Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3196

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
7935720
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Letselschade. Studievertraging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0577
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 22 januari 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 7935720 / MC EXPL 19-6381 van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde mr. E.J. Overwater,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. R. Gardeslen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft [eiser] op 26 januari 2014 met een mes gestoken en [eiser] liep hierbij letsel op aan zijn lever. [eiser] werd met spoed geopereerd. Op 31 januari 2014 werd [eiser] ontslagen uit het ziekenhuis.

2.2.

Op 13 oktober 2014 heeft de rechtbank [gedaagde] veroordeeld tot een gevangenisstraf en TBS en de civiele vordering van [eiser] ten bedrage van € 13.039,67 toegewezen. Nadat [gedaagde] hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank heeft het gerechtshof bij arrest van 25 maart 2015 een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van vijf jaar met verplichte behandeling in een forensische kliniek. Het gerechtshof heeft de vordering benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 12.334,24.

2.3.

Ten tijde van de mishandeling zat [eiser] in het laatste jaar van de [opleiding] in [vestigingsplaats] . In september 2014 is [eiser] gestart met de HBO opleiding docent lichamelijke opvoeding.

2.4.

Op 22 december 2014 werd [eiser] met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Na onderzoek bleek dat hij verklevingen in de buikholte had, ter hoogte van de incisie. Een gedeelte van zijn darm was afgestorven en moest worden verwijderd.

2.5.

[eiser] heeft de vereiste studiepunten voor de HBO opleiding docent lichamelijke opvoeding voor het jaar 2014/2015 niet gehaald. [eiser] moest het eerste jaar van zijn studie overdoen. [eiser] heeft studievertraging opgelopen. [eiser] is eind juni 2019 afgestudeerd. [eiser] heeft één jaar langer over zijn studie gedaan.

2.6.

Bij brief van 10 februari 2017 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de studievertraging en voor de ziekenhuisopname.

2.7.

De studentendecaan van de [hogeschool] heeft op 21 januari 2015, 29 augustus 2017 en 4 september 2017 onder meer verklaard:

“Inmiddels is duidelijk geworden dat [eiser] nog altijd mentaal de gewelddadige aanval niet helemaal heeft verwerkt; het kost hem moeite om zich te concentreren en dat heeft uiteraard ook zijn weerslag op zijn studieprestaties en dan vooral de theoretische onderdelen van de opleiding.

Recent zijn daar ook lichamelijke complicaties bij gekomen waarvoor hij in december 2014 is geopereerd en 7 dagen in het ziekenhuis heeft doorgebracht. De prognose is op dit moment dat [eiser] 6 weken niet mag sporten en 3 maanden niet aan de contactsporten van de opleiding kan deelnemen.

Gezien het bovenstaande is het nu bij voorbaat al duidelijk dat [eiser] er niet in zal slagen om, buiten zijn schuld om, de vereiste 50 studiepunten te behalen en hoogstwaarschijnlijk het eerste studiejaar dient over te doen. Het overdoen van het studiejaar brengt ook financiële consequenties met zich mee, in de vorm een extra jaar collegegeld (€ 1.951 voor het studiejaar 2015-16) en de genoten bedragen van de studiefinanciering en het ov­

studentenreisproduct.”

"Hij is met een mes in zijn buik gestoken en aan de opgelopen verwondingen is hij meerdere malen geopereerd, ook tijdens het studiejaar 2014-2015. Consequentie daarvan was dat [eiser] niet aan alle vakken en dan vooral sportonderdelen kon deelnemen. Als gevolg hiervan heeft [eiser] in zijn eerste jaar op de opleiding studievertraging opgelopen, wat ertoe geleid heeft dat hij en groot deel van het eerste jaar heeft overgedaan."

" [eiser] heeft toen slechts 24 van de 60 studiepunten behaald. Als gevolg daarvan heeft hij het eerste studiejaar gedoubleerd. Hij voldeed namelijk niet aan de minimumnorm van 50 studiepunten om door te mogen gaan met de studie. Aan het einde van dat studiejaar heb ik de examencommissie van de opleiding geadviseerd om [eiser] zijn studie te laten voortzetten als gevolg van bijzondere omstandigheden (een 2e buikoperatie en als gevolg daarvan gedurende langere tijd niet aan het onderwijs kunnen deelnemen en psychische problematiek als gevolg van het geweldsincident)."

2.8.

