Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3268

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2568
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK Wabo. Omgevingsvergunning voor de bouw van een hondenkennel in afwijking van het bestemmingsplan, als nevenactiviteit bij een veehouderij. In de uitspraak wordt onder meer ingegaan op de vraag of het nodig is om voor het project verklaringen van geen bedenkingen te verkrijgen van de gemeenteraad, respectievelijk van gedeputeerde staten. De rechtbank oordeelt dat voor het project een verklaring van geen bedenkingen had moeten worden gevraagd aan de gemeenteraad. De raad heeft als categorie van gevallen waarin geen verklaring is vereist aangewezen het realiseren van functiewijzigingen van bestaande opstallen. Hoewel de hondenkennel aan een bestaande stal wordt verbonden, is hier sprake van nieuwbouw en niet van functiewijziging. Dat geen verklaring van geen bedenkingen is gevraagd kan niet worden gepasseerd, omdat niet evident is dat belanghebbenden, waaronder de gemeenteraad, niet zijn benadeeld. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om het gebrek te herstellen, door alsnog een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad te vragen. Bij de omgevingsvergunning is verder de activiteit ‘handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’ vergund. De rechtbank oordeelt dat de natuuractiviteit, voor zover die ziet op wijzigingen in de veehouderij, niet onlosmakelijk verbonden is met de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd. Van ‘aanhaken’ kan daarom geen sprake zijn. De door gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bedenkingen heeft daarom in zoverre geen rechtsgevolgen, zodat de rechtbank niet ingaat op de daartegen gerichte beroepsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/2568-T, UTR 19/2569-T en UTR 19/2807-T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 13 augustus 2020 in de zaken tussen

1 (zaaknummer UTR 19/2568)

[eiser 1.1] ,

[eiser 1.2] ,

[eiseres 1.3] ,

[eiser 1.4] ,

[eiser 1.5] ,

[eiser 1.6] ,

[eiser 1.7] ,

[eiser 1.8] ,

[eiser 1.9]

[eiser 1.10] en

[eiseres 1.11] ;

2 (zaaknummer UTR 19/2807)

[eiser 2] ;

3 (zaaknummer UTR 19/2569)

[eiser 3.1] ,

[eiseres 3.2] en

[eiser 3.3] .;

allen uit [woonplaats] ,

(allen: gemachtigde mr. T. van der Weijde)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht

(het college), verweerder

(gemachtigde: mr. T. Sahabi).

Verder hebben als partij aan het geding deelgenomen:

[A]

(gemachtigde: drs. D.F.G. Nuland)

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht

(gedeputeerde staten)

(gemachtigde: mr. H.S. Heite).

Inleiding

[A] exploiteert een veehouderij aan de [adres 1] in [woonplaats] . Al langere tijd geleden heeft hij plannen ontwikkeld voor het starten van een hondenkennel als nevenfunctie van de veehouderij. Na de aanpassing van eerdere plannen heeft hij daarvoor in 2013 een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend, die in 2017 is aangevuld.

In deze uitspraak gaat het over de omgevingsvergunning die het college bij besluit van 11 juni 2019 heeft verleend op deze aanvraag. De drie groepen van eisende partijen hebben daartegen beroepen ingesteld.

Het project waarvoor de omgevingsvergunning is verleend betreft de bouw van een gebouw voor de beoogde hondenkennel met buitenverblijven en een geluidscherm, en het aanleggen van beplanting volgens een beplantingsplan. Voor het beoogde gebruik van de hondenkennel is met de omgevingsvergunning afgeweken van de bepalingen over agrarische bedrijven en nevenactiviteiten van het geldende bestemmingsplan Landelijk gebied Noord.

Conclusie tussenuitspraak

Na de behandeling van de zaak op de zitting van 18 juni 2020 doet de rechtbank nu een tussenuitspraak. Daarin worden eerst oordelen gegeven over de vraag wie van de eisende partijen belanghebbende is bij de omgevingsvergunning. Van degenen die als belanghebbende worden aangemerkt zijn de beroepen vervolgens inhoudelijk behandeld. Over de gevolgde procedure oordeelt de rechtbank dat het college een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad had moeten vragen. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de inhoudelijke beroepsgronden niet slagen. Het college krijgt nu de gelegenheid om de aanvraag alsnog aan de gemeenteraad voor te leggen voor een verklaring van geen bedenkingen.

Hierna worden de overwegingen gegeven die aan deze oordelen ten grondslag liggen.

De procedure bij de rechtbank

1. Eisers 1 hebben voorafgaand aan de zitting verzocht deze uit te stellen en af te stemmen op de beroepsprocedure over verzoeken die zij op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) aan het college hebben gedaan. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Aan die beslissing ligt ten grondslag dat eisers 1 onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij voor hun standpunten in deze procedure afhankelijk zijn van de uitkomsten van de Wob-procedure. De enkele omstandigheid dat die procedure ook over de [adres 1] in [woonplaats] gaat is daarvoor niet genoeg. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat eisers 1 op de zitting dit punt opnieuw aan de orde zouden kunnen stellen. Dat hebben zij overigens niet gedaan.

2. Op de zitting waren namens eisers 1 aanwezig [eiser 1.1] , [eiser 1.2] en [eiser 1.4] . Eisers 3, [eiser 3.1] en [eiseres 3.2] waren ook aanwezig. Eisers hebben zich op de zitting laten bijstaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. [B ] , advocaat in Amsterdam, en vergezeld door ing. [C] en ing. [D] , beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst regio Utrecht. [A] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

3. Op de zitting heeft de rechtbank de behandeling van de drie beroepen gevoegd.

4. Op de zitting is het beroep van eiser 2 ingetrokken, voor zover het ook was ingediend door [E] .

5. Op de zitting zijn de beroepsgronden over de activiteit ‘bouwen’ en het daarop betrekking hebbende toetsingskader, waaronder de welstandsaspecten, ingetrokken. Op de zitting zijn ook de beroepsgronden ingetrokken die betrekking hadden op de met de omgevingsvergunning verleende ‘aanlegvergunning’ voor de beplanting conform het beplantingsplan. Dit onderdeel van de besluitvorming ziet op het uitvoeren van werkzaamheden binnen de bestemmingen en ‘Agrarisch met waarden’ en ‘Waarde - Cultuurhistorie 1’. Eisers handhaven wel hun beroepsgrond over het aanlegvergunningsvereiste voor deze beplanting binnen de bestemming ‘Waarde - Archeologie 4’. Dat wordt in overweging 57 en verder beoordeeld.

