Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3204

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
16-295308-19(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in de periode van 13 juli 2018 tot en met 1 september 2019 schuldig gemaakt aan het samen met een ander dealen van cocaïne en in de periode van 9 september 2019 tot en met 9 december 2019 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne.

Daarnaast heeft verdachte zich op 9 december 2019 schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling door met zijn auto op een politieambtenaar in te rijden. Verdachte zal worden vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en bedreiging van de politieambtenaar.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en legt hierbij een aantal bijzondere voorwaarden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-295308-19(P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te PI Alphen aan den Rijn, locatie Maatschapslaan.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 februari 2020, 28 april 2020, 14 juli 2020 en 28 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

in de periode van 1 september 2017 tot en met 9 december 2019 te Utrecht en/of Maarssen en/of Vleuten en/of Breukelen, samen met anderen, cocaïne heeft gedeald;

Feit 2:

primair: op 9 december 2019 te Utrecht aan een politieambtenaar zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door met een auto op deze politieambtenaar in te rijden;

subsidiair: op 9 december 2019 te Utrecht heeft geprobeerd aan een politieambtenaar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een auto op deze politieambtenaar in te rijden;

Feit 3:

Op 9 december 2019 te Utrecht een politieambtenaar heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling, door dreigend met een auto tegen/in de richting van deze politieambtenaar te rijden.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie verzoekt verdachte van het onder feit 2 primair ten laste gelegde vrij te spreken nu het letsel van de politieambtenaar niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie de periode van juli 2018 tot en met december 2019 bewijsbaar.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1, feit 2 (primair en subsidiair) en feit 3 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 1 stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte heeft bekend dat hij vanaf september 2019 heeft gedeald en dat slechts de periode van september 2019 tot 9 december 2019 te bewijzen is. Vóór deze periode viel verdachte slechts enkele malen in voor de medeverdachte. Geen enkele getuige wijst verdachte aan als notoire dealer. Ten aanzien van de dealertelefoon merkt de verdediging op dat uit onderzoek blijkt dat verdachte 11 van de 180 dagen de dealertelefoon bij zich heeft gehouden. Dit komt overeen met de verklaring van verdachte en de medeverdachte dat verdachte voor september 2019 inviel voor de medeverdachte.

Ten aanzien van feit 2 en feit 3 stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat sprake is van het opzettelijk inrijden door verdachte op de aangever. Vaststaat is dat verdachte stilstond en vervolgens een stukje naar achteren is gereden en naar rechts is uitgeweken en vervolgens is weggereden. Met welke snelheid dit is gebeurd kan niet worden beoordeeld maar dit kan onmogelijk met hoge snelheid zijn geweest. Bij gebrek aan wetenschap van de snelheid kan de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel niet worden beoordeeld en dient verdachte het voordeel van de twijfel te krijgen. Voorts heeft de raadsman gewezen op de verklaring van verdachte dat hij in paniek was en aangever niet heeft gezien. Het is volgens de raadsman onmogelijk dat aangever al voor de auto van verdachte stond op het moment dat verdachte wegreed. Uit de getuigenverklaring van getuige [getuige 1] volgt daarnaast dat verdachte bij het wegrijden zijn hoofd naar links had gedraaid en niet vooruit. Uit de bewijsmiddelen kan kortom ook niet worden afgeleid dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.

Subsidiair doet de verdediging een beroep op putatief noodweer, dan wel putatief noodweerexces. Uit de getuigenverklaringen kan niet afgeleid worden dat verdachte kon weten dat het om politie ging. Het staat niet vast dat de verbalisanten het flapje waarop staat ‘politie’ uit hun borstzak hebben gehaald. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat het politie betrof en dat hij dacht zich in een bedreigende situatie te bevinden is niet onaannemelijk. Voldoende is aannemelijk gemaakt dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak

Feit 2 primair

De rechtbank is van oordeel dat de verwondingen van aangever, gelet op de aard van het letsel en de herstelperiode, niet aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is dan ook, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair onder feit 2 ten laste gelegde.

Feit 3

Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij wilde wegkomen en vervolgens is weggereden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de omstandigheden voor de aangever beangstigend moeten zijn geweest, kan niet worden bewezen dat verdachte met zijn handelen de opzet had om aangever te bedreigen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 3 ten laste gelegde.