Vanaf 29 januari 2015 was [eiser] onder behandeling bij Indigo Midden Nederland voor PTTS. De behandeling is succesvol afgerond op 12 mei 2015.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 23.658,47 (hoofdsom € 20.875,00 en buitengerechtelijke kosten € 2.783,47), vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiser] stelt daartoe dat hij op 26 januari 2014 door [gedaagde] met een mes is gestoken. [eiser] liep hierbij ernstig letsel op aan zijn lever. In december 2014 moest hij met spoed worden geopereerd vanwege verklevingen in de buikholte. Met het (onherroepelijk) strafvonnis is de onrechtmatigheid van het handelen van [gedaagde] gegeven. Er is causaal verband tussen het toegebrachte letsel in januari 2014 en de tweede operatie in december 2014. [eiser] vordert schadevergoeding omdat hij studievertraging heeft opgelopen. Voor de schade sluit hij aan bij de Letselschaderichtlijn Studievertraging. De vergoeding ziet op de vertraging in de opleiding die op het moment van het ongeval wordt gevolgd. Dit was een HBO opleiding. De vergoeding wordt vastgesteld op basis van het normbedrag dat daarvoor geldt in het jaar dat de schadepost studievertraging wordt geregeld. [eiser] vordert een bedrag van € 20.875,00. Daarnaast vordert [eiser] de gemaakte buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van

€ 2.783,47.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist het causale verband tussen het handelen van [gedaagde] , waarvoor hij onherroepelijk door de strafrechter is veroordeeld en de gestelde studievertraging. [gedaagde] betwist dat de ziekenhuisopname en de operatie in december 2014 en de als gevolg daarvan ondervonden studievertraging in causaal verband staat met het door hem op 26 januari 2014 aan [eiser] toegebrachte letsel. De studievertraging is niet zonder nadere onderbouwing alleen te wijten aan het toegebrachte letsel en is mogelijk veroorzaakt door andere belemmerende factoren. Voor zover al enig causaal verband kan worden aangenomen staat niet vast voor welk aandeel [gedaagde] verantwoordelijk is te houden. [gedaagde] betwist de gemaakte buitengerechtelijke kosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft niet betwist dat hij op 26 januari 2014 onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de door hem als gevolg van de mishandeling geleden schade. [gedaagde] is ook strafrechtelijk voor poging doodslag veroordeeld. [gedaagde] heeft echter het causaal verband en de toerekenbaarheid ten aanzien van de studievertraging betwist. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.

4.2.

Nadat [eiser] op 26 januari 2014 met een mes in zijn buik was gestoken en met spoed is geopereerd in het ziekenhuis heeft [eiser] zijn MBO-opleiding tot sport- en bewegingscoördinator met goed gevolg afgerond. Vervolgens is [eiser] in september 2014 begonnen met de HBO-opleiding tot docent lichamelijke opvoeding. [eiser] heeft één studiejaar vertraging opgelopen. Volgens [eiser] houdt de vertraging verband met het incident van 26 januari 2014 als gevolg waarvan [eiser] psychische klachten heeft ondervonden in combinatie met het feit dat hij in december 2014 met spoed is opgenomen in het ziekenhuis en geopereerd aan verkleving van littekenweefsel in de darmen ter hoogte van de incisie van de operatie van januari 2014.

4.3.

De rechtbank en het gerechtshof hebben beiden in de strafzaak overwogen dat [eiser] heeft moeten vechten voor zijn leven en dat het niet overlijden niet aan het handelen van [gedaagde] is te danken, terwijl bekend is dat slachtoffers een dergelijke gebeurtenis als zeer traumatisch ervaren en hiervan nadelige en psychische en lichamelijke gevolgen van ondervinden. [eiser] heeft gesteld dat hij als gevolg van de mishandeling een posttraumatische stresstoornis heeft opgelopen. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een brief van Indigo Midden Nederland van 12 mei 2015 aan zijn huisarts overgelegd. Daaruit blijkt dat [eiser] in de periode van 29 januari 2015 tot 12 mei 2015 onder behandeling is geweest bij de GZ-psycholoog/cognitief gedragstherapeut VGCt mevrouw [A] . De behandeling is succesvol gebleken en de diagnose bij ontslag is Posttraumatische stressstoornis HB in remissie. De kantonrechter is van oordeel dat op basis van deze brief voldoende is komen vast te staan dat [eiser] als gevolg van de mishandeling een posttraumatisch stresssyndroom heeft opgelopen. Daar doet niet aan af dat de posttraumatische stressstoornis eerst een jaar na het steekincident is behandeld. Aannemelijk is dat als gevolg van het steekincident zich bij [eiser] psychische klachten hebben ontwikkeld (zie daartoe ook de overwegingen van de strafrechter), welke klachten zich (kennelijk) nog eens hebben versterkt door de tweede opname en operatie van [eiser] in december 2014.

