Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3163

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
16-231674-19; 16-652857-17 (tul) en 16-706668-16 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling minderjarige ter zake openlijk geweld en afpersing.

Taakstraf van 100 uren, te vervangen door 50 uur jeugddetentie en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De rechtbank houdt daarbij rekening met de overschrijding van de termijn waar binnen de zaak van een minderjarige in beginsel dient te worden afgedaan met 9 maanden. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte inmiddels een behandeling bij De Waag heeft gevolgd en het nu beter gaat met verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16-231674-19; 16-652857-17 (tul) en 16-706668-16 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren op 21 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en mr. B. van Elst, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 7 mei 2018 in Amersfoort, samen met anderen, op de openbare weg geweld heeft

gebruikt tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
feit 2 op 7 mei 2018 in Amersfoort, samen met anderen, door middel van bedreiging met

geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen € 100,00 af te geven.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Verdachte heeft de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 juli 2020;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina’s 37 tot en met 39;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina’s 52 tot en met 57;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] houdende de verklaring van getuige [getuige 1] , pagina’s 61 en 62;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina’s 65 tot en met 67.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1

op 7 mei 2018 openlijk, te weten aan het Malesluispad te Amersfoort, op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door één of meermalen (met kracht) tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te slaan en te stompen en met blote voet te schoppen en te trappen;

2

op 7 mei 2018 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van 100 euro, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] , welke bedreiging met geweld bestond uit het:

- samen met zijn mededaders benaderen en roepen naar die [slachtoffer 2] dat hij weet waar die [slachtoffer 2] woont als hij niet zou betalen en

- door samen met zijn mededader te zeggen dat als hij dit bij een verkeerde had gedaan hij een kogel door zijn kop zou hebben en

- door met een kettingslot voor die [slachtoffer 2] te staan en

- vervolgens die [slachtoffer 2] te gebieden om achterop zijn (verdachtes) scooter naar de Rabobank te rijden en

- vervolgens die [slachtoffer 2] te gebieden om hem 100 euro te geven.

Als gevolg van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in de vijfde regel van het onder 2 tenlastegelegde “ [naam] ” in plaats van “ [slachtoffer 2] ”. De rechtbank herstelt deze vergissing. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 2 afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van 4 weken, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat bij het bepalen van de strafmaat rekening dient te worden gehouden met de persoon van verdachte, dat verdachte minderjarig was ten tijde van de feiten, het tijdsverloop in deze zaak, de kleinere rol die verdachte had ten opzichte van de rol van zijn medeverdachten en de veroordelingen van verdachte na het plegen van deze feiten.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met een vorm van eigen schuld van de aangevers, nu zij de scooter van verdachte probeerden te stelen. De raadsman heeft verzocht verdachte een taakstraf op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten, aan de openbare weg en voor het oog van diverse omstanders, de twee minderjarige aangevers mishandeld, waarbij met name aangever [slachtoffer 1] flink is toegetakeld: hij is door verdachte en de medeverdachten meermaals geslagen, gestompt en getrapt en heeft daarbij diverse letsels opgelopen. Vervolgens is aangever [slachtoffer 2] gedwongen om met verdachte en een aantal medeverdachten mee te rijden naar een pinautomaat en € 100,00 te pinnen. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dergelijke feiten zorgen in de eerste plaats voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers, maar ook voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders die hiervan getuige zijn en in de maatschappij in het algemeen. Slachtoffers van dergelijke feiten kunnen hiervan nog lange tijd de gevolgen van ondervinden in hun dagelijkse leven. Dat is ook het geval in deze zaak, zo blijkt uit de toelichting op de vordering van [slachtoffer 2] ,

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor:

- openlijk geweld tegen personen uit van ten minste van 40 uur taakstraf, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie;

- afpersing uit van ten minste 60 uur taakstraf, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie.

De rechtbank heeft in strafverzwarende zin rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat verdachte eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank deelt niet het standpunt van de verdediging, dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met eigen schuld van aangevers. Naar het oordeel van de rechtbank ligt op basis van het dossier niet voor de hand dat de aangevers de scooter van verdachte wilden stelen. Zelfs als het zo zou zijn geweest dat de aangevers de scooter van verdachte wilden stelen, dan rechtvaardigt dat op geen enkele wijze de afpersing en het door verdachte en zijn medeverdachten gebruikte geweld. Dat men op een dergelijk wijze voor eigen rechter speelt is volstrekt onacceptabel.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

  • -

    het tijdsverloop in deze zaak. Uitgangspunt bij minderjarigen is dat een zaak binnen 16 maanden wordt afgedaan. In deze zaak is die termijn met ongeveer 9 maanden overschreden;

  • -

    het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 maart 2020, uitgebracht door L. Solen, raadsonderzoeker;

  • -

    de behandeling die verdachte inmiddels bij De Waag heeft gevolgd;

  • -

    de omstandigheid dat het nu beter gaat met verdachte.