Overwegingen over de ontvankelijkheid

[eiser 3.1] en [eiseres 3.2] zijn belanghebbenden

6. Om beroep in te kunnen stellen moet daaraan voorafgaand een zienswijze zijn ingediend tegen het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning. Het beroep van eisers 3 is ook ingediend door [eiser 3.3] . De maatschap heeft geen zienswijze ingediend en het is niet gebleken dat daarvoor een goede reden is. Dat uit de zienswijze van [eiser 3.1] en [eiseres 3.2] , als maten van de maatschap, zou moeten worden afgeleid dat zij mede voor de belangen van de maatschap opkomen is niet voldoende om aan te nemen dat de maatschap zelfstandig een zienswijze heeft beogen in te dienen. De rechtbank zal het beroep van eisers 3 in de einduitspraak niet-ontvankelijk verklaren, voor zover het is ingediend door de maatschap.

7. [eiser 3.1] en [eiseres 3.2] moeten als belanghebbende bij de omgevingsvergunning worden aangemerkt, omdat zij eigenaar zijn van percelen die grenzen aan het perceel waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft. Het is vaste rechtspraak dat de belanghebbendheid dan wordt aangenomen. De hierna ten aanzien van eisers 1 en 2 te bespreken correctie van ‘gevolgen van enige betekenis’ wordt dan niet toegepast. Eisers 3 zijn dus ontvankelijk in hun beroep, voor zover het is ingediend door [eiser 3.1] en [eiseres 3.2] .

De eisers aan de [straat] en de [straat] zijn geen belanghebbenden

8. Op de zitting is aan de orde gesteld dat de rechtbank moet beoordelen of alle afzonderlijke eisers als belanghebbende bij de omgevingsvergunning kunnen worden aangemerkt. In reactie hierop is namens eisers 1 en 2 het standpunt ingenomen dat zij allemaal, ongeacht de afstand tot het bedrijf van [A] , geluidsgevolgen zullen ondervinden van de hondenkennel.

9. Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het uiteindelijk aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit zijn. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit, is in beginsel belanghebbende bij het besluit waarin die activiteit wordt toegestaan. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt.1 Bij de beoordeling of er gevolgen van enige betekenis zijn, wordt onder meer gekeken naar de factoren afstand, zicht, planologische uitstraling en milieugevolgen. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

10. De betrokken rechtzoekende hoeft niet actief aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Als tijdens een procedure echter de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken, kan en mag de bestuursrechter aan betrokkene vragen uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.2

11. De rechtbank is in het licht van deze toetsingsmaatstaf van oordeel dat eisers 1 en 2 niet als belanghebbende bij de omgevingsvergunning kunnen worden aangemerkt, voor zover zij aan de [straat] en de [straat] in [woonplaats] wonen. De rechtbank heeft met de ‘meettool’ op ruimtelijkeplannen.nl kunnen vaststellen dat de kortste afstand tussen het geografische besluitvlak van de omgevingsvergunning en de eisers aan de [straat] en de [straat] ongeveer 290 meter bedraagt ( [adres 2] en [adres 3] ) en dat deze oploopt tot ongeveer 380 meter ( [adres 4] ) en 390 meter ( [adres 5] ). Tussen de woningen van deze groep eisers en het bedrijf van [A] ligt de [straat] (een provinciale verkeersweg), een verbindingsweg tussen de [straat] en de [straat] met het daaraan gelegen restaurant van eiser [eiser 1.8] , en het agrarische bedrijf van eisers 3 aan de [adres 6] . Het is niet aannemelijk dat de eisers aan de [straat] en de [straat] zicht hebben van enige betekenis op de te bouwen hondenkennel of de aan te brengen beplanting. Zij hebben wel foto’s overgelegd, maar voor zover die vanaf hun woningen zijn genomen is daarop met name beplanting te zien. Voor zover het geluid van de hondenkennel op die afstand al waarneembaar is en te onderscheiden is van het verkeersgeluid en overige omgevingsgeluid, is bovendien onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van gevolgen van enige betekenis. Dat maakt dat de gevolgen voor de woon- en leefsituatie van deze eisers zo gering zijn dat een objectief en persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.

12. Eisers 1 hebben er ook op gewezen dat niet is uitgesloten dat als gevolg van de omgevingsvergunning de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden verslechtert. De beoordeling hiervan zou ertoe kunnen leiden dat moet worden vastgesteld dat voor de vergunde activiteiten ook een toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist, waardoor sprake kan zijn van een ‘aanhaakplicht’ bij de omgevingsvergunning.3 De rechtbank oordeelt echter dat de conclusie over eisers belanghebbendheid bij de omgevingsvergunning ook hier geldt. Gelet op de aard en omvang van de vergunde activiteiten in relatie tot de afstand tot de woningen en de geluidsgevolgen, kan evenmin worden gezegd dat de eisers aan de [straat] en de [straat] een objectief en persoonlijk belang hebben bij de vaststelling of voor de vergunde activiteiten een toestemming op grond van de Wnb nodig is. Daarbij betrekt de rechtbank dat eisers 1 deze beroepsgrond en een daarvan afgeleide belanghebbendheid verder niet hebben onderbouwd.

