Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3264

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
8055378
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Niet inloggen of inbellen op skypezitting wordt aangemerkt als niet-verschijnen als bedoeld in art. 88 Rv in verbinding met art. 2 Tijdelijke Coronawet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1038
JAR 2020/225
Prg. 2020/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8055378 UC EXPL 19-10350 SV/40160

Vonnis van 19 augustus 2020

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: CNV Vakmensen.nl,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde,

vertegenwoordigd door: [A] , directeur.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 11 producties

- de conclusie van antwoord met 1 productie

- de pleitnotitie van eiseres met producties 12 en 13.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 9 juli 2020 plaatsgevonden via een skypeverbinding. [eiseres] en haar partner hebben daaraan deelgenomen. Mr. M.A. van Zeist van CNV Vakmensen.nl heeft als gemachtigde van [eiseres] deelgenomen. [gedaagde] heeft niet op deze skypezitting ingelogd of ingebeld, noch heeft iemand anders dat namens haar gedaan. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat op 12 augustus 2020 uitspraak wordt gedaan. De griffier heeft dit per e-mail aan [gedaagde] bericht.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

Mondelinge behandeling

2.1.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] zonder geldige reden niet deelgenomen aan de skypezitting, en wel op grond van het navolgende.

2.2.

Vanwege het coronavirus heeft de rechtbank partijen op 8 mei 2020 per e-mail bericht dat de eerder op 14 mei 2020 geplande fysieke zitting wordt gewijzigd in een skypezitting. Een dag vóór deze zitting van 14 mei 2020 heeft [gedaagde] de rechtbank telefonisch meegedeeld dat zij niet op tijd over een skypeverbinding kan beschikken, waarna de zitting is uitgesteld zodat zij een laptop/computer waarmee een skypeverbinding kan worden gemaakt kan regelen. Op 26 juni 2020 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor een skypezitting op 9 juli 2020 en verzocht om uiterlijk 4 juli 2020 hiervoor de noodzakelijke e-mail- en telefoongegevens toe te sturen. Op 6 juli 2020 heeft de griffier van de rechtbank [gedaagde] per e-mail verzocht haar e-mailadres en telefoonnummer te verstrekken. Uit het telefonisch contact op 6 juli 2020 van de griffier met een medewerkster van [gedaagde] , [B] , bleek dat [gedaagde] de e-mail van 6 juli 2020 van de griffier had ontvangen. Op 7 juli 2020 heeft de griffier [gedaagde] per e-mail nogmaals verzocht, uiterlijk om 15:00 uur die dag, haar e-mailadres en telefoonnummer door te geven. [gedaagde] heeft hierop niet gereageerd. Op 7 juli 2020 heeft de griffier partijen een e-mail gestuurd met een uitnodiging voor een skypezitting op 9 juli 2020 om 9:00 uur. [gedaagde] heeft de griffier op 8 juli 2020 om 17:32 uur per e-mail bericht dat [.] @ [gedaagde] .nl een algemeen e-mailadres is, waar zij geen "inzicht in (heeft)" en dat zij geen skypeverbinding kan maken.

Met uitzondering van de e-mail van 8 mei 2020, heeft de rechtbank alle hiervoor genoemde e-mails gestuurd naar het e-mailadres [.] @ [gedaagde] .nl.

2.3.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde] ruim de tijd heeft gehad om vóór 9 juli 2020 een e-mailadres door te geven waarmee zij een skypeverbinding zou kunnen maken. Zij heeft dit echter niet gedaan. Daarbij komt dat in de uitnodiging voor de zitting was vermeld dat het ook mogelijk is om met het in die e-mail vermelde telefoonnummer aan de skypezitting deel te nemen (in welk geval wel geluid maar geen beeld beschikbaar is). Door pas op 8 juli 2020 om 17:32 uur, dus aan het eind van de middag en daags vóór de zitting van de volgende ochtend om 9:00 uur, een bericht te sturen dat zij geen skypeverbinding kan maken, heeft [gedaagde] zelf het risico genomen dat zij niet zou kunnen deelnemen aan de mondelinge behandeling. Van een partij die diensten verleent op het gebied van administratie mag verwacht worden dat zij haar zaken op orde heeft en eerder aan de bel trekt zodat nog een oplossing gevonden kan worden. [gedaagde] heeft overigens niet uitgelegd waarom het voor haar niet mogelijk zou zijn een skypeverbinding te maken. Dat had wel op haar weg gelegen, omdat daarvoor immers slechts een computer met internetaansluiting en een e-mailadres is vereist. Bovendien had [gedaagde] telefonisch aan de zitting kunnen deelnemen, en ook dat heeft zij zonder opgave van redenen - niet gedaan. De kantonrechter heeft daarom geen aanleiding gezien om de mondelinge behandeling te verplaatsen of uit te stellen. Dat [gedaagde] niet aan de skypezitting heeft deelgenomen merkt de kantonrechter aan als een niet-verschijnen op een mondelinge behandeling zoals bedoeld in artikel 88 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verbinding met artikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid. De kantonrechter zal hieruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, zoals hieronder zal worden uiteengezet.

