Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3242

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
16/202596-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op meerdere momenten in een periode van 2012 tot en met 2019 – bijna zeven jaar lang – schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen van in totaal ruim anderhalve ton, waarvan het beheer hem was toevertrouwd in zijn hoedanigheid als penningmeester van de Stichting Statenfractie VVD en de Stichting Stoomschip “Vereeniging”. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde daardoor worden miskend (met name de duur van de gedragingen en de hoogte van het bedrag). Dit is ook in overeenstemming met de hiervoor genoemde oriëntatiepunten en de rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte onvoldoende redenen om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De redenen die verdachte aangeeft waarom hij tot de verduisteringen is overgegaan maken de feiten niet minder ernstig. De rechtbank overweegt echter dat het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf afbreuk doet aan de speciale preventie, omdat verdachte dan opnieuw in grote financiële problemen zal geraken, wat voor hem de reden is geweest de feiten te plegen. Ook zal hij dan niet in staat zijn de verduisterde geldbedragen terug te betalen. Dit acht de rechtbank niet wenselijk. Zij zal daarom bepalen dat een substantieel deel van de op te leggen gevangenisstraf vooralsnog niet ten uitvoer behoeft te worden gelegd. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en algemene en bijzondere voorwaarden, en een taakstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden is en zal deze straf aan verdachte opleggen. De vordering benadeelde partij van Stichting Stoomschip “Vereeniging” wordt geheel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/202596-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]
geboren op [1955] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,

hierna te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 mei 2020 en 29 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Kamper en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. O. Bolluyt, advocaat te Almere, alsmede de benadeelde partij, [aangever 1] namens [benadeelde 1] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:

feit 1

in de periode van 14 september 2012 tot en met 25 september 2017 te Lelystad en/of Swifterbant, opzettelijk in totaal ongeveer 118.308,99 euro, dat toebehoorde aan [benadeelde 2] , dat verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van bestuurder en/of penningmeester en/of beheerder - belast met het beheer van de financiën van voornoemde stichting -, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 2

in de periode van 4 november 2013 tot en met 23 augustus 2019 in Almere en/of Swifterbant, althans in Nederland, opzettelijk in totaal ongeveer 37.803 euro, dat toebehoorde aan [benadeelde 1] , dat verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van bestuurder en/of penningmeester en/of beheerder - belast met het beheer van de financiën van voornoemde stichting -, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van bewezenverklaring van feit 1 en 2.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 1 en 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

feit 1

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 juli 2020;

  • -

    een proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] namens [benadeelde 2] ;2

- een proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] namens [benadeelde 1] ;3

- een proces-verbaal bevindingen;4

- een proces-verbaal bevindingen van onderzoek naar transactiegegevens van [rekeningnummer] over de periode 1 september 2012 tot en met 19 augustus 2019;5

- een proces-verbaal bevindingen van onderzoek naar transactiegegevens van [rekeningnummer] over de periode 1 september 2012 tot en met 19 augustus 2019;6een proces-verbaal bevindingen van onderzoek naar saldo- en transactiegegevens van de bankrekening met het nummer [rekeningnummer] over de periode 1 september 2012 tot en met 19 augustus 2019;7

- een proces-verbaal bevindingen van onderzoek naar de transactiegegevens van het bankrekeningnummer [rekeningnummer] ;8

De hiervoor genoemde bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de geldbedragen in de tenlastelegging niet kloppen en dat verdachte in totaal van de [benadeelde 2] het bedrag van € 106.975,- heeft verduisterd en van [benadeelde 1] het totale bedrag van € 29.153,-. In deze bedragen heeft de verdediging terugstortingen door verdachte op de rekeningen van de stichtingen verdisconteerd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging bankafschriften overgelegd en per feit een overzicht van de bij- en afschrijvingen in de tenlastegelegde periodes.