13. De rechtbank zal het beroep van eisers 1 in de einduitspraak daarom niet-ontvankelijk verklaren, voor zover het is ingediend door [eiser 1.1] ( [adres 7] ), [eiser 1.2] ( [adres 4] ), [eiseres 1.3] ( [adres 4] ), [eiser 1.4] ( [adres 8] ), [eiser 1.5] ( [adres 9] ), [eiser 1.6] ( [adres 9] ), [eiser 1.7] ( [adres 10] en [eiser 1.9] ( [adres 5] ). Ook het beroep van eiser 2 ( [adres 2] ) zal niet-ontvankelijk verklaard worden. De rechtbank merkt hierbij op dat deze eisers dezelfde beroepsgronden hebben aangevoerd als degenen die wel ontvankelijk zijn.

Eisers [eiser 1.8] en [eiser 3.1] zijn belanghebbenden

14. Het beroep van eisers 1 is ook ingediend door [eiser 1.8] ( [adres 11] ),

[eiser 1.10] ( [adres 12] ) en [eiseres 1.11] ( [adres 12] ). De afstand van hun bedrijf/woning tot aan het besluitvlak van de omgevingsvergunning bedraagt ongeveer 220 meter ( [adres 11] ) en 185 meter ( [adres 12] ). Anders dan bij de hiervoor genoemde groep eisers, is bovendien aannemelijk dat deze eisers zicht hebben op de te bouwen hondenkennel en de aan te brengen beplanting. De rechtbank heeft geconstateerd dat op Google Street View de huidige bedrijfsgebouwen van [A] vanaf deze adressen zichtbaar zijn. De rechtbank oordeelt in het licht hiervan dat deze eisers als belanghebbende bij de omgevingsvergunning moeten worden aangemerkt. Hun beroep is ontvankelijk.

Conclusie ontvankelijkheid

15. Eisers 1 zijn ontvankelijk in hun beroep, maar alleen voor zover het is ingediend door [eiser 1.8] , [eiser 1.10] en [eiseres 1.11] . Het beroep van eisers 3 is eveneens ontvankelijk. De door hen ingediende beroepsgronden komen grotendeels overeen. De rechtbank zal de gronden gezamenlijk bespreken.

Overwegingen over de procedure bij het college

16. De aanvraag van [A] voor de hondenkennel past niet binnen het bestemmingsplan Landelijk gebied Noord, omdat binnen de geldende bestemming “Agrarisch met waarden” nevenfuncties niet zijn toegestaan. De in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheid voor nevenfuncties kan niet worden gebruikt, omdat de hondenkennel groter wordt dan de daarin opgenomen maximale oppervlakte van 300 m2. De omgevingsvergunning is daarom verleend met een ‘buitenplanse afwijking’, op grond van artikel 2.12 eerste lid, onder a, sub 3°, van de Wabo.

De natuuractiviteit wordt niet beoordeeld

17. De inrichting van vergunninghouder ligt in de nabijheid van het beschermde Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen en Botshol. In 2012 is door gedeputeerde staten een natuurvergunning verleend voor de toenmalige veehouderij, inclusief het destijds bestaande (maar niet uitgevoerde) plan voor een hondenkennel van 48 honden.

18. In deze procedure heeft vergunninghouder de in 2013 ingediende aanvraag voor de bouw van de hondenkennel in 2017 aangevuld met de activiteit ‘Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’. Het college heeft deze activiteit in de procedure vervolgens laten ‘aanhaken’ bij de andere activiteiten uit de aanvraag. Gedeputeerde staten hebben voor de natuuractiviteit een verklaring van geen bedenkingen verleend, die door het college ten grondslag is gelegd aan de omgevingsvergunning. In de verklaring van geen bedenkingen hebben gedeputeerde staten de totale beoogde bedrijfsvoering van de veehouderij en de hondenkennel beoordeeld, afgezet tegen de natuurvergunning uit 2012. De door gedeputeerde staten op de grondslag van Wnb beoordeelde verschillen hebben betrekking op wijzigingen in de veesamenstelling, stalsystemen en op de toename van 48 naar 68 honden.

19. Eisers richten zich tegen de verklaring van geen bedenkingen. Op de zitting is besproken of er voor het project zoals dat is aangevraagd en vergund een wettelijke verplichting bestaat om een verklaring van geen bedenkingen aan gedeputeerde staten te vragen. Met alle partijen stelt de rechtbank vast dat die verplichting er niet is voor de wijzigingen in de veehouderij. Het is wel denkbaar dat daarvoor een vergunning nodig is op grond van de Wnb. De natuuractiviteit kan echter alleen bij de omgevingsvergunning ‘aanhaken’ als deze onlosmakelijk verbonden is met een andere activiteit binnen die omgevingsvergunning. De wijzigingen in de veehouderij zijn in deze procedure niet aan de orde: daarvoor is de omgevingsvergunning niet gevraagd en ook niet verleend. Dat betekent dat de natuuractiviteit niet kan aanhaken, voor zover het de beoordeling van de veehouderij betreft. De verklaring van geen bedenkingen van gedeputeerde staten heeft in deze procedure daarom in zoverre geen rechtsgevolgen. Daarop zal de rechtbank daarom niet verder ingaan.

20. Wat dan op dit onderdeel resteert is de wijziging van de in 2012 vergunde 48 honden naar 68 honden in het aangevraagde en vergunde project. De natuuractiviteit is op dit punt onlosmakelijk verbonden met het beoogde gebruik van de hondenkennel in afwijking van het bestemmingsplan, zodat hier wel wordt aangehaakt bij de verleende omgevingsvergunning. De verklaring van geen bedenkingen heeft rechtsgevolgen voor zover daarin de toename van het aantal honden is beoordeeld. Eisers betwisten dat de toename van het aantal honden geen gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied. De rechtbank zal ook deze beroepsgrond echter niet behandelen, omdat het in de wet opgenomen relativiteitsvereiste daaraan in de weg staat.

21. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: “De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.” De wetgever heeft hiermee de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen vanwege schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser.

22. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, zijn bedoeld om het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden te beschermen. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Maar daarvan is hier geen sprake. De kortste afstand tussen de percelen van eisers 3 en het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen bedraagt ongeveer 1,5 kilometer. In het tussenliggende gebied ligt agrarisch gebied en de rivier de Vecht. De kortste afstand tussen de percelen van de eisers aan de [straat] en het Natura 2000-gebied Botshol bedraagt ongeveer 5,7 km. In het tussenliggende gebied liggen onder meer het Amsterdam-Rijnkanaal, de snelweg A2 en de Vinkeveense Plassen. Deze afstanden zijn naar het oordeel van de rechtbank te groot om (delen van) deze Natura 2000-gebieden te kunnen rekenen tot de directe woon- en leefomgeving van eisers. Gelet hierop kan het betoog over de stikstofuitstoot van de honden, gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb, niet leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan. Ondanks dat eisers 1 (deels) en eisers 3 wel belanghebbende zijn bij de omgevingsvergunning, zal de rechtbank dit betoog daarom toch niet inhoudelijk bespreken.

De gemeenteraad had moeten worden betrokken

23. Over het project en de voorgangers daarvan is in het verleden politieke discussie geweest. Het college heeft toen toegezegd de gemeenteraad bij de besluitvorming te betrekken. Hij heeft daaraan uitvoering gegeven, door de besluitvorming te agenderen voor de vergadering van de raadscommissie Fysiek Domein van 5 september 2017. De raadscommissie heeft toen beslist dat betrokkenheid van de gemeenteraad bij deze besluitvorming niet nodig was.

24. Eisers richten zich tegen deze gang van zaken. Zij vinden dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarnaast wijzen zij erop dat de Wabo voorschrijft dat de gemeenteraad voor de bouw van de hondenkennel een verklaring van geen bedenkingen had moeten geven. De door de gemeenteraad geformuleerde uitzonderingen zijn volgens hen niet van toepassing.

25. De rechtbank geeft eisers hierin gelijk. Zonder verklaring van geen bedenkingen was het college niet bevoegd de omgevingsvergunning te verlenen. De hoofdregel uit de Wabo is dat zo’n verklaring nodig is bij het gebruiken van de afwijkingsbevoegdheid die hier van toepassing is. De bouw van de hondenkennel valt naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet onder de door de gemeenteraad in het besluit van 22 november 2011 aangewezen categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen nodig is.

26. Volgens het college is categorie c uit artikel II van het raadsbesluit van toepassing, die is omschreven als:

realisering van functiewijzigingen van bestaande opstallen met bijbehorende gronden, de daaruit voor[t]komende bouwactiviteiten alsmede uitbreiding van bestaande functies”.

De omgevingsvergunning zou dan zien op de functiewijziging van stal D, waarbij de bouw van de hondenkennel als daarbij behorend wordt beschouwd. Dat volgt de rechtbank niet. Volgens het college en vergunninghouder wordt de functie van een deel van stal D gewijzigd, omdat die zal worden gebruikt voor de opslag van materialen voor de hondenkennel, terwijl de opslag nu nog wordt gebruikt voor de veehouderij. Nog afgezien van de vraag of dit een functiewijziging is  het is en blijft immers bedrijfsmatige opslag  overweegt de rechtbank dat deze beoogde verandering niet bij de beoordeling kan worden betrokken, omdat stal D nadrukkelijk buiten de aanvraag is gehouden. Uit de bij de aanvraag gevoegde bouwtekeningen blijkt dat stal D daarin niet is opgenomen. Daaruit is verder af te leiden, en dat is op de zitting door partijen ook bevestigd, dat de hondenkennel nieuwbouw betreft en tegen stal D wordt aangebouwd. De bouw van de hondenkennel moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden aangemerkt als de bouw van een nieuwe opstal. Die wordt weliswaar aan een bestaande opstal verbonden, maar in een functiewijziging van stal D is volgens de aanvraag en de op basis daarvan verleende vergunning niet voorzien. Dat betekent dat niet meer hoeft te worden beoordeeld of sprake is van bijbehorende bouwwerkzaamheden: ook die moeten immers in het kader van functiewijziging van bestaande opstallen plaatsvinden en daarvan is geen sprake, omdat stal D geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag.

27. De rechtbank benadrukt dat haar oordeel niet wijzigt door hoe het college en de gemeenteraad het project hebben geïnterpreteerd. Het college vindt dat ‘functiewijziging van een bestaande opstal’ anders moet worden ingevuld en voelt zich daarin gesteund doordat de raadscommissie hem daarin volgt en zij de zaak niet naar de gemeenteraad heeft doorgeleid. De vraag of een verklaring van geen bedenkingen nodig is gaat echter over de bevoegdheidsverdeling tussen het college en de gemeenteraad binnen de procedure voor de verlening van een omgevingsvergunning. De betrokken bestuursorganen hebben bij de beantwoording van die vraag geen beoordelingsruimte, zodat de rechtbank bij de beoordeling daarvan geen terughoudendheid betracht.

28. De rechtbank overweegt verder dat de bouw van de hondenkennel ook niet onder een andere door de gemeenteraad aangewezen categorie valt waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet nodig is. Dat is niet aangevoerd en is ook niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd.

29. De conclusie is dat het college de aanvraag had moeten voorleggen aan de gemeenteraad voor een verklaring van geen bedenkingen. Door dat na te laten en bij gebrek aan die verklaring is de omgevingsvergunning verleend in strijd met artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor. De beroepsgrond slaagt.

30. Doordat de beroepsgrond op dit onderdeel al slaagt, hoeft niet meer te worden ingegaan op de vraag of sprake is van een noodzaak om voor het initiatief een milieueffectrapport of een milieueffectbeoordeling op te stellen in de zin van categorie b uit artikel III van het raadsbesluit, waardoor eveneens een verklaring van geen bedenkingen nodig zou zijn. De rechtbank gaat ook niet meer in op het door eisers aan de orde gestelde punt van onzorgvuldige besluitvorming. Ook daar ging het hen immers om de wijze waarop het college de gemeenteraad niet heeft betrokken bij zijn besluitvorming en daarover is al geoordeeld.