Feiten

2.4.

[eiseres] is op 1 mei 2018 in dienst getreden van [gedaagde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor 12 maanden. [eiseres] was werkzaam als assistent‑accountant voor 32 uur per week. Haar salaris bedroeg € 2.880,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag. De arbeidsovereenkomst is op 31 januari 2019 geëindigd na tussentijdse opzegging.

Vordering

2.5.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot:

  1. betaling aan [eiseres] van € 1.843,20 bruto vakantiegeld (naar de kantonrechter begrijpt: vakantiebijslag), de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over dit bedrag en de wettelijke rente over de vakantiebijslag en de wettelijke verhoging vanaf de dag van opeisbaarheid;

  2. afgifte aan [eiseres] van een deugdelijke bruto/netto specificatie, waarin de bedragen van de vakantiebijslag en de wettelijke verhoging zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 netto per dag met een maximum van € 10.000,00 netto voor elke dag na betekening van het vonnis dat [gedaagde] niet voldoet aan het vonnis;

  3. afgifte aan [eiseres] van de loonstrook van januari 2019, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  4. vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 276,45;

  5. vergoeding van de proceskosten;

  6. betaling van de nakosten van € 100,00 aan [eiseres] , te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van deze betekening.

2.6.

Nadat [gedaagde] bij de conclusie van antwoord als productie 1 de loonstrook over januari 2019 had verstrekt, heeft [eiseres] dit onderdeel van haar vordering laten vallen.

2.7.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd op de inhoud waarop hierna - voor zover van belang - zal worden ingegaan.

Vakantiebijslag

2.8.

[gedaagde] voert aan dat [eiseres] teveel vakantiedagen heeft opgenomen en dat dit blijkt uit de urenverantwoording. [gedaagde] verwijst naar de overgelegde salarisspecificatie over januari 2019, waaruit volgens haar blijkt dat 90 vakantie-uren zijn verrekend met het salaris en de uit te betalen vakantiebijslag.

2.9.

[eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat zij teveel vakantiedagen heeft opgenomen. Zij verwijst daarbij naar haar eigen overzicht van vakantie-uren die zij heeft opgenomen tijdens haar dienstverband. Daaruit blijkt dat zij nog iets minder dan één vakantiedag tegoed heeft. Tijdens de zitting heeft [eiseres] toegelicht dat zij het vakantie-urenoverzicht heeft opgesteld aan de hand van de urenadministratie die zij tijdens het dienstverband bij [gedaagde] heeft ingeleverd. Verder heeft [eiseres] toegelicht dat zij vakantieverlof bij [A] op papier moest aanvragen en dat het verlofbriefje, dat door [A] werd ondertekend en goedgekeurd, door hem weer werd ingenomen en werd bewaard voor zijn administratie.

2.10.

De kantonrechter overweegt hierover het volgende. In artikel 7:641 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt ervan uitgegaan dat de werkgever verplicht is administratie bij te houden van de door de werknemer genoten vakantiedagen. Dit brengt mee dat de werkgever haar stelling dat teveel vakantiedagen zijn opgenomen, moet motiveren met gegevens uit haar vakantieadministratie. [gedaagde] heeft haar stelling niet onderbouwd met nadere stukken. [gedaagde] heeft ook niet meer gereageerd op het door [eiseres] overgelegde overzicht van de door haar opgenomen vakantie-uren. Door niet aan de skypezitting deel te nemen heeft zij zich de mogelijkheid ontnomen te reageren op de nadere toelichting van [eiseres] hoe het vakantieverlof volgens haar werd aangevraagd. [gedaagde] heeft dan ook geen inzage gegeven in haar verlofdagenadministratie. Juist nu [eiseres] stelt dat zij vakantiebriefjes inleverde die [gedaagde] innam, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om deze briefjes over te leggen, wat zij niet heeft gedaan.