4.3.2

Feit 1 – dealen cocaïne

Bewijsmiddelen 1

Getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard:

‘Ik heb vanavond mijn dealer gebeld op telefoonnummer [telefoonnummer] . Wij hadden afgesproken aan de Voorstraat te Utrecht op 1 september 2019. Aldaar ben ik in zijn auto ingestapt. Vervolgens hebben we een klein stukje gereden. Tijdens het rijden heb ik 1 gram cocaïne gekocht voor 50 euro. Ik bel dit nummer nu drie á vier jaar. Ik schat dat ik ongeveer tien keer per jaar bel. Het is steeds dezelfde jongen die nu ook in de auto zat. Meestal zit er nog wel iemand naast, maar dit wisselt wel.2 Het enige wat ik verder nog kan verklaren is dat ik vanaf nummer [telefoonnummer] eens een WhatsApp ontvangen heb die afsloot met "afz: [verdachte] , [A] en [medeverdachte 1] ”’.3

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt het volgende:

‘In onderzoek 31 [adres] is de inbeslaggenomen Iphone 8 met telefoonnummer [telefoonnummer] en in gebruik bij verdachte [medeverdachte 1] onderzocht. In de telefoon staan onder andere WhatsApp gesprekken tussen [medeverdachte 1] en een persoon die in zijn telefoon staat opgeslagen als [verdachte] . Bij het contact [verdachte] staan twee telefoonnummer opgeslagen, te weten:

Telefoon recent [telefoonnummer]

WhatsApp [whatsapp] .

(…)

Op 19 juli 2018 stuurde [verdachte] in een WhatsApp het volgende emailadres [emailadres] @hotmail.com.4 Op 8 februari 2019 stuurde [verdachte] een screenshot van een aan [verdachte] gerichte brief (…). Blijkens de gemeente basis administratie luidt de volledige personalia van [verdachte] als volgt:

[verdachte]

Geboren op [1992] te [geboorteplaats]

Wonende [adres] [woonplaats]

Uit bovenstaande blijkt dat [verdachte] betreft.’5

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] blijkt het volgende:

‘Ik, verbalisant, deed onderzoek in de inbeslaggenomen Macbook van [medeverdachte 2] . In het account van [medeverdachte 2] werd een aantal documenten aangetroffen.6

Bureaublad --> Overig --> Babe --> Werkrooster [werkrooster] .xlsx

De agenda voor [werkrooster] werd ingevuld van januari 2019 t/m april 2019. Dit document werd aangemaakt op 21 december 2018 en als laatst bewerkt op 31 januari 2019.

Bureaublad --> Overig --> Betalingen --> [medeverdachte 1] betalingen.xlsx

Aan de linkerzijde bij ‘maandelijkse inkomsten’ staat: ‘Loon [verdachte] €1000,-‘, ‘Loon [medeverdachte 1] €4000,-‘ en ‘Loon [medeverdachte 1] €600,-‘. Dit document werd aangemaakt op 12 augustus 2018 en als laatst bewerkt op 3 januari 2019.’7

Uit het proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt het volgende:

‘Bij de aanhouding van [medeverdachte 1] op 1 september 2019 werd onder andere een iPhone 8 in beslag genomen. Na uitlezen van deze telefoon bleek het bijhorende nummer van deze telefoon [telefoonnummer] te zijn.

Ik heb in de telefoon de WhatsApp-gesprekken tussen [B] en [verdachte] gelezen. Uit eerder onderzoek in de telefoon van [medeverdachte 1] was vast komen te staan dat [B] [medeverdachte 1] is. De identiteit van [verdachte] is door het onderzoeksteam vastgesteld. Het bleek te gaan om [verdachte] .

In de gesprekken wordt onder andere over bedragen gesproken, het overnemen van elkaars dagen en wordt er over personen gesproken die ook in de inbeslaggenomen telefoonlijst voorkomen. (…) [medeverdachte 1] is [medeverdachte 1] en [verdachte] is [verdachte] .8

27 juli 2018 14:36 uur

[medeverdachte 1] : Hier deze kant is het niet zo druk. Je merkt vakantie periode

[verdachte] : Zoiezo

[medeverdachte 1] : Maar is normaal

[verdachte] : Komt goed. Vakantie periode.

[medeverdachte 1] : Daarom

[verdachte] : zolang iedereen word geholpen is het goed

[medeverdachte 1] : Ja man. Dat is belangrijkste

[verdachte] : Na de zomer weer knallen9

5 augustus 2018 (…) 14:51 uur

[verdachte] : Je moet niet vergeten bro. Wij zijn niet zoals die marokannen. Wij zijn vos. We verkopen geen nee. Ofniet. Iedereen helpen.10

10 augustus 2018 21:18 uur

[verdachte] : [straat] [woonplaats] ALBERT HEIJN [woonplaats] OM 10 UUR

[verdachte] : 2barki moet diegene hebben

(…)

[verdachte] : Weetje wat je doet. Geef die andere

[medeverdachte 1] : helft om helft?

