Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3157

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
UTR 19/4928
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning voor bouw werktuigenberging. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen weigeren om af te wijken van het bestemmingsplan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4928

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , handelend onder de naam [naam], te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.P.C. Obbink),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, verweerder

(gemachtigde: J.S.E. Breems).

Aanleiding

1.1

Eiser heeft op 13 juni 2017 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een werktuigenberging op het perceel [adres] in [woonplaats] . Deze wil hij gebruiken voor de opslag van machines en werktuigen die eiser gebruikt voor de exploitatie van zijn vleesvee-/zoogkoeienhouderij. De omgevingsvergunning ziet op de activiteit bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het gebruiken van bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder c van de Wabo.

Het bestreden besluit

1.2

Bij besluit van 14 oktober 2019 heeft verweerder geweigerd om aan eiser de omgevingsvergunning te verlenen. Dit is het bestreden besluit. Het bestreden besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen is een verklaring van geen bedenkingen vereist van de gemeenteraad van de gemeente Bunnik. De gemeenteraad heeft de verklaring van geen bedenkingen geweigerd. Verweerder heeft vervolgens het voornemen de omgevingsvergunning te weigeren ter inzage gelegd, waartegen eiser een zienswijze heeft ingediend. Deze heeft niet tot een aanpassing in de besluitvorming geleid.

1.3

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de aanvraag niet voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan het van toepassing zijnde bestemmingsplan Vinkenburg. De beoogde locatie van de werktuigenberging heeft in dit bestemmingsplan een agrarische bestemming op grond waarvan grondgebonden agrarische bedrijvigheid in een reëel agrarisch bedrijf is toegestaan. In artikel 4.2.1, onder a, van de planregels is bepaald dat agrarische bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen uitsluitend mogen worden gebouwd, indien de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond en de bouw plaatsvindt ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf (dan wel een bedrijf dat naar verwachting binnen redelijke termijn zal uitgroeien tot een reëel of volwaardig bedrijf); het bevoegd gezag kan daaromtrent het advies van een agrarisch deskundige inwinnen. In artikel 1.79 van de planregels van het bestemmingsplan is een reëel agrarisch bedrijf als volgt gedefinieerd: een agrarisch bedrijf waarbij het hoofdberoep agrarisch is, de arbeidsbehoefte minimaal een halve arbeidskracht (0,5 fte) bedraagt en de continuïteit op langere termijn verzekerd is.

1.4

Verweerder heeft de Agrarische Beoordelingscommissie (ABC) om advies gevraagd. Op basis van dit advies heeft verweerder geoordeeld dat het bedrijf van eiser niet voldoet aan de eis van een reëel agrarisch bedrijf. Omdat er geen agrarisch nut voor de werktuigenberging is, kan er volgens verweerder van uit worden gegaan dat er ongewenst gebruik van het bouwwerk zal ontstaan.

1.5

De zaak is op 24 juni 2020 behandeld op een digitale zitting via Skype. Eiser en verweerder hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Het geschil

1.6

Partijen verschillen van mening over de vraag of het bedrijf van eiser kan worden aangemerkt als een reëel agrarisch bedrijf, waarbij het geschil zich toespitst op de vraag naar welke situatie moet worden gekeken bij de beoordeling daarvan. Verweerder heeft gekeken naar de feitelijke situatie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Dit uitgangspunt komt terug in het deskundigenadvies van de ABC. Eiser stelt daar tegenover dat hij sinds de oorspronkelijke vergunningaanvraag verschillende stappen heeft gezet waaruit blijkt dat er inmiddels wel degelijk sprake is van een reëel agrarisch bedrijf of dat zijn bedrijf hier binnen redelijke termijn toe kan uitgroeien. Dit komt terug in het deskundigenadvies van DLV Advies dat eiser op heeft laten stellen. Daarin wordt met name gekeken wat binnen de huidige wetgeving en feitelijk maximaal mogelijk is binnen het bedrijf van eiser.

1.7

De vraag is of verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Verweerder heeft bij een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte om te beslissen of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De rechter toetst of het verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Beoordeling beroepsgronden

Is er op het bedrijf van eiser voldoende werk beschikbaar voor minimaal een halve arbeidskracht?

