Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3180

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
UTR 19/5573
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om tegemoetkoming in planschade. Het college volgt niet het eerste planschadeadvies, maar de second opinion. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom wordt afgeweken van het eerste advies. De afwijzing van het verzoek is met het tegenadvies afdoende onderbouwd. Er is daarom terecht geen tegemoetkoming in planschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5573


uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2020 in de zaak tussen


[eiser] uit [woonplaats ] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, verweerder (het college).

Inleiding

1. Eiser is eigenaar van een schapenhouderij aan de [adres] in [woonplaats ] . In juni 2008 is het nieuwe bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ in werking getreden. In dat nieuwe bestemmingsplan wordt de bestemming van het perceel van eiser gewijzigd. Eiser heeft op 23 juni 2014 bij het college een verzoek om een tegemoetkoming in planschade ingediend.

2. Het college heeft [adviesbureau 1] ( [adviesbureau 1] ) om advies gevraagd. [adviesbureau 1] heeft in een advies van 21 december 2015 geconcludeerd dat het nieuwe bestemmingsplan een waardevermindering van het perceel van eiser van € 36.000 tot gevolg heeft. Omdat het college twijfelde aan het advies van [adviesbureau 1] , heeft het [adviesbureau 2] B.V. ( [adviesbureau 2] ) gevraagd om een second opinion. [adviesbureau 2] komt in zijn rapport van 7 november 2016 tot de conclusie dat het nieuwe bestemmingsplan juist een waardestijging tot gevolg heeft. Het college heeft ten slotte [adviesbureau 3] om een tegenadvies gevraagd. [adviesbureau 3] concludeert in een rapport van 26 juli 2018 dat er geen sprake is van een waardevermindering.

3. In een besluit van 23 oktober 2018 heeft het college het verzoek van eiser afgewezen. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen dat besluit. De commissie Bezwaarschriften heeft het college geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en uit te gaan van het advies van [adviesbureau 1] . Het college heeft daarop aanvullend advies gevraagd aan [adviesbureau 3] . Dat advies is op 23 september 2019 uitgebracht. In een beslissing op bezwaar van 20 november 2019 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.

4. Vanwege maatregelen in het kader van de Coronacrisis is de aangekondigde zitting van 28 mei 2020 niet doorgegaan. De rechtbank heeft partijen gewezen op hun recht om op een zitting te worden gehoord. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dat recht. De rechtbank heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 10 juli 2020 gesloten.

Het geschil

5. Eiser is het er niet mee eens dat zijn verzoek om tegemoetkoming in planschade is afgewezen. Hij vindt dat het college het advies van de commissie Bezwaarschriften niet naast zich neer mag leggen. Bovendien vindt hij dat het college zich niet kan baseren op het rapport van [adviesbureau 3] , omdat dat rapport is bedoeld om het rapport van [adviesbureau 1] te ontkrachten. Volgens eiser is aan [adviesbureau 3] niet dezelfde documentatie verstrekt als aan [adviesbureau 1] en is de procedureverordening ook niet gevolgd. Het rapport van [adviesbureau 2] kan volgens eiser ook niet gebruikt worden, omdat dat rapport dateert van 2016 en er toen andere marktconforme prijzen waren.

6. Het college stelt zich op het standpunt dat in de beslissing op bezwaar is gemotiveerd waarom het advies van de commissie Bezwaarschriften niet (volledig) wordt gevolgd. De commissie Bezwaarschriften heeft de onjuistheden in het rapport van [adviesbureau 1] niet onderkend. De gronden om van dat rapport af te wijken zijn door eiser in beroep niet weersproken. Volgens het college mocht het advies van [adviesbureau 3] worden gevolgd. Eiser heeft daar geen inhoudelijke gronden tegen aangevoerd. Er is niet gebleken van benadeling door het niet volgen van de procedureverordening. Het college wijst erop dat de taxatie van [adviesbureau 2] voor de peildatum van 2007 is uitgegaan.

De beoordeling door de rechtbank

7. Het college wijkt in de beslissing op bezwaar af van het advies van [adviesbureau 1] . Als een bestuursorgaan afwijkt van een advies van een door dat bestuursorgaan ingeschakelde onafhankelijke deskundige, dan moet de reden voor de afwijking in de motivering van het besluit vermeld worden (overeenkomstig artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht). Door het advies van [adviesbureau 1] niet te volgen, wijkt het college ook af van het advies van de commissie Bezwaarschriften. Als het college daarvan afwijkt, moet de reden daarvoor ook in de motivering van de beslissing op bezwaar vermeld worden (artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht). De kern van deze zaak is dus de motivering van de keuze van het college om niet het advies van [adviesbureau 1] te volgen, maar het advies van [adviesbureau 3] .

8. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom wordt afgeweken van het advies van [adviesbureau 1] . Naar het oordeel van de rechtbank is de afwijzing van het verzoek van eiser met het tegenadvies van [adviesbureau 3] afdoende onderbouwd. Er is daarom terecht geen tegemoetkoming voor planschade aan eiser toegekend. De rechtbank licht dit oordeel in het vervolg van deze uitspraak toe.

Het advies van [adviesbureau 1]

9. Het college heeft in de beslissing op bezwaar vier redenen genoemd waarom het advies van [adviesbureau 1] niet wordt gevolgd:

- in het rapport wordt niet het juiste planologische kader gehanteerd;

- het bouwvlak waarmee gerekend is, is gedeeltelijk eigendom van iemand anders;

- de waardevermeerdering van de woning is onrealistisch laag;

- er is geen rekening gehouden met een gedeeltelijke vergoeding in natura.