[verdachte] : nee. 8stuks die normale

[medeverdachte 1] : oke

[verdachte] : is toch geen vaste. Is van iemand hier11

19 september 2018 12:41 uur

[verdachte] : Bro dat zijn de dagen dat ik les en examen doe. Theorie heb ik op 8 en 9 oktober

[verdachte] : Stel je voor dat het misschien op mijn dagen zijn

[medeverdachte 1] : Ik zal zo ff checken

[verdachte] : Hou er rekening mee. Dat je effe moet invallen

[medeverdachte 1] : (stuurt een screenshot). Dit is rooster voor oktober bro alle dagen van jou rijden heb ik rekening gehouden en mijn operatie valt op 30/10

[verdachte] ; Dan zitten we alleen met 8 en 9 oktober. Heb dan theorie staan. 5 tot 9 cursus 8 oktober. En 9 tot 14:20. 9 oktober. Het is een ma en een dinsdag. Of je valt die uren in of je pakt ze helemaal.

[medeverdachte 1] : Ik pak ze helemaal. 8 en 9. Dan pak jij die 10 oktober. Kan ik ff rusten dagje

[verdachte] : Is goed bro we komen er wel uit12

4 november 2018 15:52

[verdachte] : Hoeveel was loon?

[verdachte] : 357

[medeverdachte 1] : Nee klopt niet. Bereken maar opnieuw. Moet op 367 uitkomen13

Uit het proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt het volgende:

Ik zag in de WhatsApp dat er een chatgesprek was tussen [B] en PolitieAgent. Ik zag dat telefoonnummer [telefoonnummer] door PolitieAgent in gebruik was. Uit een eerder gedane CIOT bleek telefoonnummer [telefoonnummer] op naam te staan van [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ).

In de gehele conversatie komen met regelmaat soortgelijke vragen voor als “heb je nog klanten?”. Ik zal er een aantal hier aanhalen.

13 juli 2018

A: - Heb je nog klanten?

- Heb je [verdachte] nog gesproken?

J: - Ik ben nu met hem

(…)

2 september 2018:

A: - Hoe is het daar?

J: - Druk, klant

A: - Duty calls. Nog 3 dagen en dan ben je een paar dagen vrij. Dan kan je een beetje

uitrusten. Heb je [verdachte] nog gesproken over je dagen of dat niet?

J: -Ja. Nee. Jaa, maar ik denk dat ik em gwn deze dagen geef. Die donderdag vrijdag

zaterdag.

A: - Gun die jongen ook. Dan pak jij volgend weekend.14

Getuige [getuige 3] heeft bij de politie als volgt verklaard:

V: Zoals u weet hebben wij u gevonden aan de hand van telefoongegevens van een drugs dealer. Wat kunt u er over vertellen?

A: Ik heb het dealernummer al heel lang. Zou zo maar kunnen zijn dat het nummer al

vijf jaar in omloop is. Ik weet niet meer hoe ik aan het nummer kwam. Ik heb het

nummer ook niet meer in mijn telefoon staan omdat ik van dit spul af wil blijven en

gewist heb. Ik gebruik nu ook niet meer. Ik weet nog wel dat 27 meerdere keren in het

telefoonnummer zat.15

Ik heb alweer een sms gekregen dat ze een nieuw nummer hebben.

0: Getuige toont een sms waarop staat:

"Nieuwe nummer wegens omstandigheden waren we even niet bereikbaar afzonderlijke [verdachte] en [A] ".

Uit de bijlage bij de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt dat het genoemde sms-bericht is ontvangen op 9 september 2019 en afkomstig is van het telefoonnummer [telefoonnummer] .16

Verbalisant [verbalisant 3] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen als volgt verklaard:

‘Ten behoeve van de pseudokoop werd aan mij, verbalisant [verbalisant 3] , een geldbedrag van 50 euro ter beschikking gesteld. Tevens werd mij een foto van subject [verdachte] overhandigd.17 (…) Op 15 November 2019, 15:45 uur, nam ik contact op met het telefoonnummer [telefoonnummer] . (…) Ik zag dat het voertuig met zijn lichten knipperde en dat de bestuurder oogcontact met mij zocht. Hierop stapte ik in het voertuig en nam plaats op de bijrijdersstoel. Ik zag en hoorde vervolgens:

- Dat de bestuurder zich voorstelde als [verdachte] .