2.11.

[gedaagde] voert ook aan dat [eiseres] meerdere cliënten van haar heeft geschoffeerd en dat [eiseres] bestanden van [gedaagde] heeft meegenomen naar haar nieuwe werkgever. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] haar stellingen, door daarvan geen concrete gegevens te verstrekken, onvoldoende heeft onderbouwd. [eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat zij cliënten heeft geschoffeerd en dat zij bedrijfsinformatie of klantgegevens heeft meegenomen naar een nieuwe werkgever. [gedaagde] heeft ook niet uitgelegd waarom deze handelwijze van [eiseres] aan betaling van vakantiebijslag in de weg zou staan. Ter zitting heeft [eiseres] erkend dat zij bij haar nieuwe werkgever een zelfde Excel-sjabloon gebruikt als zij ook bij [gedaagde] gebruikte, dat het een leeg sjabloon betrof dat iedereen kan maken, en dat zij dit sjabloon toen zij bij [gedaagde] in dienst trad van de vorige werkgever had meegenomen. [gedaagde] heeft dit alles niet betwist. De kantonrechter stelt verder vast dat het meenemen van bestanden niet onder de reikwijdte valt van het concurrentiebeding, zoals opgenomen in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst. Voor zover [gedaagde] bedoelt te stellen dat [eiseres] de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst heeft geschonden, heeft hij niet gesteld welke gevolgen dit voor de toewijsbaarheid van de vordering tot betaling van vakantiebijslag zou moeten hebben. Van eventuele verrekening met een verbeurde boete kan alleen al daarom geen sprake zijn omdat op overtreding van het geheimhoudingsbeding geen boete was gesteld.

2.12.

Uit het voorgaande volgt dat de verweren van [gedaagde] tegen de vordering niet kunnen slagen. De gevorderde vakantiebijslag van € 1.843,20 bruto kan worden toegewezen.

Wettelijke verhoging

2.13.

Ook de gevorderde wettelijke verhoging is toewijsbaar. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden geen reden ambtshalve tot matiging daarvan over te gaan.

Bruto/netto specificatie

2.14.

Het verzoek om van de vakantiebijslag en de wettelijke verhoging een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken is eveneens toewijsbaar. Ook de daaraan gekoppelde dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis in gebreke blijkt om deze specificatie te verstrekken, zal worden toegewezen, tot een maximum van € 5.000,00.

Wettelijke rente

2.15.

De verzochte wettelijke rente over de vakantiebijslag kan worden toegewezen.

Wettelijke rente over de wettelijke verhoging

2.16.

Voor verschuldigdheid van wettelijke rente over de wettelijke verhoging is nodig dat de werkgever in verzuim is geraakt na in gebreke te zijn gesteld, zoals dat ook geldt bij wettelijke rente over een boete die krachtens een boetebeding is verbeurd (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6537). Nu niet is gebleken dat [gedaagde] in gebreke is gesteld en gesommeerd tot betaling van de wettelijke verhoging, is geen sprake van verzuim. Over de wettelijke verhoging is daarom thans nog geen wettelijke rente verschuldigd. De gevorderde wettelijke rente over de wettelijke verhoging zal eerst vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

2.17.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering is toewijsbaar nu de hoofdvordering toewijsbaar is en toepasselijkheid van het Besluit niet is bestreden.

Proceskosten en nakosten

2.18.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 104,85

- griffierecht € 231,00

- salaris gemachtigde € 360,00 (2 punten x tarief € 180,00)

Totaal € 695,85.

2.19.

[gedaagde] wordt ook veroordeeld tot betaling van nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiseres] worden gemaakt, zoals hierna wordt weergegeven.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen:

  1. € 1.843,20 bruto aan vakantiebijslag;

  2. de wettelijke verhoging daarover op grond van artikel 7:625 BW;

  3. de wettelijke rente over het onder a bedoelde bedrag vanaf 31 januari 2019 en over het onder b bedoelde bedrag vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om [eiseres] over de onder a en b genoemde betalingen een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoen, met een maximum van € 5.000,00;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten van € 276,45;

3.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 695,85, waarin begrepen € 360,00 aan salaris gemachtigde;

3.5.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

3.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.