De rechtbank overweegt dat zowel verdachte als de politie een overzicht hebben gemaakt van de bij- en afschrijvingen in de tenlastegelegde perioden. Deze overzichten komen niet geheel overeen. De rechtbank kan op basis van de verschillende overzichten niet vaststellen wat de oorzaken van de verschillen zijn. Verdachte heeft niet aangegeven waar volgens hem de berekening van de politie niet klopt. Er zijn alleen bankafschriften en door verdachte gemaakte overzichten overgelegd. De rechtbank kan niet controleren of verdachte alle van belang zijnde afschriften heeft overgelegd. Bij die stand van zaken maakt de rechtbank bij de vaststelling van het totaalbedrag van het door verdachte verduisterde geld gebruik van de door de politie op ambtseed opgemaakte en vastgestelde processen-verbaal van bevindingen (zoals hierboven bij ‘bewijsmiddelen’ genoemd). De verbalisanten hebben op ambtseed verklaard dat zij de transactiegegevens van de betreffende rekeningen hebben onderzocht en komen daarbij op andere bedragen dan verdachte. Verdachte heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze bedragen niet juist zijn.

De rechtbank is van oordeel dat bij de vaststelling van het totaalbedrag van het door verdachte verduisterde geld alleen gekeken moet worden naar de bedragen die verdachte van de rekeningen heeft overgemaakt naar zijn eigen rekeningen. Dat verdachte geldbedragen op enig moment heeft teruggestort doet geen afbreuk aan het feit dat de verduisteringen op dat moment al voltooid waren. Kortom: dat verdachte een deel van de geldbedragen op enig moment heeft teruggestort betekent niet dat hij deze geldbedragen niet al had verduisterd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en stelt vast dat verdachte van de [benadeelde 2] in totaal een bedrag van € 118.108,99 heeft verduisterd en van [benadeelde 1] in totaal een bedrag van € 37.803,-.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

op tijdstippen in de periode van 14 september 2012 tot en met 25 september 2017 te Lelystad en Swifterbant, telkens opzettelijk hoeveelheden geld (van in totaal 118.108,99 euro), die toebehoorden aan [benadeelde 2] en welke goederen verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van penningmeester - belast met het beheer van de financiën van voornoemde stichting -, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 2

op tijdstippen in de periode van 4 november 2013 tot en met 23 augustus 2019 in Nederland, telkens opzettelijk hoeveelheden geld (van in totaal 37.803 euro), die toebehoorden aan [benadeelde 1] , en welke goederen verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van bestuurder en/of penningmeester - belast met het beheer van de financiën van voornoemde stichting -, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 en 2

telkens: verduistering gepleegd door beheerders van stichtingen, ten opzichte van enig goed dat zij als zodanig onder zich hebben, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, de verplichting mee te werken aan schuldhulpverlening en het verbod werkzaamheden te verrichten als penningmeester;

- een taakstraf van 180 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging in strafmatigende zin in aanmerking te nemen dat verdachte niet uit was op geldelijk gewin, maar enkel zijn schuldenberg heeft geprobeerd te verkleinen, dat hij openstaat voor hulpverlening en meer dan bereid is zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden. De raadsman heeft verzocht aan verdachte een combinatie van een taakstraf en een voorwaardelijke detentie op te leggen, omdat dit recht doet aan hetgeen is voorgevallen, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn proceshouding en omdat dit voorkomt dat verdachte nog meer in de problemen raakt omdat hij bij detentie zijn schulden niet meer kan aflossen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Meer in het bijzonder geldt het volgende.