- Hij vertelde dat ze heel voorzichtig moesten zijn.

- Hij mij vroeg wat ik wilde hebben.

Ik herkende deze persoon voor honderd procent als [verdachte] .

Ik zag dat [verdachte] twee wikkels uit één van de zakjes haalde en deze aan mij overhandigde.’18

Uit het proces-verbaal van 18 november 2019 blijkt dat de door [verdachte] op 15 november 2019 aangeboden partij verdovende middelen bestond uit 2 wikkels met witkleurig poeder.19 Uit de indicatieve test blijkt dat het monster positief is getest op cocaïne. 20

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in cocaïne gedeald heeft. Verder heeft hij verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] kent en dat een deel van de WhatsAppgesprekken tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en hem over dealen gaat.21

Medeverdachte [medeverdachte 1] is ter zitting als getuige gehoord. Hij heeft toen verklaard:

‘Het klopt dat ik bij mijn eigen zitting heb bekend drugs te hebben gedeald.’22

Verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:

‘Ik heb tussen eind september 2019 en 9 december 2019 gedeald in cocaïne. Ik heb cocaïne verkocht in Utrecht, Maarssen, Vleuten en Breukelen. Ik was de [verdachte] van de whatsappberichten op de telefoon van [medeverdachte 1] . Op uw vraag of het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] vanaf 9 september 2019 het nummer dat is dat ik gebruikte voor het dealen in cocaïne dan kan ik zeggen dat ik 1 telefoonnummer gebruikte voor het verkopen van cocaïne dus dan zal het dat nummer zijn.’23

Bewijsoverwegingen

De ten laste gelegde periode

13 juli 2018 tot 1 september 2019

De verdachte heeft verklaard dat hij voor 1 september 2019 slechts sporadisch heeft gedeald in drugs. Hij zou enkele keren hebben ingevallen voor medeverdachte [medeverdachte 1] . Deze verklaring wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Uit de whatsappberichten tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] en tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en het op de laptop van [medeverdachte 2] aangetroffen werkrooster en overzicht van betalingen (loon) volgt dat verdachte in de periode voor 1 september 2019 actief dealde in drugs. Uit deze bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte vaste werkdagen had, maandelijks loon ontving, bekend was met de vaste klantenkring, en aan medeverdachte [medeverdachte 1] berichten stuurde waarin hij (herhaaldelijk) spreekt over ‘wij’ en dat ‘iedereen’ geholpen moet worden en aan medeverdachte [medeverdachte 1] te kennen geeft wat hij moet geven aan welke persoon. Gelet op de inhoud en de context van de genoemde documenten en berichten, waaronder de omstandigheid dat zowel [medeverdachte 1] als verdachte hebben bekend cocaïne te hebben gedeald, concludeert de rechtbank dat deze documenten en berichten betrekking hebben op de handel in cocaïne. Voor de aanvang van de periode zoekt de rechtbank aansluiting bij de datum van het eerste bericht tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waarin over [verdachte] wordt gesproken. Die datum is 13 juli 2018.

9 september 2019 tot en met 9 december 2019

De verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de periode van eind september 2019 tot 9 december 2019 cocaïne heeft gedeald. Uit de verklaring van getuige [getuige 3] volgt echter dat hij op 9 september 2019 een nieuw tekstbericht heeft ontvangen van het aan verdachte gekoppelde dealernummer ** [telefoonnummer] . De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte ook in de periode 9 september 2019 tot en met zijn aanhouding op 9 december 2019 cocaïne heeft gedeald.

Vrijspraak periode 1 september 2019 tot 9 september 2019

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte gedurende de periode van 1 september 2019 tot 9 september 2019 cocaïne heeft gedeald. Verdachte zal voor deze periode worden vrijgesproken.

Medeplegen

Periode 13 juli 2018 tot en met 1 september 2019

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking bestond bij de handel in de cocaïne.

Vrijspraak medeplegen periode 9 september 2019 tot en met 9 december 2019

Ten aanzien van voornoemde periode is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat om tot het oordeel te kunnen komen dat verdachte in deze periode ook in nauwe en bewuste samenwerking met een ander cocaïne heeft gedeald. De enkele opmerking van verdachte bij de pseudokoop dat hij samenwerkte met zijn broertje en de mededeling ‘ik heb je broertje al gehad vandaag’ van een afnemer in een opgenomen tapgesprek, zijn daartoe onvoldoende. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het over deze periode ten laste gelegde medeplegen.