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 28 mei 2018 door de kinderrechter is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is verdachte op 29 oktober 2019 veroordeeld door de politierechter tot een taakstraf van 25 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis. De rechtbank heeft het voorschrift toegepast dat als iemand na een of meer veroordelingen wordt berecht voor een strafbaar feit dat is begaan vóór die eerdere veroordeling, kort gezegd, moet worden gedaan alsof voor al die feiten tegelijk een straf zou zijn opgelegd.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, met name het tijdsverloop en het feit dat verdachte inmiddels een behandeling bij De Waag heeft afgerond, wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren – te vervangen door 50 dagen jeugddetentie indien de werkstraf niet of niet naar behoren wordt verricht -, passend en geboden is.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 842,95. Dit bedrag bestaat uit € 542,95 materiele schade en € 300,00 immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, met daarbij de gevorderde wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de gevorderde reiskosten en het afgeperste geldbedrag niet betwist. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het materiële deel van de vordering verklaard te worden. De vernieling van de fiets is niet aan verdachte toe te rekenen. De post medische kosten is onvoldoende onderbouwd. Uit de onderbouwing kan immers niet worden afgeleid dat de psychologische hulp betrekking heeft op de onderhavige feiten. Ten aanzien van de immateriële schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard te worden, gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij in de feiten.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadeposten geld ( € 100,00), medische kosten (€ 203,17), reiskosten (€ 4,50) en immateriële schade (€ 300,00), ter hoogte van in totaal € 607,67 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank acht deze posten voldoende onderbouwd en zal daarom de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van:

- € 100,00 vanaf 7 mei 2018,

- € 203,17 vanaf 14 november 2018,

- € 4,50 vanaf 31 januari 2020,

- € 300,00 vanaf 7 mei 2018,

tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering dat ziet op de schade aan de fiets niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank overweegt daartoe dat de vernieling van de fiets niet aan verdachte ten laste is gelegd.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht. Gijzeling zal in verband met de jeugdige leeftijd van verdachte achterwege blijven.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de gehele tenuitvoerlegging gevorderd van de onder de parketnummers 16-652857-17 en 16-706668-16 voorwaardelijke opgelegde straffen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vorderingen tot tenuitvoerlegging, gelet op de ouderdom van de strafzaak, af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de onder parketnummer

16-706668-16 ten uitvoer te leggen voorwaardelijke jeugddetentie om te zetten naar een werkstraf.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

parketnummer 16/652857-17

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering.

De rechtbank overweegt daartoe dat de onderhavige feiten zijn gepleegd op 7 mei 2018.

Het vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank onder parketnummer 16/652857-17 is gewezen op 28 mei 2018, dus nadat de onderhavige feiten zijn gepleegd. Nu de feiten van de onderhavige zaak zijn gepleegd voordat de voorwaardelijke straf onder parketnummer 16/652857-17 werd opgelegd, kan de vordering tot tenuitvoerlegging niet worden toegewezen.

parketnummer 16-706668-16

De rechtbank verklaart de officier van justitie ook niet-ontvankelijk in deze vordering.

De rechtbank overweegt daartoe dat niet is voldaan aan het gestelde in artikel 14g, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, namelijk dat de vordering uiterlijk 90 dagen na het einde van de proeftijd kan worden ingediend. De proeftijd is geëindigd op 21 december 2019 en de vordering na voorwaardelijke veroordeling is ingediend op 3 juni 2020. De vordering tenuitvoerlegging kan dan ook niet worden toegewezen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg, 141 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen jeugddetentie;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 607,67, bestaande uit

€ 307,67 materiële schade en € 300,00 immateriële schade;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van:

€ 100,00 vanaf 7 mei 2018,

€ 203,17 vanaf 14 november 2018,

€ 4,50 vanaf 31 januari 2020,

€ 300,00 vanaf 7 mei 2018,

tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 607,67 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door nul dagen gijzeling. De wettelijke rente wordt berekend over het bedrag van:

€ 100,00 vanaf 7 mei 2018,

€ 203,17 vanaf 14 november 2018,

€ 4,50 vanaf 31 januari 2020,

€ 300,00 vanaf 7 mei 2018,

tot de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/652857-17

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-706668-16

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en E.J. van Rijssen, rechters en tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 augustus 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 7 mei 2018 openlijk, te weten op/aan het Malesluispad te Amersfoort, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] door één of meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te slaan en/of te stompen en/of te duwen en/of (met blote voet) te schoppen en/of te trappen;

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 7 mei 2018 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van 100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- samen met zijn mededader(s) benaderen en roepen naar die [slachtoffer 2] dat hij weet waar die [slachtoffer 2] woont als hij niet zou betalen en/of

- door samen met zijn mededader(s) te zeggen dat als hij dit bij een verkeerde had gedaan hij een kogel door zijn kop zou hebben en/of

- door met een kettingslot voor die [slachtoffer 2] te staan en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] te gebieden om achterop zijn (verdachtes) scooter naar de Rabobank te rijden en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] te gebieden om hem 100 euro te geven;

( art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2018128720, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 103. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.