagen.

7.2.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond. Wat onder een redelijke grond wordt verstaan, wordt bepaald in artikel 7: 669 lid 3 BW. [verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, omdat er sprake is van: primair andere dan in artikel 7:669 lid 3 sub a tot en met g BW genoemde omstandigheden (de h-grond); subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) en meer subsidiair een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van de gronden, bedoeld in sub c tot en met e, g en h (de i-grond). Op grond van artikel 7:671b lid 2 BW dient de kantonrechter te onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan, en – daarmee – of deze redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen.

7.3.

De kantonrechter overweegt het volgende. [verzoekster] heeft in haar verzoekschrift weliswaar in de kop en in het petitum verzocht om te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h, g of i BW, maar zij heeft deze gronden niet apart gemotiveerd. In het verzoekschrift wordt alleen een motivering gegeven omtrent de g-grond (de verstoorde arbeidsverhouding). Om deze reden zal het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de h en de i-grond worden afgewezen. Met betrekking tot de gestelde verstoorde arbeidsverhouding overweegt de kantonrechter het volgende.

7.4.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Tussen partijen is weliswaar in discussie of [verweerder] ziek is, maar dit betekent niet dat het opzegverbod wegens ziekte aan ontbinding in de weg staat. Het verzoek van [verzoekster] houdt immers geen verband met omstandigheden waarop dat opzegverbod betrekking heeft.

7.5.

De kantonrechter is gebleken dat het conflict tussen partijen is ontstaan vanuit het tussen hen gerezen dispuut of [verweerder] zich hersteld heeft gemeld. Dat meningsverschil heeft ertoe geleid dat [verzoekster] [verweerder] heeft opgeroepen voor werk waarop hij niet kwam opdagen. Vervolgens heeft [verzoekster] de loondoorbetaling gestaakt en uiteindelijk heeft zij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. De vraag die daarom eerst beantwoord zal moeten worden is of [verweerder] zich hersteld heeft gemeld. Daaromtrent wordt als volgt overwogen. Dat [verweerder] zich op 17 april 2020 hersteld heeft gemeld, zoals door [verzoekster] is gesteld, is door [verweerder] betwist. Dit betekent dat het op de weg van [verzoekster] ligt om dit aannemelijk te maken. Uit het enkele feit dat [verweerder] op 17 april 2019 een afspraak heeft gemaakt met [verzoekster] om een aantal zaken te bespreken, kan niet worden afgeleid dat [verweerder] niet meer ziek is. [verzoekster] heeft verder een schriftelijke verklaring van de heer [A] van [verzoekster] in het geding gebracht die verklaart dat [verweerder] in het gesprek op 17 april 2020, waar ook de heer [B] van [verzoekster] aanwezig was, heeft aangegeven dat hij beter was. Deze enkele verklaring, waarvan door [verweerder] de inhoud is betwist, acht de kantonrechter echter onvoldoende. De heer [B] heeft tijdens de zitting de verklaring van [A] nog wel bevestigd, echter ook daarmee komt niet vast te staan dat [verweerder] zich hersteld heeft gemeld. Veeleer lijkt het er op dat [verweerder] heeft aangegeven in het gesprek dat de primaire klachten die verband houden met het Covid 19 virus niet meer aanwezig waren, echter dat is niet aan te merken als een herstelmelding. Derhalve staat niet vast dat [verweerder] zich hersteld heeft gemeld. Het had dan ook op de weg van [verzoekster] gelegen om, alvorens [verweerder] op te roepen voor het hervatten van zijn werkzaamheden, hem naar de bedrijfsarts te sturen. Het is immers niet aan [verzoekster] om te bepalen of [verweerder] hersteld is. Dit geldt te meer nu uit de hiervoor onder 2 weergegeven correspondentie tussen partijen, in het bijzonder de e-mail van [verweerder] van 6 mei 2020, blijkt dat [verzoekster] wist dat [verweerder] zich op het standpunt stelde dat hij nog niet beter was. Ondanks herhaalde verzoeken van [verweerder] heeft [verzoekster] echter de bedrijfsarts niet opnieuw ingeschakeld. Dit komt voor haar rekening. Dit alles leidt tot de slotsom dat niet vast staat dat [verweerder] niet langer ziek was op het moment dat [verzoekster] hem heeft opgeroepen om zijn werkzaamheden te hervatten. Dat [verweerder] zijn werkzaamheden niet heeft hervat is hem dan ook niet aan te rekenen. Dat de discussie tussen partijen over het al dan niet hervatten van de werkzaamheden de arbeidsrelatie geen goed heeft gedaan, is op zichzelf niet vreemd, maar dit betekent niet dat enkel daarom kan worden geoordeeld dat sprake is van een duurzame verstoorde relatie en een herstel van het vertrouwen niet meer mogelijk is. Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld is op te maken dat er kennelijk frustraties zijn omtrent de wijze waarop de overdracht van het bedrijf is verlopen. Echter, niet aannemelijk is dat dit de kern is van het huidige conflict tussen partijen. Dit is door [verzoekster] overigens niet onderbouwd zodat ook niet kan worden aangenomen dat, zoals de heer [B] tijdens de zitting heeft verklaard, dit de druppel is die de emmer heeft doen overlopen.