Het gebrek kan niet worden gepasseerd

31. Hoe moet dit verder? Het college heeft op de zitting gevraagd om, als de rechtbank vindt dat een verklaring van geen bedenkingen nodig is, dat gebrek te passeren. Dat kan op grond van artikel 6:22 van de Awb als aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er immers niet zonder meer van worden uitgegaan dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Alleen als evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

32. Daarvan is in dit geval geen sprake. Er is namelijk niet gebleken dat de gemeenteraad, anders dan via een verklaring van geen bedenkingen, blijk heeft gegeven van een expliciete instemming met de bouw van de hondenkennel. De omstandigheid dat het college de gemeenteraad meerdere keren schriftelijk heeft geïnformeerd over de voortgang van het dossier en de voorbereiding van de besluitvorming, maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor de opstelling van de raadscommissie, die zich immers alleen over de procedurele vraag “is een verklaring van geen bedenkingen nodig?” heeft gebogen, maar niet over de vraag wat de gemeenteraad met het oog op een goede ruimtelijke ordening van de bouw van de hondenkennel vindt. Dat de gemeenteraad zich, ondanks dat hij geïnformeerd werd, niet met de besluitvorming heeft bemoeid is onvoldoende om zijn instemming uit af te leiden. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de gemeenteraad zich in de loop der jaren verschillende malen negatief over de bouw van de hondenkennel heeft uitgelaten. Dat belanghebbenden, waaronder de gemeenteraad, niet zijn benadeeld is dan ook niet aannemelijk. Het gebrek kan niet worden gepasseerd.

De gemeenteraad moet alsnog worden betrokken

33. Het gebrek kan wel worden hersteld. Dat gebeurt als de gemeenteraad alsnog een verklaring van geen bedenkingen afgeeft, die aan de omgevingsvergunning ten grondslag kan worden gelegd. De rechtbank zal het college daarom in de gelegenheid stellen om alsnog een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad te vragen. Dat besluit kan het college vervolgens, zo nodig voorzien van een eigen aanvullende motivering of nader besluit, in de procedure bij de rechtbank inbrengen.

34. De rechtbank bepaalt dat afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw hoeft te worden toegepast ten aanzien van de eventuele besluitvorming door de gemeenteraad. Dat betekent dat de gemeenteraad niet eerst een ontwerpbesluit hoeft te nemen. Het college moet de gemeenteraad wel alle stukken rondom de besluitvorming van dit dossier ter beschikking stellen, zodat onder meer kennis kan worden genomen van de eerder al ingediende zienswijzen. Het college krijgt van de rechtbank met het oog op de aldus te nemen stappen in totaal 16 weken de tijd. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat het mogelijk moet zijn om de besluitvorming te agenderen voor de vergadering van de gemeenteraad van oktober 2020. Het college moet de rechtbank informeren over de uitkomst en moet daarbij de raadsstukken overleggen. Partijen mogen daarover dan een standpunt innemen, waarna de rechtbank zich er verder over zal buigen.

35. Als het college ervoor kiest om het gebrek niet te herstellen en de zaak niet aan de gemeenteraad voor te leggen moet hij dat zo spoedig mogelijk laten weten.

36. De rechtbank heeft de taak het geschil zo mogelijk definitief te beslechten. Met het oog daarop zal de rechtbank nu al oordelen over de overige, inhoudelijke beroepsgronden. De rechtbank benadrukt dat deze oordelen van de rechtbank, die deels ook zien op het criterium van een goede ruimtelijke ordening, niet doorslaggevend zijn voor de eventuele besluitvorming door de gemeenteraad. Als het college de geboden herstelmogelijkheid gebruikt, dan moet de gemeenteraad een zelfstandige, integrale afweging maken over de vraag of hij de afwijking van het bestemmingsplan in het belang van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar vindt.

Overwegingen over de inhoudelijke besluitvorming

37. Bij zijn besluitvorming over dit onderdeel van de aanvraag van [A] heeft het college beleidsruimte. Als het college van mening is dat de bouw en het gebruik van de hondenkennel in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening, kan hij ervoor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Vooringenomenheid is niet gebleken

38. Eisers voeren aan dat het college zich niet onafhankelijk heeft opgesteld bij de beslissing op de aanvraag van [A] . Volgens hen liet het college zich leiden door een inspanningsverplichting om aan het verlenen van de omgevingsvergunning mee te werken. Het college zou op deze manier gehandeld hebben in strijd met het verbod van vooringenomenheid, dat is opgenomen in artikel 2:4 van de Awb.

39. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zij kennis heeft genomen van de integriteitsmeldingen en -onderzoeken bij de gemeente, die gelieerd zijn aan deze procedure. Concrete aanwijzingen dat het college zich bij zijn besluitvorming (nagenoeg) uitsluitend heeft laten leiden door verplichtingen jegens [A] zijn er niet. Ook als inderdaad een inspanningsverplichting zou bestaan, betekent dat bovendien nog niet dat sprake is van vooringenomenheid in de zin van artikel 2:4 van de Awb. Er is dan sprake van een belang dat het college kan meewegen in zijn weging van alle voor de besluitvorming relevante belangen. In de rest van deze uitspraak wordt die weging verder beoordeeld, waarbij de rechtbank ook zal toetsen of de besluitvorming zorgvuldig is verlopen.

De sloopverplichting mag worden gesteld

40. Het college heeft aan de omgevingsvergunning een sloopverplichting verbonden, die inhoudt dat een deel van stal C, dat net zo groot is als de nieuwbouw van de hondenkennel, zal worden gesloopt. Eisers zijn het wel eens met sloop, maar wijzen erop dat dit niet goed gewaarborgd is, omdat vergunninghouder binnen het bouwvlak zonder beperkingen weer nieuwe opstallen kan bouwen. Daarnaast zou volgens hen niet alleen de overkapping van stal C moeten worden gesloopt, maar ook de onder die overkapping aanwezige mestvaalt.