4.3.3

Feit 2 subsidiair – poging zware mishandeling politieambtenaar

Bewijsmiddelen 24

Verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’ heeft aangifte gedaan en het volgende verklaard:

‘Op 9 december 2019 was ik werkzaam als hoofdagent van de Politie eenheid Midden-Nederland. Op het moment dat wij als Ondersteuningsgroep over gingen tot aanhouding is de verdachte bewust en opzettelijk met zijn voertuig op mij ingereden. Door de handelingen van de verdachte heb ik letsel opgelopen.’25

Verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’ heeft in het proces-verbaal van bevindingen het volgende verklaard:

‘Ik zag dat het [verdachte] was. Toen ik ter hoogte van de neus van mijn voertuig stond zag ik dat de Renault Clio mijn kant op kwam rijden. Ik hoorde dat de bestuurder veel gas gaf. Ik hoorde namelijk dat de toeren snel opliepen. Ik hoorde ook de banden van het genoemde voertuig slippen. Ik zag de Renault Clio in volle acceleratie op mij af komen rijden. Ik zag dat er niet genoeg ruimte was om langs mij heen te rijden. Ik zag dat de Renault Clio recht op mij af kwam rijden. Ik ben tegen de neus van mijn politievoertuig aan gesprongen en26 heb mijzelf schrap gezet omdat ik zag dat een aanrijding niet te voorkomen was. Ik trok mijn armen in, tegen mijn borst aan. Op dat moment voelde ik de spiegel van de bestuurders kant met kracht tegen mijn onderarmen aan komen. Ook voelde ik dat de bumper van het voertuig mijn onderbenen raakte. Door de klap ben ik tegen de motorkap van het dienstvoertuig aan geslagen.’27

Verbalisant ‘ [getuige 1] ’ heeft in het proces-verbaal van bevindingen het volgende verklaard:

‘Ik zag dat mijn collega die ons voertuig bestuurde zijn auto midden op de weg voor de Renault neerzette om de bestuurder te beletten weg te rijden. Ik zag dat de Renault daardoor niet verder kon rijden. (…) Ik pakte de deurgreep en opende het portier, ik riep “Politie”. Ik zag en voelde dat de bestuurder achteruit reed en direct daarna snel vooruit reed. Door deze beweging moest ik de deurgreep loslaten. (…) Ik hoorde dat de bestuurder gas gaf en zag dat hij snel vooruit wegreed. Ik zag mijn collega die ons voertuig had bestuurd voor de Renault staan. Ik zag dat de Renault mijn collega met de rechter voorkant raakte. Ik zag dat het bovenlichaam van mijn collega over de motorkap terecht kwam. Ik zag dat mijn collega een draai maakte van de motorkap af. Ik hoorde een klap en zag dat de rechter buitenspiegel van de Renault mijn collega raakte. Ik zag dat de Renault snel van ons wegreed.’28

Verbalisant ‘ [verbalisant 5] ’ heeft in het proces-verbaal van bevindingen het volgende verklaard:

‘Ondertussen hoor ik via mijn portofoon een collega zeggen; "Attentie,

actie NU!". Hierop zag ik dat het voornoemde voertuig van de verdachte een draai naar rechts maakte en dat mijn collega -hierna aangeduid als collega (1)- door de auto werd geraakt. (…) Tegelijkertijd zag ik dat de verdachte met zijn voertuig om het onopvallende politievoertuig heen draaide en weg scheurde. Ik zag hierbij rook uit de uitlaat komen.’29

Verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:

‘Ik had oogcontact met de bestuurder van het voertuig voor mij. Ik zag de deuren van dit voertuig opengaan en twee mensen uitstappen. Ik reed eerst achteruit. Daarna reed ik om het voertuig voor mij heen.’30

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, vast dat verdachte met een personenauto op aangever is ingereden. De verdachte heeft hierbij gas gegeven. De rechtbank stelt vast dat verbalisanten ‘ [verbalisant 4] ’ en ‘ [getuige 1] ’ dit beiden verklaren en zij, op ambtsbelofte, zeer specifiek verklaren dat en hoe verdachte op verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’ is ingereden. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisanten.

