Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3246

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
28-10-2020
Zaaknummer
UTR 19/463
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In beroep gewijzigd besluit: alsnog recht op WIA gebaseerd op 100% arbeidsongeschiktheid. Eiseres niet eens met urenbeperking. Beroep tegen eerste besluit n-o, tegeen tweede besluit ongegrond. Toekenning pkv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/463

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Winia),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. V.F.M. Verdouw).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [werkgever] B.V., te [vestigingsplaats] , (gemachtigde: mr. B. Polman).

Inleiding

1.1

Eiseres heeft in beroep geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen

met haar werkgever [werkgever] B.V.. Daarom wordt het vermelden van medisch gegevens

in deze uitspraak zo veel als mogelijk vermeden.

1.2

Eiseres was werkzaam als inkoop assistent bij [werkgever] (hoofdkantoor [naam] )

voor 40 uur per week. Na afloop van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft eiseres

zich vanwege klachten ziek gemeld. Per 18 mei 2016 is aan haar een ziektewetuitkering

toegekend. Vanwege een volgende zwangerschap is aan eiseres opnieuw een zwangerschaps-

en bevallingsuitkering toegekend over de periode 10 december 2017 tot 15 april 2018.

Hierna heeft zij niet haar werk kunnen hervatten.

Op 27 december 2017 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.

1.3

Bij besluit van 14 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres per 5 mei 2018 een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4

Bij besluit van 13 december 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

1.5

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

1.6

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.7

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is verschenen haar gemachtigde.

1.8

Op de zitting heeft eiseres nieuwe medische informatie overgelegd. Naar aanleiding daarvan is het onderzoek geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen dit standpunt nader te onderbouwen per datum in geding. Eiseres legt daartoe de brief van 24 september 2019 van haar behandelaar over. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder op 11 december 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar (het bestreden besluit II) genomen. Daarbij heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit alsnog gegrond verklaard en bepaald dat eiseres per 5 mei 2018 recht heeft op een WIA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 100% op arbeidsdeskundige gronden.

1.9

Eiseres heeft bij brief van 22 januari 2020 op het bestreden besluit II gereageerd. Derde-partij heeft bij brief van 3 januari 2020 gereageerd. Verweerder heeft nog een verweerschrift ingediend.

1.10

De rechtbank heeft met toestemming van partijen het onderzoek gesloten op 19 mei 2020.

Waar gaat het in deze zaak over?

2 Het gaat in deze zaak om de vraag of verweerder eiseres terecht 100% arbeidsongeschikt heeft geacht en haar op grond daarvan een WIA-uitkering heeft toegekend.

3 De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met dit besluit is niet volledig tegemoet gekomen aan het beroep van eiseres. Het beroep van eiseres wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II, omdat eiseres daarbij voldoende belang heeft.

Gesteld noch gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I voor zover dat besluit ziet op de weigering een WIA-uitkering toe te kennen. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit I is daarom niet ontvankelijk.

Hoe toetst de rechtbank? (het beoordelingskader)

4 De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, als deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en de daarop gebaseerde besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Het is echter aan een eisende partij aan te voeren en, zo nodig, aannemelijk te maken dat de rapporten niet aan de genoemde eisen voldoen of de medische beoordeling onjuist is. Het eerste kunnen ook niet medisch geschoolden doen; voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een arts noodzakelijk. Bij de rechtbank werken immers geen artsen en de rechtbank kan zelf dus niet zomaar zeggen dat een verzekeringsarts tot een onjuiste medische conclusie is gekomen. Dat betekent ook dat hoe iemand zich voelt zonder ondersteunende verklaring van een arts niet genoeg is voor de rechtbank om het beroep gegrond te verklaren en de eisende partij in het gelijk te stellen.

Wat vindt de rechtbank ervan?

5 De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht aan eiseres een WIA-uitkering heeft toegekend. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.