4.4.

De kantonrechter acht het, gezien het posttraumatisch stresssyndroom, aannemelijk dat de mishandeling een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het feit dat [eiser] onvoldoende studieresultaten heeft behaald in het eerste jaar van zijn HBO-opleiding en aldus het jaar heeft moeten overdoen. [eiser] heeft daartoe nog overgelegd de bevindingen van de decaan van de [hogeschool] evenals zijn studieresultaten. In haar brief van januari 2015 refereert de decaan enerzijds aan de concentratieproblemen bij [eiser] waardoor hij moeite heeft het theoretische gedeelte met goed gevolg af te ronden en anderzijds aan de tweede opname en operatie in december 2014 als gevolg waarvan hij 6 weken niet mag sporten en 3 maanden niet aan de contactsporten van de opleiding kan deelnemen. De decaan concludeert dan ook dat [eiser] niet in staat zal zijn voldoende studiepunten te behalen. Deze bevindingen geven geen aanleiding te veronderstellen dat [eiser] dat jaar sowieso niet zou hebben gehaald. Achteraf valt nooit meer met zekerheid vast te stellen of [eiser] zonder de mishandeling en de tweede operatie zou zijn overgegaan naar het tweede jaar. De kantonrechter is van oordeel dat deze (geringe) onzekerheid voor risico van [gedaagde] dient te blijven. De kantonrechter neemt bij de beoordeling voorts in aanmerking dat de gemachtigde van [gedaagde] bij brief van 21 juni 2017 zelf heeft bevestigd dat volgens zijn medisch adviseur de tweede operatie zeer wel verdedigbaar is in relatie tot het steekincident van 26 januari 2014 en hij de schade terzake de ziekenhuisopname ook heeft erkend. Gelet op bovenomschreven omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] als gevolg van de mishandeling een jaar studievertraging heeft opgelopen.

4.5.

[gedaagde] heeft niet betwist dat de schade als gevolg van de studievertraging in het jaar 2014/2015 aan de hand van de richtlijn van de Letselschaderaad gesteld dient te worden op een bedrag ad € 20.875,00. De kantonrechter zal deze schade derhalve op dit bedrag begroten. De wettelijke rente over dit bedrag zal als onweersproken worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding.

4.6.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat geen andere handelingen zijn verricht dan strekkende ter voorbereiding van een gerechtelijke procedure. De kosten buiten rechte – “kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid” en “kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte” – komen in beginsel volledig voor vergoeding in aanmerking als deze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets (art. 6:96 lid 2 BW). Deze toets houdt in dat het (i) redelijkerwijs verantwoord moet zijn geweest om de betreffende kosten te maken en (ii) de kosten daarnaast naar aard en omvang redelijk zijn. Dit is anders voor – kort gezegd – de kosten in rechte (art. 6:96 lid 3 BW Rv). Op deze kosten zijn de regels betreffende proceskosten van toepassing (art. 241 Rv). Dit betekent dat de vergoeding van advocaatkosten in rechte in beginsel wordt berekend conform liquidatietarief. De kantonrechter is van oordeel dat een deel van de gemaakte kosten valt te kwalificeren als kosten buiten rechte als bovenomschreven en dus voor vergoeding in aanmerking komt. De in rekening gebrachte werkzaamheden van een advocaat verschieten op enig moment van kleur en vallen dan onder het regime van artikel 241 Rv. De kantonrechter kwalificeert (naar redelijkheid en billijkheid) de werkzaamheden tot en met 23 oktober 2018 als werkzaamheden die vallen onder het regime van artikel 6:96 lid 2 BW en de overige werkzaamheden als werkzaamheden die vallen onder het regime van artikel 241 Rv. Dit betekent dat een bedrag van € 1.674,64 ( incl. btw) zal worden toegewezen.

4.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 20.875,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2019 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.674,64;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.144,07, waarin begrepen € 940,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.