7.6.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een redelijke grond voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen wegens een duurzaam verstoorde relatie. Het verzoek van [verzoekster] wordt daarom afgewezen.

De tegenverzoeken

7.7.

[verweerder] vordert het achterstallige loon plus vakantiegeld. [verzoekster] heeft de loonbetalingen vanaf 11 mei 2020 gestaakt om reden dat [verweerder] zijn werkzaamheden niet heeft hervat. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen had [verzoekster] , alvorens [verweerder] op te roepen om zijn werkzaamheden te hervatten, de bedrijfsarts moeten inschakelen, zoals meermalen door [verweerder] was verzocht. Nu er geen oordeel van de bedrijfsarts is waaruit blijkt dat [verweerder] niet ziek is, heeft [verweerder] zijn werkzaamheden niet hoeven hervatten. [verzoekster] heeft dan ook ten onrechte de loonbetalingen gestaakt. De vordering van [verweerder] terzake van het achterstallig loon en vakantiegeld zal daarom worden toegewezen.

7.8.

[verweerder] vordert verder de loonsverhogingen en de eindejaarsuitkering 2019 op grond van de met ingang van 3 mei 2019 algemeen verbindend verklaarde cao. [verzoekster] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Deze vordering zal daarom eveneens worden toegewezen.

7.9.

Nu vaststaat dat [verzoekster] het aan [verweerder] toekomende achterstallige loon over de periode 11 mei 2019 tot heden, de vakantietoeslag alsmede de eindejaarsuitkering niet tijdig heeft betaald, is zij de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW verschuldigd vanaf de vierde dag na de dag waarop de betaling had moeten plaatsvinden. De kantonrechter volgt niet het standpunt van [verzoekster] dat de wettelijke verhoging niet gerechtvaardigd zou zijn, omdat [verweerder] zelf verantwoordelijk zou zijn voor het signaleren van de algemeen verbindend verklaarde cao. De cao is algemeen verbindend verklaard hetgeen betekent dat [verzoekster] deze had moeten volgen.

7.10.

De door [verweerder] gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken en op de wet gegrond eveneens worden toegewezen.

7.11.

De door [verweerder] gevorderde verstrekking van loonspecificaties zal eveneens als onweersproken worden toegewezen.

7.12.

[verweerder] verzoekt verder om [verzoekster] te veroordelen om te voldoen aan haar wettelijke verplichtingen in het kader van het ziekteverzuim van [verweerder] op straffe van een dwangsom. Dit zal worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde dwangsom. [verzoekster] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze vordering en er is ook geen reden om aan te nemen dat [verzoekster] zich niet aan haar wettelijke verplichtingen gaat houden naar aanleiding van deze beschikking. Een dwangsom is daarom niet noodzakelijk. Bovendien verbindt het UWV conclusies aan het weigeren van een werkgever om de wettelijke verplichtingen in het kader van ziekte en re-integratie na te komen.

7.13.

Aangezien de door [verzoekster] verzochte ontbinding wordt afgewezen, wordt niet toegekomen aan de behandeling van de voorwaardelijke tegenverzoeken.

7.14.

Nu het ontbindingsverzoek wordt afgewezen en de tegenverzoeken grotendeels worden toegewezen wordt [verzoekster] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten van het verzoek en de tegenverzoeken. De nakosten zijn toewijsbaar op de nader in het dictum aangegeven wijze. De rente over de kosten is eveneens toewijsbaar.

8 De beslissing

De kantonrechter:

In het verzoek

8.1.

wijst het verzoek tot ontbinding van [verzoekster] af;

In de tegenverzoeken

8.2.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] van het achterstallige loon vanaf 11 mei 2020, het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering 2019, één en ander met toepassing van de met ingang van 3 mei 2019 van kracht zijnde (indexeringen uit de) cao en te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

8.3.

veroordeelt [verzoekster] om binnen zeven dagen na de betekening van deze beschikking correcte salarisspecificaties te verstrekken aan [verweerder] voor de correcties conform de CAO;

8.4.

veroordeelt [verzoekster] om te voldoen aan haar wettelijke verplichtingen in het

kader van het ziekteverzuim van [verweerder] binnen zeven dagen na deze beschikking;

8.5.

wijst af het meer of anders verzochte;

In het verzoek en in de tegenverzoeken

8.6.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot deze beschikking begroot op € 604,00 (€ 124,00 aan griffierecht en € 480,00 aan salaris gemachtigde) en in de na deze beschikking ontstane kosten aan de zijde van [verweerder] , begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde indien [verzoekster] niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [verweerder] volledig aan deze beschikking heeft voldaan, te vermeerderen, indien na aanschrijving betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening; beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van deze beschikking;

8.7.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2020.