41. In de ruimtelijke onderbouwing is voor de sloopverplichting verwezen naar de verplichtingen die in dat kader voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven uit de provinciale regelgeving voortvloeien. Op de zitting is door het college toegelicht dat die verplichtingen na een wijziging niet meer zijn opgenomen in de provinciale ruimtelijke verordening zoals die gold op het moment dat de omgevingsvergunning werd verleend en dat is ook in het besluit zelf benoemd. Om eiseres tegemoet te komen heeft het college desondanks vastgehouden aan de sloopverplichting zoals die onder de oude regelgeving al was ingestoken. Vergunninghouder heeft op de zitting gezegd zich hieraan ook te zullen committeren.

42. De geldende verordening is de “Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (herijking 2016), provincie Utrecht”. De rechtbank stelt voorop dat daarin inderdaad geen beperkingen meer zijn opgenomen voor de bouw van de hondenkennel. Op grond van artikel 2.1, achtste lid, van de verordening kan een ruimtelijk besluit voor agrarische bedrijven bestemmingen en regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan een aantal voorwaarden. Een sloopverplichting is daarin niet opgenomen en de omgevingsvergunning is op dit punt dus niet in strijd met de verordening. Door eisers is op de zitting nog gewezen op artikel 3.9, eerste lid, onder c, van de verordening, waarin is bepaald dat het bouwperceel evenredig met de oppervlakte van gesloopte gebouwen wordt verkleind. Deze bepaling gaat echter over het toestaan van een stedelijke functie, niet zijnde wonen, op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd. Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de rechtbank niet voor, zodat deze bepaling toepassing mist. De conclusie is dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met de provinciale ruimtelijke verordening.

43. Dat het college de sloopverplichting toch heeft opgelegd is niet nadelig voor eisers. Het is inderdaad wel de vraag of hierdoor daadwerkelijk blijvend minder bebouwing aanwezig zal zijn, omdat vergunninghouder weer nieuwe opstallen kan bouwen en een omgevingsvergunning daarvoor binnen het bouwblok relatief makkelijk verleend zal worden. Het college heeft echter niet meer willen doen dan voldoen aan de vervallen bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening: op de zitting is nog nadrukkelijk gezegd dat de bedrijfsvoering van de veehouderij ruimte moet hebben voor ontwikkelingen. Het college mag dit standpunt in redelijkheid innemen en daarbij een afweging maken over welke bebouwing moet worden gesloopt en in welke omvang. De sloopverplichting biedt dus wellicht geen blijvende zekerheid over de bebouwing op het perceel, maar dat is in het licht van het voorgaande geen reden voor vernietiging van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.

Geen strijd met afwijkingenbeleid

44. Het college past het “Afwijkingenbeleid 2014” als beleid toe bij de afweging om wel of niet aan een verzoek tot afwijking van het bestemmingsplan mee te werken. Als voorwaarde is in dit beleid onder meer opgenomen dat de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling moet passen binnen het (woon)gebied, en dat er geen aantasting plaats mag vinden van het woon- en leefmilieu die niet redelijkerwijs te verwachten valt in de betreffende omgeving. Volgens eisers wordt aan deze voorwaarde niet voldaan.

45. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het college binnen dit beleid beoordelingsruimte heeft bij de vragen of de ontwikkeling ‘passend’ is, of er een ‘aantasting’ plaatsvindt en of een aantasting ‘redelijkerwijs te verwachten’ is. Dat zijn immers naar hun aard vage normen. Het college verwijst in zijn besluitvorming naar de ruimtelijke onderbouwing. Op de zitting is hierover verder toegelicht dat het bedrijf van [A] in een gemengd gebied ligt, waarin onder meer een afvalstation, een sportterrein en meerdere wegen aanwezig zijn. Het college vindt de ontwikkeling van een hondenkennel passend bij het bestaande agrarische gebruik, onder verwijzing naar de verdere afweging van de relevante aspecten in de ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank kan deze toelichting volgen en oordeelt dat het college de ontwikkeling in redelijkheid passend heeft mogen achten binnen het gebied. Het college heeft ook kunnen concluderen dat er geen aantasting plaatsvindt van het woon- en leefmilieu die niet redelijkerwijs te verwachten valt in de betreffende omgeving. Van strijdigheid met het afwijkingenbeleid is dus geen sprake.

De landschappelijke inpassing is voldoende

46. In de ruimtelijke onderbouwing is verder ingegaan op de landschappelijke inpassing van de bouw van de hondenkennel, waarbij is verwezen naar het bijbehorende beplantingsplan. Zowel de oude als de huidige provinciale verordening vereisen dat bedrijfsbebouwing voor nevenactiviteiten landschappelijk wordt ingepast en dat daaraan in de toelichting aandacht wordt besteed. Eisers hebben hierbij vraagtekens gesteld, maar hebben naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt waar het hier aan schort en waarom het uitvoeren van het beplantingsplan onvoldoende is voor de benodigde landschappelijke inpassing. De rechtbank oordeelt dat ook op dit punt wordt voldaan aan de ruimtelijke verordening en dat het college de bouw van de hondenkennel in redelijkheid als landschappelijk inpasbaar heeft mogen achten. De beroepsgrond slaagt niet.

De geluidsgevolgen zijn voldoende onderzocht

47. Eisers voeren aan dat de hondenkennel geluidsoverlast zal veroorzaken. Zij betwisten de uitkomsten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek, onder verwijzing naar de antwoorden die zij op vragen hebben ontvangen van de Nederlandse Stichting Geluidshinder (NSG). Eisers wijzen erop dat het niet aannemelijk is dat de honden slechts 2 uur per dag in het buitenverblijf zullen zijn, en dat de honden waarschijnlijk ook buiten de hondenkennel zullen worden uitgelaten. Uit de nieuwe geluidsrichtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) blijkt bovendien dat de geldende wettelijke geluidsnormen onvoldoende zijn om gezondheidsrisico’s te voorkomen.