6 Naar aanleiding van het bestreden besluit II heeft eiseres aangevoerd dat zij zich kan vinden in het arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%. Zij is het niet eens met de in de gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 november 2019 opgenomen lichte beperkingen dat zij 6 uur per dag en 30 uur per week kan werken. Zij is, anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep, van mening dat er geen sprake is van benutbare mogelijkheden. Eiseres verwijst daarvoor naar de brief van brief 24 september 2019 van haar behandelaar, waaruit blijkt dat werkhervatting een toename van klachten zal veroorzaken en dat het niet verstandig is te gaan werken voor er behandeling heeft plaatsgevonden. Subsidiair voert eiseres aan dat er op grond van de Standaard verminderde arbeidsduur vanuit preventief oogpunt een verdergaande urenbeperking aan de orde moet zijn dan nu is vastgelegd in de FML.

7 In haar rapport van 15 november 2019 en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat eiseres niet voldoet aan de criteria voor ‘geen benutbare mogelijkheden’. Vervolgens is in het rapport uitgebreid gemotiveerd dat de bevindingen van het huidige aanvullende onderzoek goed aansluiten bij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts van 30 mei 2018. Met de expertise in september 2017 is de diagnose van de aandoening van eiseres vastgesteld. Ten aanzien van de psychische belastbaarheid van eiseres is in de FML rekening gehouden met een verminderde stressbelastbaarheid, afgenomen flexibiliteit, de aard van haar aandoening en met een sterk verminderde emotionele belastbaarheid. De opgenomen beperkingen passen zeer goed bij de aandoening waaraan eiseres lijdende is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet nu aanleiding een licht energetische beperking op te nemen, die aansluit bij het dagverhaal van eiseres waaruit een verhoogde recuperatiebehoefte blijkt. In haar rapport van 4 maart 2020 licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep toe dat bij eiseres sprake is van een aandoening die een aanspraak doet op de energetische belastbaarheid, waarbij de verhoogde rustbehoefte past. De primaire verzekeringsarts heeft destijds weliswaar geen urenrestrictie aangenomen maar het aanvullende onderzoek met spreekuurbezoek op

15 november 2019 en de brief van de behandelaar van 24 september 2019 hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot voortschrijdend inzicht gebracht.

De rechtbank kan deze motivering volgen en ziet in hetgeen eiseres hierover nog heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Eiseres heeft haar standpunt dat een verdere urenbeperking uit preventief oogpunt nodig is ook niet met een rapport van een arts onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

8 Tegen het arbeidsdeskundig rapport van 20 november 2019, dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit II, zijn geen gronden ingebracht. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat er van moet worden uitgegaan dat de beperkingen van eiseres, zoals opgenomen in de FML van 15 november 2019, juist zijn. Op grond van die beperkingen is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat er na heroverweging niet drie geschikte functiesoorten met tenminste drie arbeidsplaatsen kunnen worden geselecteerd.

Daarom kan er geen theoretische schatting plaatsvinden en moet eiseres volledig arbeidsongeschikt worden beschouwd op arbeidsdeskundige gronden.

Conclusie

9 De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond is.

Omdat sprake is van een gewijzigd besluit ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie op het gewijzigde besluit, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Ook dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Reactie van derde-partij

10 Derde-partij is als werkgever belanghebbende bij de besluiten inzake de WIA-uitkering aan eiseres. Omdat met het bestreden besluit II de weigering WIA-uitkering is gewijzigd in een toekenning WIA-uitkering aan eiseres, heeft derde-partij eveneens belang bij het beroep van eiseres tegen dit besluit.

11 Derde-partij heeft aangevoerd dat ten onrechte een urenrestrictie is aangenomen door verweerder. Er is geen nieuwe informatie ingebracht, zodat de betreffende beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende zijn gemotiveerd.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zoals hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de urenrestrictie voldoende heeft gemotiveerd.

12 Daarnaast verzoekt derde-partij een uitspraak te doen over de mogelijke toerekening van de toegekende WIA-uitkering.

De rechtbank gaat niet in op dit verzoek omdat het buiten de omvang van dit geding valt. Het gaat in deze zaak slechts om de vraag of aan eiseres terecht een WIA-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100 is toegekend. De vraag naar de toerekening van deze toegekende uitkering is een zaak tussen derde-partij als eigen risicodrager en verweerder.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I van 13 december 2018

niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II van 11 december 2019 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiseres vergoedt tot een bedrag van

€ 1.312,50;

- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 47,- aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier op 11 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak zo nodig alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.