Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3237

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
C/16/504983 / KG ZA 20-309
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

KG. Strafvorderlijk beslag onder leningnemer. Zijn vorderingen tegen leninggever (gericht op alt. zekerheid) zijn in een eerder KG toegewezen maar niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Afgewezen, want geen nova. Ook vorderingen tegen Staat afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/504983 / KG ZA 20-309

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 15 juli 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende in [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 2],

wonende in [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. L. de Leon,

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

[gedaagde sub 1] Limited,

gevestigd in [vestigingsplaats 2] (Volksrepubliek China),

gedaagde,

verschenen zonder advocaat,

2. de rechtspersoon naar publiek recht

De Staat der Nederlanden,

gevestigd in Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I.C. Engels.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] c.s., [gedaagde sub 1] en de Staat worden genoemd .

1 Het verloop van de procedure

[eiser sub 1] c.s. heeft een dagvaarding met producties 1 tot en met 10 ingediend en later producties 11 en 12 overgelegd. [gedaagde sub 1] heeft een aantal ongenummerde producties overgelegd. De Staat heeft producties 1 en 2 overgelegd. Op de zitting van 15 juli 2020 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht, [gedaagde sub 1] mede aan de hand van een pleitnota, die tijdens een leespauze door de aanwezigen is gelezen. Na een schorsing van de zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit proces-verbaal betreft de vastlegging van die uitspraak.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] zijn op 24 november 2016 een geldleningsovereenkomst van € 900.000 aangegaan, met een rente van € 90.000 per jaar. Tot zekerheid van de nakoming van deze overeenkomst heeft [gedaagde sub 1] een recht van hypotheek gekregen op aan de heer [eiser sub 1] en mevrouw [eiseres sub 2] toebehorende onroerende zaken. Op 10 oktober 2017 heeft het openbaar ministerie ten laste van [gedaagde sub 1] strafvorderlijk conservatoir beslag gelegd onder [eiser sub 1] c.s., als zekerheid voor onder meer een eventuele maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit leidde ertoe dat [eiser sub 1] c.s. de lening niet op het gewenste moment de lening kon aflossen, waardoor hij stelt te worden benadeeld. Doordat er anders dan hij had gewild, nog steeds een hypotheek op zijn zaken rust, kan hij zijn onderneming niet herfinancieren, aldus [eiser sub 1] c.s. [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] twisten over de vraag of [eiser sub 1] c.s. vervroegd had kunnen aflossen en (dus) over de rentetermijnen. Tussen [gedaagde sub 1] en het openbaar ministerie is overleg gevoerd over een oplossing waarbij het openbaar ministerie vervangende zekerheid zou krijgen voor de vorderingen die het op [gedaagde sub 1] verwacht te hebben. Dat heeft (nog) niet tot resultaat geleid, omdat [gedaagde sub 1] zich niet kan vinden in de voorwaarden die het openbaar ministerie aan de zekerheidstelling stelt.

2.2.

[eiser sub 1] c.s. is eerder een kort geding gestart tegen [gedaagde sub 1] . Daarin vorderde hij, samengevat, dat [gedaagde sub 1] medewerking zou verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst met het openbaar ministerie, die vervangende zekerheid zou bieden. Het beslag zou dan kunnen worden opgeheven en de hypotheek zou, na betaling, kunnen worden doorgehaald. In een vonnis van 20 maart 2020 is deze vordering toegewezen, waarbij op de voet van artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de door [gedaagde sub 1] te tekenen akte als [gedaagde sub 1] die akte niet vrijwillig tekent. De voorzieningenrechter heeft het vonnis echter niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis vermeldt daarover: “5.16. Bij toepassing van artikel 3:300 BW dient de rechter terughoudend te zijn in het uitspreken van een uitvoerbaar bij voorraad-verklaring (zie onder meer de wetsgeschiedenis). De voorzieningenrechter zal het vonnis daarom niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren nu de gevraagde c.q. toegewezen voorzieningen gelet op de aard daarvan moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt als dit vonnis in hoger beroep niet in stand zou blijven.” Tegen het vonnis is tijdig hoger beroep ingesteld, zodat het nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en [eiser sub 1] c.s. het niet ten uitvoer kan leggen.

2.3.

Met dit kort geding wil [eiser sub 1] c.s. bereiken dat hij alsnog een bij voorraad uitvoerbare beslissing tegen [gedaagde sub 1] verkrijgt. Hij stelt daartoe in essentie dezelfde vorderingen in tegen [gedaagde sub 1] als in het eerdere kort geding. Daarnaast stelt [gedaagde sub 1] een vordering in tegen de Staat, die erop neerkomt dat de Staat (dat wil zeggen het openbaar ministerie) ervoor moet zorgen dat [eiser sub 1] c.s. zijn schuld aan [gedaagde sub 1] aan de Staat kan voldoen, met opheffing van het beslag en doorhaling van de hypotheek.

2.4.

[gedaagde sub 1] beoogt in haar pleitnota ook vorderingen in te stellen. Zij vordert, naar de voorzieningenrechter begrijpt, dat [eiser sub 1] c.s. in reconventie wordt veroordeeld rentebetalingen te doen, met rente en kosten.

3 De beoordeling

De vorderingen in conventie

3.1.