Poging zware mishandeling

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling. Voor de beantwoording van deze vraag dient te worden beoordeeld of sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de zware mishandeling, in die zin dat verdachte zich willens en wetens bloot heeft gesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Aanwezigheid en wetenschap van de aanmerkelijke kans

De rechtbank stelt vast dat verdachte in een auto op een voetganger inreed. Het is een feit van algemene bekendheid dat indien een voetganger wordt aangereden met een auto, de kans op zwaar lichamelijk letsel groot is en derhalve aanmerkelijk te noemen is.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte onder de concrete omstandigheden ook wetenschap had van die aanmerkelijke kans. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte heeft gezien dat een persoon zich voor de motorkap bevond van de auto die verdachte de weg versperde. Uit de verklaringen van de verbalisanten maar ook uit de eigen verklaring van verdachte blijkt dat verdachte eerst een stuk naar achteren is gereden, om vervolgens met een boog om de auto voor hem heen te rijden. Verdachte maakte kortom bij het wegrijden een gerichte en bewuste stuurbeweging. Daarbij kan het niet anders dan dat verdachte bij het vooruit wegrijden naar voren keek en de desbetreffende persoon dus heeft zien staan op de beoogde rijroute. De rechtbank wordt hierin gesteund in haar overtuiging door de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 juli 2020 dat hij niet had gezien dat het een politieagent was. Hieruit volgt dat verdachte in ieder geval wel had gezien dat er iemand voor de auto stond.

Bewuste aanvaarding van die kans

Uit het strafdossier volgt dat de verbalisanten hoorden dat verdachte gas gaf toen hij wilde wegrijden. Verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’ hoorde dat verdachte veel gas gaf. Hij hoorde dat de toeren snel opliepen en de banden van het genoemde voertuig slippen. De verbalisant zag de auto in volle acceleratie op hem af komen rijden. Verbalisant ‘ [getuige 1] ’ heeft ook gehoord dat verdachte veel gas gaf en snel wegreed in de richting van verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’. Dit handelen van de verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat verdachte geacht moet worden de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op de koop te hebben toegenomen.

Putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces?

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte kon en mocht menen dat er, nadat hij door meerdere verbalisanten werd ingesloten, sprake was van een bedreigende situatie. Verdachte zou niet hebben doorgehad dat het politieagenten waren die hem staande hielden. Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer moet er sprake zijn van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte. De verdachte kon niet alleen, maar mocht ook redelijkerwijs menen dat hij zichzelf of een ander moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat verdachte in de situatie waarin hij verkeerde had kunnen en moeten weten dat hij staande werd gehouden door politieambtenaren.

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft kunnen en moeten zien dat hij staande werd gehouden door politieambtenaren. De insluiting vond plaats op klaarlichte dag op een openbare parkeerplaats en de politieambtenaren waren allen hetzelfde gekleed, zonder wapen en zonder gezichtsbedekking. Op meerdere manieren is vervolgens aan verdachte kenbaar gemaakt dat het politie was. Enerzijds gebeurde dit doordat verbalisant [getuige 1] het portier van de auto van verdachte opentrok en ‘politie’ riep, anderzijds doordat verbalisant [getuige 1] voorafgaand aan deze actie het flapje met daarop ‘politie’ uit zijn linker borstzak haalde. Verdachte heeft vervolgens de keuze gemaakt om te vluchten. De verdachte is vervolgens ook niet gestopt toen de politie met sirenes achter hem aankwam. Verdachte had ook een motief om te vluchten voor de politie. Uit de pseudokoop die eerder die dag tot stand was gebracht bleek namelijk dat verdachte veel ponypacks met cocaïne aanwezig had in de auto. Na zijn aanhouding bleken deze ponypacks zich niet langer in de auto te bevinden. Gelet op deze feiten en omstandigheden, acht de rechtbank de verklaring van verdachte over het bestaan van een bedreigende situatie ongeloofwaardig.

Conclusie

De rechtbank acht gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan verbalisant ‘ [verbalisant 4] ’.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1
op tijdstippen in de periode van 13 juli 2018 tot en met 1 september 2019 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet;

en

op tijdstippen in de periode van 9 september 2019 tot en met 9 december 2019 te Utrecht en Maarssen en Vleuten en Breukelen meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet;


Feit 2 - subsidiair
op 9 december 2019 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een politieambtenaar van politie eenheid Midden-Nederland, bekend onder nummer [verbalisant 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met een aanzienlijke snelheid) tegen die politieambtenaar is aangereden en blijven rijden zonder zijn snelheid te minderen of te remmen of uit te wijken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Feit 2 subsidiair : poging tot zware mishandeling

