Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3193

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
UTR 19/4586
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2020:2434
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak ontheffing Wet natuurbescherming voor Windpark Goyerbrug. Verweerder heeft de gebreken niet hersteld. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt deels vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4586

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 augustus 2020 in de zaak tussen

Windpark Goyerburg B.V., te Houten, eiseres

(gemachtigde: mr. K. Dankers),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. W. van Dijk).

Procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank allereerst naar haar tussenuitspraak van
30 juni 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2434.

Met deze tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.

Verweerder heeft met een brief van 13 juli 2020 de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijnen te verlengen.

De rechtbank heeft met een tweede tussenuitspraak van 15 juli 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2778, (hierna: de verlengingsuitspraak) verweerder in de gelegenheid gesteld binnen één week na verzending van de verlengingsuitspraak te laten weten of het gebrek hersteld wordt. Daarnaast is verweerder in de gelegenheid gesteld de gebreken in het bestreden besluit te herstellen binnen vier weken na verzending van de verlengingsuitspraak.

Verweerder heeft met een brief van 21 juli 2020 laten weten de gebreken niet in de gestelde termijn te gaan herstellen.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 6 augustus 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 30 juni 2020 (hierna: de tussenuitspraak). De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder er met betrekking tot de voorschriften over de stilstandvoorziening ten onrechte vanuit is gegaan dat er een strenger criterium dan het ORNIS-criterium moet worden gehanteerd omdat de staat van instandhouding van de rosse vleermuis niet gunstig is. Met de voorschriften zoals eiseres die heeft aangevraagd, wordt voldaan aan het ORNIS-criterium. Als verweerder het juiste criterium toe past, kan dit twee dingen tot gevolg hebben: de voorschriften worden aangepast of verweerder houdt vast aan de verdergaande voorschriften. Tot dat laatste is verweerder namelijk ook bevoegd, maar alleen als dat de uitkomst is van een belangenafweging. Daarbij moet ook het productieverlies dat het gevolg is van verdergaande voorschriften worden meegenomen. Verweerder heeft deze belangenafweging niet verricht, waardoor het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat verweerder het voorschrift over monitoring te verstrekkend en onvoldoende rechtszeker heeft geformuleerd. Verweerder heeft bij het opleggen van de voorschriften beleidsruimte, maar de rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder bij het formuleren van deze voorschriften onvoldoende aandacht voor de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid heeft gehad.

3. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover de bezwaren die gericht zijn tegen de monitoringsvoorschriften en de voorschriften ten aanzien van de stilstandvoorziening ongegrond zijn verklaard, dan wel die voorschriften zijn aangevuld of aangepast.

4. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. De reden daarvoor is nu juist dat verweerder geen poging heeft ondernomen de gebreken te herstellen en het juist aan verweerder is om de belangenafweging te verrichten. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover de bezwaren die gericht zijn tegen de monitoringsvoorschriften en de voorschriften ten aanzien van de stilstandvoorziening ongegrond zijn verklaard, dan wel die voorschriften zijn aangevuld of aangepast;

- draagt verweerder op binnen acht weken nadat deze uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2020 door mr. E.M. van der Linde, voorzitter, en
mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van
mr. M. van Dalen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra dat weer mogelijk is, wordt deze uitspraak (voor zover nodig) alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraken kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.