48. Aan de omgevingsvergunning ligt een akoestisch onderzoek van [adviesbureau] van 23 oktober 2017 ten grondslag. In dit onderzoek is beoordeeld hoe de geluidsgevolgen van de veehouderij en de beoogde hondenkennel samen zich verhouden tot een goede ruimtelijke ordening en tot de uit het Activiteitenbesluit milieubeheer volgende normen. Daarnaast is de indirecte geluidshinder door de verkeersaantrekkende werking van de inrichting onderzocht. Voor de representatieve bedrijfssituatie van de hondenkennel is uitgegaan van de aangevraagde 68 honden, waarvoor een gemiddelde blaftijd is aangehouden van 5%. Voor het geluidsniveau vanuit de buitenruimtes van de hondenkennel is ervan uitgegaan dat iedere hond maximaal 2 uur per dag in het buitenverblijf wordt gelaten. De geluidsoverdracht van de inrichting is, met inachtneming van de positieve gevolgen van het beoogde geluidscherm, berekend op 8 omliggende woningen aan de [straat] en de [straat] , die als maatgevende geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Omdat te verwachten is dat de blaffende honden een impulsachtig geluid veroorzaken, is in de resultaten een strafcorrectie van 5 dB(A) toegepast. De conclusies van het akoestisch onderzoek zijn dat ten aanzien van een goede ruimtelijke ordening wordt voldaan aan de grenswaarden die voor een ‘gemengd gebied’ volgen uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, dat de indirecte geluidshinder past binnen de voorkeursgrenswaarde en dat de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld geluidsniveau uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet worden overschreden.

49. Het is vaste rechtspraak dat een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension als representatief kan worden aangemerkt.4 Eisers zijn het hier niet mee eens, maar dat vindt de rechtbank onvoldoende om in deze zaak af te wijken van deze in meerdere uitspraken neergelegde lijn in de rechtspraak. Het is ook niet gebleken dat de situatie in deze zaak zodanig verschilt van eerdere zaken, dat op grond daarvan met een langere blaftijd gerekend moet worden. Ook de omstandigheid dat een blaffende hond ook de andere honden tot blaffen aan zou zetten is dat niet. In de eerdere uitspraken van de ABRvS ging het immers steeds om dierenpensions, met meerdere honden. In de onderbouwing van de geluidsituatie mocht dus ook in deze zaak gerekend worden met een blaftijd van 5%, afgezet tegen het aantal honden dat de vergunning toestaat.

50. De rechtbank constateert vervolgens dat in de omgevingsvergunning is gewaarborgd dat de honden niet langer dan 2 uur per dag in de buitenverblijven zullen zijn: daarover is een voorschrift opgenomen. Het gebruik van het perceel van [A] als hondenkennel is verder specifiek beperkt tot de nieuwbouw bij stal D die met de omgevingsvergunning wordt toegestaan. Het uitlaten van de honden buiten de hondenkennel is nu dus niet mogelijk en op de zitting is door [A] bevestigd dat dat ook niet de bedoeling is. Dit betekent dat de uitgangspunten in het akoestisch onderzoek juist zijn. Als hiervan in de praktijk zou worden afgeweken is dat iets wat eisers in het kader van handhaving aan de orde kunnen stellen, onder verwijzing naar de voorschriften uit de omgevingsvergunning en de geldende planologische situatie.

51. In de in oktober 2018 uitgebrachte “Environmental Noise Guidelines for the European Region” van de WHO ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat afgeweken had moeten worden van de normen die in het akoestisch onderzoek zijn gehanteerd. Eisers wijzen er terecht op dat uit het WHO-rapport volgt dat omgevingsgeluid tot ernstige gezondheidsschade kan leiden en dat wordt geadviseerd om geluidgrenswaarden in nationale regelgeving nader te beschouwen. De WHO-richtlijnen zijn echter geen geldend recht en bevatten slechts aanbevelingen voor beleid en regelgeving. Dit is voor de rechtbank onvoldoende om in deze zaak te oordelen dat in het akoestisch onderzoek voor het geluidaspect niet kon worden aangesloten bij de genoemde VNG-publicatie om de norm ‘goede ruimtelijke ordening’ in te vullen, of dat de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet toereikend zijn.

52. De rechtbank is ook overigens van oordeel dat het college zich op grond van de conclusies uit het akoestisch onderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de geluidsgevolgen van de hondenkennel passend zijn binnen een goede ruimtelijke ordening, en dat het Activiteitenbesluit milieubeheer niet aan de uitvoering van de omgevingsvergunning in de weg staat. Het akoestisch onderzoek is inzichtelijk en gemotiveerd en eisers hebben hier verder onvoldoende tegenover gesteld. De input van de NSG bevat opmerkingen en vragen over het akoestisch onderzoek, maar dit kan niet worden aangemerkt als deskundig tegenrapport. De beroepsgrond over de geluidsaspecten slaagt niet.

Beroepsgronden over sloot, planschade en behoefte slagen niet

53. Eisers wijzen erop dat de nieuwbouw zo dicht tegen de erfafscheidende sloot wordt gebouwd, dat het onderhoud daarvan onmogelijk wordt. Er ontstaat dan strijd met de Keur van het waterschap. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond feitelijke grondslag mist. Op de zitting is immers toegelicht dat het ook na de realisering van de hondenkennel voor [A] nog steeds mogelijk is om de sloot via zijn eigen grond te onderhouden en om de aan te brengen beplanting te snoeien.