10. Bij de toetsing of eiser financieel nadeel heeft ondervonden van het nieuwe bestemmingsplan, wordt het nieuwe bestemmingsplan vergeleken met het vorige bestemmingsplan. [adviesbureau 1] heeft het nieuwe bestemmingsplan in het rapport van 21 december 2015 vergeleken met het bestemmingsplan Buitengebied uit 1986. Het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht heeft destijds goedkeuring onthouden aan de bebouwingsvoorschriften voor agrarische bedrijfswoningen in dat bestemmingsplan. Volgens [adviesbureau 1] moet daarom voor de bebouwingsmogelijkheden van agrarische bedrijfswoningen worden teruggegrepen op de bouwregels uit het Uitbreidingsplan in hoofdzaak uit 1954.

11. Volgens het college klopt dat standpunt van [adviesbureau 1] niet. Het college van Gedeputeerde Staten heeft zijn goedkeuring onthouden aan de bouwvoorschriften voor bedrijfswoningen, maar niet aan de plankaart. De bestemming uit het bestemmingsplan Buitengebied is dus gaan gelden, en in de doeleindenomschrijving werden agrarische bedrijfswoningen genoemd. Alleen de bouwregels zijn niet gaan gelden. Daarvoor mag niet worden teruggegrepen naar een eerder bestemmingsplan.

12. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State, de hoogste rechter in planschadezaken, blijkt dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen twee situaties. Als goedkeuring is onthouden aan de bestemming, dan blijven de bestemming en planregels van het eerdere bestemmingsplan gelden. Als geen goedkeuring is onthouden aan de bestemming, maar alleen aan voorschriften, dan vervallen de oude bestemming en de oude voorschriften zodra het nieuwe plan in werking treedt. Er kan dan dus niet worden teruggegrepen op de voorschriften van het vorige bestemmingsplan.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht geconcludeerd dat [adviesbureau 1] bij de vergelijking niet het juiste kader heeft gehanteerd. De bestemming uit het bestemmingsplan Buitengebied uit 1986 is gaan gelden, en daarom mocht niet worden teruggegrepen op de voorschriften uit het Uitbreidingsplan in hoofdzaak uit 1954.

14. De vergelijking tussen het nieuwe bestemmingsplan en het vorige bestemmingsplan is de grondslag voor de beoordeling van planschade. Door aan de verkeerde planregels te toetsen heeft [adviesbureau 1] onjuiste uitgangspunten gehanteerd. En als de uitgangspunten niet kloppen, dan werkt dat door in de rest van de beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college alleen daarom al besluiten het advies van [adviesbureau 1] niet te volgen. De rechtbank zal gelet hierop de overige redenen van het college om [adviesbureau 1] niet te volgen, onbesproken laten.

Het advies van [adviesbureau 3]

15. Het college is in de beslissing op bezwaar uitgegaan van het tegenadvies van [adviesbureau 3] . Dat advies bestaat uit twee rapporten: het oorspronkelijke tegenadvies van 26 juli 2018 en het aanvullende advies van 23 september 2019.

16. Volgens eiser is het tegenadvies van [adviesbureau 3] alleen bedoeld om het rapport van [adviesbureau 1] te ontkrachten en kan het daarom door het college niet als onderbouwing van de afwijzing van het planschadeverzoek gebruikt worden. Het rapport zou ook niet gebaseerd zijn op dezelfde documentatie als verschaft is aan [adviesbureau 1] . Eiser wijst er verder op dat de procedureverordening niet gevolgd is bij het vragen van een tegenadvies aan [adviesbureau 3] .

17. Het college stelt zich op het standpunt dat het advies van [adviesbureau 3] objectief tot stand is gekomen. Uit de rapporten blijkt dat het advies van [adviesbureau 3] op dezelfde gegevens is gebaseerd als het rapport van [adviesbureau 1] . Het college erkent dat de procedureverordening niet volledig gevolgd is, maar volgens het college heeft dat niet geleid tot benadeling van eiser. Het college verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 17 april 20191. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om te reageren op het rapport, zowel na het opstellen van het rapport als in bezwaar en beroep. Dat eiser [adviesbureau 3] had willen wraken of dat het advies inhoudelijk onjuist of onvolledig zou zijn is niet gebleken. Eiser heeft geen gronden aangevoerd over de inhoud van het rapport of de deskundigheid van [adviesbureau 3] .

18. Naar het oordeel van de rechtbank is het advies van [adviesbureau 3] niet enkel een reactie op het advies van [adviesbureau 1] , maar bevat het een volledige eigen beoordeling. De commissie Bezwaarschriften heeft geconstateerd dat in het oorspronkelijke rapport geen objectieve onderbouwing van de waardevermeerdering van de woning was opgenomen, maar dat gebrek is met het aanvullende rapport hersteld. Uit het rapport van [adviesbureau 3] blijkt dat zij beschikten over het advies van [adviesbureau 1] en de onderliggende gegevens, en dat ook nog eigen onderzoek is uitgevoerd. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de inhoud van het advies en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan het advies te twijfelen. Verder is de rechtbank niet gebleken dat eiser is benadeeld door het niet volgen van de procedureverordening. Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht kon het college dat gebrek daarom in de beslissing op bezwaar passeren.

19. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college in de beslissing op bezwaar afgaan op het advies van [adviesbureau 3] . De conclusie van dat advies is dat er geen sprake is van planschade. Het college heeft het verzoek van eiser daarom terecht afgewezen.

20. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 5 augustus 2020 gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. A. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is niet in de gelegenheid

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2019:1229