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandelverplichting, een contactverbod met de medeverdachten en meewerken aan het verkrijgen van dagbesteding.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, mede gelet op de kleinere rol van verdachte ten opzichte van de medeverdachte. Verdachte wil werken aan zijn toekomst en zijn woning behouden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 18 maanden schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelwijze bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. Algemeen bekend is dat de handel in (hard)drugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit en ondermijning van de samenleving. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door op een politieambtenaar in te rijden waardoor deze politieambtenaar letsel heeft opgelopen. Door zijn handelen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer teweeg gebracht. Daarnaast heeft het slachtoffer minstens twee maanden na het delict last gehad van zijn opgelopen letsel. De verdachte heeft het respect en gezag ten aanzien van de politieambtenaar, die een publieke taak verricht, ondermijnd. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 21 januari 2020. Hieruit blijkt dat verdachte in 2013 ook is veroordeeld voor een Opiumwetfeit.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 24 juli 2020, opgesteld door T. Schraver, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat verdachte sinds een auto-ongeluk in 2013 kampt met depressieve en lichamelijke klachten. Ook is sprake van een (deels) crimineel netwerk. Verdachte heeft moeite zijn leven op orde te brengen en hij heeft geen toekomstperspectief. Tot op heden is verdachte niet in staat geweest om op een andere, legale wijze, verandering te brengen in deze situatie. Verdachte is gebaat bij forensische hulpverlening. Bij de Waag kan er diagnostisch onderzoek worden verricht om vervolgens een behandelplan op te stellen. Tijdens het toezicht kan verdachte begeleid worden naar zinvolle dagbesteding in de vorm van werk of vrijwilligerswerk. De reclassering schat het recidiverisico in op gemiddeld. Indien verdachte geen behandeling volgt gericht op zijn gedragsproblemen, de keuze voor zijn netwerk en het hem niet lukt om zijn financiële situatie te verbeteren, blijft de kans op recidive aanwezig. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.

Strafoplegging

Gelet op de ernst en duur van de door verdachte gepleegde feiten, is de rechtbank van oordeel dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor het dealen van harddrugs gedurende 6 tot 12 maanden uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Verdachte heeft 18 maanden gedeald.

Het uitgangspunt voor het toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is, uitgaande van een voltooid delict, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. De rechtbank houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat hier een poging betreft.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met hoe verdachte heeft gehandeld nadat hij merkte dat de politie hem staande wilde houden. Verdachte is gevlucht en heeft hierbij een politieambtenaar geraakt. Ook nadat de politie met sirenes achter verdachte aanreed is verdachte niet gestopt. Door het voorgaande heeft verdachte er blijk van gegeven zijn eigen belang om uit handen van de politie te blijven te laten prevaleren boven het belang van de verkeersveiligheid en de veiligheid van personen. Dit neemt de rechtbank hem kwalijk.

Conclusie

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een gedeelte van 6 maanden van deze gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, waarbij een proeftijd van 2 jaren wordt vastgesteld. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die door de reclassering zijn geadviseerd, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandelverplichting, een contactverbod met de medeverdachten, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , en meewerken aan het verkrijgen van dagbesteding.

9 BESLAG

De rechtbank zal teruggave gelasten van de volgende inbeslaggenomen goederen, aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt:

* € 4.300,00 (contant geld);

* Iphone 11, beslagnummer: 19-5236-001;

* Renault Clio met kenteken [kenteken] ;

Ten aanzien van het inbeslaggenomen contante geldbedrag van € 1415,00 zal de rechtbank geen beslissing nemen nu de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangekondigd conservatoir beslag op dit bedrag te leggen naar aanleiding van de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat dit geld betrof dat verdiend was met de handel in cocaïne.

10 BENADEELDE PARTIJ

De verbalisant heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd onder nummer ‘ [verbalisant 4] ’en vordert een bedrag van € 650,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde en de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair, indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van feit 2 komt, acht de verdediging de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Immateriële schade

Op grond van de wet (artikel 6:106 aanhef en onder b BW) heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid te bepalen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daar is in dit geval sprake van.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding, heeft de rechtbank rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van het voorliggende geval. De benadeelde had na het geweldsincident een schaafwond op zijn rechterarm, een forse schaafwond op het rechteronderbeen en pijn in zijn rug en nek. Hij is hiervoor onderzocht in het ziekenhuis. Benadeelde ervaarde pijn bij beweging in zijn onderarm en been. Hij heeft tot drie dagen na het delict pijn aan zijn nek en rug gehad. Hij heeft hierdoor vijf dagen niet kunnen sporten en heeft paracetamol geslikt tegen de pijn. Twee maanden na het delict had de benadeelde nog last van een gevoelige zwelling aan zijn rechteronderarm.