54. Eisers vrezen voor een nadelige invloed van de hondenkennel op de waarde van hun percelen. De rechtbank overweegt daarover dat die vrees onvoldoende is voor de verwachting dat die nadelige invloed zo groot zal zijn dat het college bij de afweging van belangen daaraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Daarbij tekent de rechtbank aan dat voor eventuele tegemoetkoming in planschade een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden bestaat. Tussen [A] en de gemeente is bovendien een planschadeovereenkomst gesloten. Het is niet aannemelijk dat eventuele planschadekosten zo hoog zullen zijn dat [A] die niet kan dragen. Er is daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de omgevingsvergunning vanwege planschadekosten financieel niet uitvoerbaar is. De beroepsgrond slaagt niet.

55. Eisers vinden de behoefte aan een hondenkennel onvoldoende aannemelijk. De rechtbank oordeelt dat daarover in de ruimtelijke onderbouwing een inzichtelijke motivering is gegeven, waarin wordt ingegaan op het ondernemingsplan van [A] . Op basis daarvan heeft het college in redelijkheid kunnen concluderen dat een hondenkennel op deze locatie voorziet in een behoefte en ook in dat licht passend is binnen een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie afwijking bestemmingsplan

56. De rechtbank overweegt dat het college alle betrokken belangen heeft meegewogen bij zijn besluit om van het bestemmingsplan af te wijken voor de bouw van de hondenkennel. Het college heeft na afweging van die belangen in redelijkheid tot dat besluit kunnen komen. Daarbij tekent de rechtbank wel (opnieuw) aan dat wanneer de raad de verklaring van geen bedenkingen weigert in het belang dat door de raad wordt beschermd, het college die weigering in acht heeft te nemen bij zijn besluitvorming.

Geen strijd met planregels voor bodemverstorende werkzaamheden

57. De beplanting waarin de aanvraag voorziet wordt aangelegd binnen de bestemming ‘Waarde - Archeologie 4’. Op grond van artikel 23.4.1, aanhef en onder d, van de planregels, geldt dan een aanlegvergunningplicht, omdat sprake is van het aanbrengen van diepwortelende beplantingen. Op grond van artikel 23.4.2, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 23.2, onder b, onder 3, van de planregels is van deze vergunningplicht onder meer uitgezonderd beplantingen die een oppervlakte van minder dan 500 m2 beslaan.

58. De hondenkennel is binnen deze zelfde bestemming voorzien. Op grond van artikel 23.2, onder a, van de planregels is het bouwen van bouwwerken hier verboden. Ook hierop bestaat op grond van het al genoemde artikel 23.2, onder b, onder 3, van de planregels een uitzondering, onder meer als het gaat om een bouwwerk waarbij de bodemverstoring minder dan 500 m2 bedraagt.

59. Partijen zijn het erover eens dat zowel de nieuwbouw voor de hondenkennel, als de beoogde beplanting los van elkaar een oppervlakte van minder dan 500 m2 beslaan. Eisers voeren echter aan dat de bouw- en aanlegactiviteiten in samenhang moeten worden beoordeeld. Dan moet volgens hen worden onderkend dat de gezamenlijke bodemverstoring door de bouw van de hondenkennel en de beplanting meer dan 500 m2 is, waarvoor de planregels bescherming beogen te bieden met het oog op de bestaande archeologische waarden.

60. Hoewel de rechtbank het betoog van eisers begrijpelijk vindt vanuit de uit het bestemmingsplan volgende gedachte van bescherming van archeologische waarden, bieden de planregels geen aanknopingspunten voor een lezing zoals eisers die voorstaan. In het bestemmingsplan is binnen de bestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ een strikte scheiding aangehouden tussen de toetsingskaders voor bouwen enerzijds en voor aanlegactiviteiten anderzijds. Dat is overeenkomend met de uit de Wabo volgende systematiek, waarbij het uitvoeren van werken (het aanleggen) ten opzichte van bouwen een afzonderlijke omgevingsvergunningplichtige activiteit is. Omdat de toetsingskaders duidelijk zijn en per geval voor het bestaan van een vergunningplicht een ondergrens van 500 m2 bodemverstoring aanhouden, is er geen ruimte voor een ‘stapeling’ zoals eisers die voorstaan. Het college heeft dan ook terecht geconstateerd dat de bouw van de hondenkennel op dit punt niet in strijd is met de planregels en dat er voor het aanbrengen van de beplanting binnen de bestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ geen aanlegvergunningplicht geldt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

61. De rechtbank heeft alle inhoudelijke beroepsgronden beoordeeld en die slagen geen van allen. Die oordelen kunnen later in beginsel niet meer opnieuw bij de rechtbank aan de orde worden gesteld. Dat geldt ook voor de oordelen over de ontvankelijkheid van eisers. Uit het voorgaande blijkt dat de beroepsgrond over de betrokkenheid van de gemeenteraad wel slaagt.

Het vervolg van de procedure gaat alleen nog over de verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad. Een nieuwe zitting zal in beginsel niet nodig zijn.

62. Als het college daaraan mee wenst te werken, is het nu aan de gemeenteraad om over de bouw van de hondenkennel te besluiten. Als een verklaring van geen bedenkingen wordt verleend die juridisch stand kan houden, zijn er daarna in beginsel verder geen inhoudelijke beletselen meer voor de afdoening van de beroepen. De rechtbank zal dan beoordelen of die verklaring reden geeft om de rechtsgevolgen van de omgevingsvergunning in stand te laten. De bouw van de hondenkennel kan in dat geval doorgaan. Zonder verklaring van geen bedenkingen moet de aanvraag van [A] in beginsel alsnog worden afgewezen en kan de bouw niet doorgaan.

63. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over proceskosten, dat gebeurt in een eventuele einduitspraak.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    draagt het college op binnen 2 weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

  • -

    stelt het college in de gelegenheid om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is op 13 augustus 2020 gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra dat weer mogelijk is wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd om

de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737.

2 Zie de uitspraak van de ABRvS van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.

3 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en artikel 2.7 van de Wnb.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 20 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3908.