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich op meerdere momenten in een periode van 2012 tot en met 2019 – bijna zeven jaar lang – schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen van in totaal ruim anderhalve ton, waarvan het beheer hem was toevertrouwd in zijn hoedanigheid als penningmeester van de [benadeelde 2] en de [benadeelde 1] . Verdachte heeft zich – ook ter terechtzitting nog – op het standpunt gesteld dat hij door de verduistering van dit geld niet financieel beter is geworden, omdat hij daarmee enkel schulden heeft afgelost. De rechtbank ziet dit anders. Door met de gelden van een ander, die hij zich wederrechtelijk had toegeëigend, zijn schulden af te lossen hoefde verdachte daar zijn eigen geld niet voor te gebruiken en heeft hij dus wel degelijk geldelijk gewin genoten. Ter terechtzitting heeft verdachte bovendien verklaard in de pleegperiode geen enkele poging te hebben gedaan hulp te zoeken voor de financiële problemen waarvoor hij zich persoonlijk gesteld zag en die naar zijn eigen zeggen de oorzaak waren van de door hem gepleegde verduisteringen. In plaats daarvan heeft verdachte, telkens opnieuw, de beslissing genomen de gaten in zijn financiën te dichten met geld dat hem was toevertrouwd in het kader van zijn hoedanigheid als penningmeester van de stichtingen. Daarmee heeft hij het vertrouwen dat in hem was gesteld ernstig beschaamd. Het bij verdachte geconstateerde gebrek aan vermogen zijn laakbare handelwijze kritisch te beoordelen en bij te sturen spreekt ook uit het feit dat de verdachte zich in 2013 heeft laten benoemen tot penningmeester van [benadeelde 1] , terwijl hij op dat moment als penningmeester van [benadeelde 2] al enige tijd geld verduisterde. Dat verdachte ter terechtzitting spijt heeft betuigd, doet aan voorgaande niet af. De rechtbank neemt hem deze handelwijze zeer kwalijk.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 15 januari 2020, waaruit blijkt dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Over de persoon van verdachte is op 1 mei 2020 een reclasseringsadvies uitgebracht door T. Verdaasdonk onder supervisie van I. Kapteijn, reclasseringswerkers van Reclassering Nederland. Daaruit blijkt onder meer dat de reclassering criminogene factoren ziet op het gebied van delictverleden (een eerdere veroordeling inzake verduistering), financiën (een openstaande restschuld hypotheek en mogelijke financiële consequenties bij een veroordeling) en psychosociaal functioneren (gebrekkig probleemoplossend vermogen en het niet bijtijds vragen om hulp). Hoewel verdachte zegt erop te vertrouwen dat hij in de toekomst niet nog eenzelfde fout zal begaan, omdat hij er momenteel financieel beter voor staat, een fulltime baan heeft met goede inkomsten en de hoge medische kostenposten die hij in het verleden had zijn weggevallen, ziet de reclassering dit met meer scepsis tegemoet. Er hangt hem namelijk nog wel een hypotheek restschuld van 160.000 euro boven het hoofd. Daar komen de mogelijke financiële consequenties van een veroordeling nog bij. Bovendien komt verdachte over als iemand die per se zijn eigen boontjes wil doppen, tenzij er geen andere uitweg meer is. Het voorgaande brengt volgens de reclassering dan ook een verhoogd recidiverisico met zich . Een positief punt is dat verdachte schuldbesef lijkt te tonen en een steunend sociaal netwerk om zich heen heeft waar hij in principe een beroep op zou kunnen doen.

De reclassering adviseert in haar rapport tot het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf, waaraan (de hierna te noemen) bijzondere voorwaarden dienen te worden verbonden. Dit advies is in de kern ingegeven door het als hoog ingeschatte gevaar voor herhaling en zorgt dat verdachte periodiek bevraagd kan blijven worden op het gebied van financiën, gedrag en loopbaan.

Oriëntatiepunt straf

Om te bevorderen dat landelijk door gerechten in gelijke gevallen zo veel mogelijk gelijke straffen worden opgelegd heeft het LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting opgesteld. Voor de onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde verduisteringen maakt de rechtbank gebruik van de oriëntatiepunten voor fraude, die volgens de toelichting ook van toepassing zijn bij verduistering. Het benadelingsbedrag ten aanzien van de verduisteringen onder feit 1 en 2 tezamen komt uit op een bedrag van ruim € 155.000,-. De oriëntatiepunten gaan voor fraude bij een benadelingsbedrag van € 125.000,- tot € 250.000,- uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden tot 12 maanden.