Hoezeer de voorzieningenrechter ook begrip heeft voor de positie van [eiser sub 1] c.s., de vorderingen in conventie moeten worden afgewezen. De reden is dat daarover al is beslist. In het vonnis van 20 maart 2020 zijn de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. tegen [gedaagde sub 1] toegewezen. Bewust is daarbij de uitvoerbaarheid bij voorraad aan de veroordelingen onthouden. In dat geval is het aan het hof om over het vonnis, waaronder (zo mogelijk in incident) de uitvoerbaarheid bij voorraad, te beslissen. Een verkapt appel in de vorm van een nieuw kort geding is in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en is niet toelaatbaar.

3.2.

Zo’n nieuw kort geding kan alleen slagen indien en voor zover nieuwe feiten en omstandigheden worden gesteld die nog niet in het eerdere kort geding naar voren konden worden gebracht en die tot een ander oordeel kunnen leiden. Volgens [eiser sub 1] c.s. bestaan dergelijke feiten en omstandigheden, maar de voorzieningenrechter is het daar niet mee eens. [eiser sub 1] c.s. verwijst in de eerste plaats naar een (in februari 2020 gereed gekomen) verbouwing die zijn financiële situatie nijpender maakt. Dit argument ligt in het verlengde van wat, zoals uit het vonnis blijkt, de voorzieningenrechter al voor ogen heeft gehad. Uit niets blijkt bovendien dat [eiser sub 1] c.s. dit argument niet al in maart 2020, in het eerdere kort geding, naar voren had kunnen brengen. Deze omstandigheid is daarom geen grond om van het eerdere vonnis af te wijken. Het argument van [eiser sub 1] c.s. dat het verkrijgen van financiering gelet op de huidige crisis nog lastiger is geworden, gaat evenmin op. De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiser sub 1] c.s. bedoelt dat het nog belangrijker is dat de hypotheek wordt doorgehaald. De voorzieningenrechter ziet hierin echter niet een zodanige wijziging van feiten en omstandigheden dat dit tot een ander oordeel over de uitvoerbaarheid bij voorraad kan leiden. Bij dit alles komt dat, zoals [eiser sub 1] c.s. naar voren heeft gebracht, door middel van een spoedappel probeert te bewerkstelligen dat hij alsnog een bij voorraad uitvoerbare beslissing verkrijgt en dat in november een uitspraak van het hof wordt verwacht. Hoewel het arrest dus nog enkele maanden op zich laat wachten, is deze periode, mede gelet op het belang van een gesloten stelsel van rechtsmiddelen, van onvoldoende gewicht om een ander oordeel dan in het eerdere kort geding te rechtvaardigen.

3.3.

Ook tegen de Staat moet de vordering worden afgewezen. Het bezwaar van [eiser sub 1] c.s. tegen het onder hem gelegde beslag is door de strafrechter beoordeeld en ongegrond verklaard. Mede gegeven die omstandigheid kan slechts medewerking van de Staat (het openbaar ministerie) worden afgedwongen om te komen tot opheffing van het beslag, indien de belangen van [eiser sub 1] c.s. bij opheffing in zodanig grote mate tegen de belangen van de Staat bij voortduring van het beslag opwegen, dat het onmiskenbaar onrechtmatig is van de Staat om niet aan die opheffing mee te werken. Die situatie doet zich niet voor. De Staat heeft een eigen te respecteren belang bij de voortduring van het beslag en het is aan hemzelf om de voorwaarden te bepalen waaronder hij dat belang wil prijsgeven en vervangen door een andere vorm van zekerheid. Daarbij telt dat, als dat alternatief wel wordt gekozen, de Staat daarbij mede afhankelijk is van de instemming van [gedaagde sub 1] met de door de Staat gewenste voorwaarden. Net zo min als [eiser sub 1] c.s. dat op dit moment kan, kan de Staat [gedaagde sub 1] dwingen met een eventueel alternatief akkoord te gaan. Dat [eiser sub 1] c.s. in zijn herfinancieringsmogelijkheden gehinderd wordt door het beslag is – hoe vervelend ook voor hem – mede daarom van onvoldoende gewicht om in dit geding tot zijn gelijk te kunnen leiden.

3.4.

Omdat hij ongelijk krijgt, zal [eiser sub 1] c.s. in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde sub 1] worden begroot op € 656 aan griffierecht en de kosten van de Staat worden begroot op € 656 aan griffierecht en € 980 aan salaris (in totaal
€ 1.636), voor wat betreft de Staat te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vorderingen in reconventie

3.5.

De vorderingen in reconventie zijn niet-ontvankelijk omdat zij niet zijn ingediend door een advocaat. Bovendien zijn deze vorderingen niet uiterlijk 24 uur voorafgaande aan mondelinge behandeling aangekondigd, zodat zij in strijd komen met de goede procesorde, zoals uitgewerkt in artikel 7.2 van het Procesreglement kort gedingen (december 2018). Het verweer tegen de vorderingen in reconventie zal geen noemenswaardige kosten hebben opgeleverd, zodat de voorzieningenrechter de proceskosten in reconventie zal begroten op nihil.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie:

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [eiser sub 1] c.s. tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] , tot de uitspraak begroot op € 636, en aan de zijde van de Staat, tot de uitspraak begroot op
€ 1.636, dit laatste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in
artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit proces-verbaal tot aan de voldoening van de proceskosten aan de Staat;

4.3.

verklaart de veroordeling in 4.2 uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

4.4.

verklaart de vorderingen niet-ontvankelijk;

4.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

Waarvan proces-verbaal,

mr. R. Bloemink mr. R.A. Steenbergen

griffier voorzieningenrechter