De benadeelde denkt nog regelmatig terug aan het delict. Hij wordt zich er steeds meer van bewust dat dit heel anders had kunnen aflopen. Ook in zijn thuissituatie merkt de benadeelde dat hij stress ervaart door het delict.

Gelet op deze omstandigheden, en op bedragen die in soortgelijke gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 650,00 billijk en zal zij dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 december 2019 tot de dag van volledige betaling.

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van de benadeelde partij ‘ [verbalisant 4] ’ aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 650,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 december 2019 tot de dag van volledige betaling.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich binnen drie dagen na zijn invrijheidstelling meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft met [medeverdachte 1] , geboren op [1995] te [geboorteplaats] en [medeverdachte 2] , geboren op [1994] te [geboorteplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

* zich actief inzet voor het verkrijgen van werk dan wel vrijwilligerswerk;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij ‘ [verbalisant 4] ’

- wijst de vordering van de benadeelde partij onder nummer ‘ [verbalisant 4] ’ geheel toe tot een bedrag van € 650,00 (zeshonderdenvijftig euro);

- veroordeelt verdachte tot betaling aan ‘ [verbalisant 4] ’ van het toegewezen bedrag,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2019, tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van ‘ [verbalisant 4] ’ aan de Staat

€ 650,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2019

bij niet betaling aan te vullen met 13 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

* € 4.300,00 (contant geld);

* Iphone 11, beslagnummer: 19-5236-001;

* Renault Clio met kenteken [kenteken] .

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en H.J. ter Meulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2020.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 9 december 2019 te Utrecht en/of Maarssen en/of Vleuten en/of Breukelen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Feit 2
Hij op of omstreeks 9 december 2019 te Utrecht, althans in Nederland, aan een politieambtenaar van politie eenheid Midden-Nederland, bekend onder nummer [verbalisant 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten beenletsel en/of armletsel en/of schouderletsel en/of nekletsel, heeft toegebracht door met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) tegen althans in de richting van die politieambtenaar (aan) te rijden en/of te blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen en/of uit te wijken;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 december 2019 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een politieambtenaar van politie eenheid Midden-Nederland, bekend onder nummer [verbalisant 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) tegen althans in de richting van die politieambtenaar is (aan)gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen en/of uit te wijken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Feit 3
hij op of omstreeks 9 december 2019 te Utrecht, althans in Nederland, een politieambtenaar van politie eenheid Midden-Nederland, bekend onder nummer [verbalisant 4] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) tegen althans in de richting van die politieambtenaar (aan)gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen en/of uit te wijken;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 27 januari 2020, genummerd 2020027594, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 290. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Bijlage bij proces-verbaal van 5 februari 2020, genummerd 2019262008, opgemaakt door politie Midden-Nederland, pagina 335.

3 Bijlage bij proces-verbaal van 5 februari 2020, genummerd 2019262008, opgemaakt door politie Midden-Nederland, pagina 336.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 71.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 72.

6 Het proces-verbaal van bevindingen laptop [medeverdachte 2] , p. 48.

7 Het proces-verbaal van bevindingen laptop [medeverdachte 2] , p. 52-54.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 31.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 31-32.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 32.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 32.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 33.

13 Het proces-verbaal van bevindingen telefoon [medeverdachte 1] , bij proces-verbaal van 5 februari 2020, genummerd 2019262008, opgemaakt door politie Midden-Nederland, p. 212.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 27.

15 Getuigenverklaring getuige [getuige 3] , pagina 18.

16 Bijlage getuigenverklaring getuige [getuige 3] , pagina 24.

17 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 80.

18 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 81.

19 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 82.

20 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 83.

21 Het proces-verbaal verhoor getuige [verdachte] bij de rechter-commissaris (afzonderlijk genummerd).

22 Proces-verbaal ter terechtzitting van 28 juli 2020.

23 Verklaring verdachte ter terechtzitting 28 juli 2020.

24 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 27 januari 2020, genummerd 2020027594, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 290. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

25 Proces-verbaal van aangifte, pagina 234.

26 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 236.

27 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 237.

28 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 244.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 241.

30 Proces-verbaal van de terechtzitting van 28 juli 2020.