De straf
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde daardoor worden miskend (met name de duur van de gedragingen en de hoogte van het bedrag). Dit is ook in overeenstemming met de hiervoor genoemde oriëntatiepunten en de rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte onvoldoende redenen om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De redenen die verdachte aangeeft waarom hij tot de verduisteringen is overgegaan maken de feiten niet minder ernstig. Daarnaast beoogt de rechtbank met bestraffing van verdachte mede de generale preventie te dienen en anderen ervan te weerhouden dergelijke feiten te begaan.

De rechtbank overweegt echter dat het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf afbreuk doet aan de speciale preventie, omdat verdachte dan opnieuw in grote financiële problemen zal geraken, wat voor hem de reden is geweest de feiten te plegen. Ook zal hij dan niet in staat zijn de verduisterde geldbedragen terug te betalen. Dit acht de rechtbank niet wenselijk. Zij zal daarom bepalen dat een substantieel deel van de op te leggen gevangenisstraf vooralsnog niet ten uitvoer behoeft te worden gelegd. Met het voorwaardelijk strafdeel beoogt de rechtbank tevens om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal in het spoor van de door de reclassering gegeven adviezen bijzondere voorwaarden formuleren, zoals hierna te melden. Naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen.

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat verdachte tijdens de pleegperiode van beide feiten, namelijk op 24 februari 2017, is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

Anderzijds stelt de rechtbank vast dat deze veroordeling verdachte er niet van heeft weerhouden door te gaan met het verduisteren van geldbedragen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de hierna te noemen algemene en bijzondere voorwaarden, en een taakstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden is en zal deze straf aan verdachte opleggen.

9 BENADEELDE PARTIJ

[aangever 1] heeft zich namens [benadeelde 1] als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 30.000,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen tot € 29.153,-, omdat dit het totaalbedrag is dat verdachte zou hebben verduisterd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal – gelet op de bewezenverklaring - de vordering geheel toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 29 augustus 2019 tot aan de dag van volledige betaling. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 30.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 29 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 185 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 323 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres De Meent 4 te Lelystad en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

* op geen enkele wijze de functie van penningmeester zal bekleden, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis;

Benadeelde partij [benadeelde 1]

  • -

    wijst de vordering van [aangever 1] namens [benadeelde 1] geheel toe tot een bedrag van € 30.000,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 30.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 185 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mrs. M.C. Danel en N.P.J. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. R. Carbo en I.S.A. Nahumury griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 augustus 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

feit 1

hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 september 2012 tot en met 25 september 2017 te Lelystad en/of Swifterbant, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meer hoeveelheden geld (van in totaal ongeveer 118.308,99 euro), in elk geval enig goed, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van bestuurder en/of penningmeester en/of beheerder - belast met het beheer van de financiën van voornoemde stichting -, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 2

hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 november 2013 tot en met 23 augustus 2019 te Almere en/of Swifterbant, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meer hoeveelheden geld (van in totaal ongeveer 37.803 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte onder zich

had in zijn hoedanigheid van bestuurder en/of penningmeester en/of beheerder - belast met het beheer van de financiën van voornoemde stichting -, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 11 februari 2020, onderzoeksnummer MD2R019113-64 (25Alston), opgemaakt door politie Midden-Nederland, district Gooi en Vechtstreek, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 257. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 14 tot en met 16 en met bijlagen (uittreksels Handelsregister KvK) op pagina 18 en 19.

3 Pagina 156-158.

4 Pagina 104-106 met bijlagen (uittreksels Handelsregister KvK) op pagina 107-116.

5 Pagina 119-121.

6 Pagina 123-124.

7 Pagina 127-128.

8 Pagina 133-134.