Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3182

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
UTR 19/2221
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Laattijdige Wajongaanvraag. 3:29 Wajong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2221


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2020 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.B.M. Swart),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Inleiding

1. Eiser heeft op 4 mei 2018 een laattijdige aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen jonggehandicapten (Wajong). In een besluit van 12 juni 2018 heeft het UWV besloten dat eiser geen recht heeft op een Wajonguitkering, omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet. In een beslissing op bezwaar van 26 april 2019 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.

2. De geplande zitting van 23 april 2020 is vanwege maatregelen rondom het Coronavirus niet doorgegaan. Eiser heeft repliek ingediend, en het UWV dupliek. De rechtbank heeft partijen vervolgens gewezen op hun recht om alsnog op een zitting te worden gehoord. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. De rechtbank heeft bepaald dat de zitting achterwege blijft en heeft op 9 juli 2020 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV de laattijdige Wajongaanvraag van eiser terecht afgewezen. De rechtbank licht dat oordeel hierna toe.

Het medisch oordeel

4. Eiser voert aan dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het UWV is aangenomen. Hij wijst op een rapport van A-REA van 14 november 2016 in het kader van de Wet werk en bijstand. A-REA heeft daarin ook een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin zwaardere beperkingen zijn aangenomen. Eiser vindt dat de beperkingen die A-REA heeft vastgesteld door het UWV overgenomen moeten worden. Eiser heeft een besluit van de gemeente Almere van 30 april 2018 ingediend, waarin een verhuiskostenvergoeding voor een aangepaste woning aan eiser wordt toegekend. Daaruit blijkt volgens eiser dat sprake is van verdergaande beperkingen dan door het UWV is aangenomen. Eiser wijst erop dat bij de arbeidskundige beoordeling een jaar terug (16 mei 2017) wordt gekeken, en dat moet dan voor de medische beoordeling ook zo zijn.

5. Het UWV stelt zich op het standpunt dat het rapport van A-REA door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling is betrokken. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen FML wijkt gedeeltelijk af van de FML van A-REA. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet geen aanleiding de FML van A-REA te volgen, omdat hij niet kan beoordelen hoe A-REA tot haar conclusie is gekomen. Het UWV wijst op een tegenstrijdigheid in het rapport van A-REA: er zou bij het beoordelen van de arbeidsmogelijkheden geen rekening hoeven te worden gehouden met psychische klachten, maar er zijn wel beperkingen ten aanzien van sociaal functioneren opgenomen. Het besluit van de gemeente heeft geen medische onderbouwing, en eiser heeft geen gebruik gemaakt van de verhuisvergoeding. Op grond van artikel 2:3 en 2:15 van de Wajong is beoordeeld of eiser een jaar voor de aanvraag arbeidsongeschikt was. De medische beoordeling en de FML gaan ook uit van die datum in geding.

6. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een eigen beoordeling uitgevoerd, die betrekking heeft op 16 mei 2017. Hij heeft de FML van A-REA bij die beoordeling betrokken, maar heeft besloten de daarin opgenomen beperkingen niet over te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep mag in principe uitgaan van zijn eigen beoordeling. Eiser heeft niet met medische informatie onderbouwd welke specifieke beperkingen onjuist zouden zijn. De rechtbank ziet geen reden voor twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Artikel 3:29 Wet Wajong

7. Eiser voert aan dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29 van de Wet Wajong. Hij heeft een vergroeide ruggenwervel en dat is een aangeboren aandoening. De beperkingen die hieruit voortvloeien werden pas op latere leeftijd bekend, maar de aandoening maakte hem wel arbeidsongeschikt. Dat hij in het verleden gewerkt heeft, komt omdat de diagnose toen nog niet bekend was.

8. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport beoordeeld dat het feit dat sprake is van een aangeboren afwijking niet maakt dat ook sprake is van een bijzonder geval. De afwijking van de wervelkolom bestond al op het 18e jaar van eiser, maar veroorzaakte toen bij lange na niet de klachten die hij de laatste tijd ondervindt.

9. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29 van de Wet Wajong. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de uitkering niet eerder dan een jaar voor de aanvraag ingaat, behalve in bijzondere gevallen. Als een aanvraag wordt gedaan, maar iemand eigenlijk al langer dan een jaar aan de vereisten voor een Wajonguitkering voldoet, kan het UWV besluiten dat de uitkering eerder ingaat. Dat artikel gaat dus over de datum waarop de uitkering ingaat, als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van arbeidsongeschiktheid. In dit geval heeft het UWV beoordeeld dat eiser zowel op zijn 18e jaar als een jaar voor de aanvraag niet aan de vereisten voor een Wajonguitkering voldeed, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt was. De regeling van artikel 3:29 van de Wet Wajong is dus niet van toepassing.

De arbeidskundige beoordeling

10. Eiser voert aan dat hij niet in staat is om minimaal 75% van het minimumloon te verdienen. Hij vindt onvoldoende inzichtelijk waarom het UWV rekent met een maatmanuurloon van € 10,32. Het minimumloon was per 1 juli 2018 € 9,69 bij een 38-urige werkweek en € 9,20 bij een 40-urige werkweek. Als met dat maatmanuurloon wordt gerekend komt eiser wel in aanmerking voor een uitkering. Eiser vraagt zich ook af waarom het UWV rekent met een 38-urige werkweek, terwijl wordt aangenomen dat eiser 40 uur per week kan werken.

11. Het UWV stelt zich op het standpunt dat het wettelijk minimumloon dat gold op het 23e jaar van eiser als uitgangspunt geldt. Dat minimumloon is geïndexeerd tot een jaar voor de aanvraag. Het maatmanuurloon wordt niet geactualiseerd. Op grond van artikel 1 sub l van het Schattingsbesluit wordt voor de berekening van het wettelijk minimumuurloon uitgegaan van een 38-urige werkweek.

12. Bij een laattijdige aanvraag voor een Wajonguitkering ligt de peildatum voor het maatmanloon in het verleden. Op het 18e jaar geldt nog een minimumjeugdloon. De maatman wordt daarom tot aan het 23e jaar geactualiseerd naar het op dat moment geldende minimumloon. Daarna wordt het maatmanloon niet meer geactualiseerd, maar geïndexeerd. Op grond van artikel 1 sub l van het Schattingsbesluit wordt gerekend met een 38-urige werkweek. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen van het UWV een correct maatmanuurloon gehanteerd.

13. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft functies geduid en berekend dat het verdienvermogen van eiser 75,1% is. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.

14. Eiser is minder dan 25% arbeidsongeschikt. Het UWV heeft de Wajongaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 6 augustus 2020 gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is niet in de gelegenheid

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.