2. Eiser voert aan dat er sprake is van voldoende werk voor meer dan een halve arbeidskracht. Zo wijst hij er in zijn beroepschrift op dat het aantal stuks vee van 23 is uitgegroeid naar 32. Tijdens de zitting bleek dit aantal verder uitgegroeid te zijn naar 38 stuks vee, met het vooruitzicht dat dit op korte termijn verder zal toenemen omdat een deel van de koeien drachtig is. Daarnaast geeft eiser aan dat hij eigenaar is van 40 hectare grond. Een deel hiervan is in eigen gebruik, een ander deel heeft eiser verpacht. Deze pacht eindigt in gedeelten, op het laatst in april 2022. Eiser kan naar eigen zeggen voor 30 hectare bepalen of hij het in eigen beheer zal houden of niet. Mede op basis van de berekeningen van DLV Advies komt eiser daarmee tot de conclusie dat er inmiddels al sprake is van voldoende werk voor minimaal een halve arbeidskracht. DLV Advies stelt dat eiser ruimte heeft voor 62 zoogkoeien en 38 stuks jongvee en 40 hectare grond bezit. Omdat het aantal stuks vee naar verwachting verder zal toenemen en de hoeveelheid hectare grond in eigen beheer mogelijk ook, zal ook in de toekomst ruim voldoende werk beschikbaar zijn voor meer dan een halve arbeidskracht.

3. In het deskundigenadvies van de ABC wordt uitgegaan van een veestapel met een omvang van 23 stuks vee en ongeveer 15 hectare grond in eigen gebruik. Op basis van deze gegevens trekt de ABC de conclusie dat er het hele jaar rond voor minder dan een halve arbeidskracht aan werk voorhanden is.

4. De rechtbank moet beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen bepalen dat de arbeidsbehoefte minder is dan minimaal een halve arbeidskracht. Daarbij moet gekeken worden naar de feitelijke situatie zoals deze was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, te weten 14 oktober 2019. De rechtbank begrijpt van eiser dat er sinds het deskundigenadvies van de ABC nieuwe ontwikkelingen zijn geweest die de vaststelling dat de arbeidsbehoefte minder is dan minimaal een halve arbeidskracht volgens eiser anders maken. Het had op de weg van eiser gelegen dit bij verweerder aan te tonen, bijvoorbeeld in de zienswijze die is ingediend naar aanleiding van het ontwerpbesluit. Nu dit niet is gebeurd, mocht verweerder op dit punt afgaan op de informatie die wel aanwezig was, namelijk het deskundigenadvies van de ABC. Het door eiser ingediende deskundigenadvies van DLV Advies maakt deze conclusie niet anders. In dit advies wordt uitgegaan van de maximale mogelijkheden binnen het bedrijf van eiser, niet van wat de concrete arbeidsbehoefte was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Voor zover eiser aanvoert dat vanwege de uitbreiding van de veestapel in de nabije toekomst voldaan kan worden aan de eis uit het bestemmingsplan, komt dit hierna bij de beroepsgrond over de uitbreidingsmogelijkheden aan de orde.

Is de continuïteit voldoende verzekerd?

5. Een andere vereiste om te kunnen bepalen of er sprake is van een reëel agrarisch bedrijf, is dat de continuïteit op langere termijn verzekerd moet zijn. Volgens verweerder is de continuïteit niet verzekerd.

6. Eiser voert aan dat één van zijn zoons hem momenteel helpt bij de bedrijfsvoering en deze zoon wil het bedrijf in de toekomst van hem over nemen. Zelfs al neemt de zoon het bedrijf toch niet over, dan bestaat volgens eiser de mogelijkheid voor verkoop aan een derde. Bovendien kan eiser zelf nog jarenlang het bedrijf voortzetten, ondanks zijn wat gevorderde leeftijd.

7. De rechtbank overweegt dat in het advies van de ABC staat dat de continuïteit niet is verzekerd, gelet op de leeftijd van eiser. In het advies staat verder dat eiser heeft gezegd dat zijn zoons lichte belangstelling voor het houden van vee hebben, maar dat beiden druk zijn met hun eigen banen. De beoogde opvolger zit bovendien veel in het buitenland voor zijn werk en het is niet logisch te verwachten dat hij het bedrijf vanuit het buitenland gaat exploiteren, zo staat in het advies van de ABC. Aan eiser kan worden toegegeven dat de ABC uitvoeriger had kunnen doorvragen over de beoogde opvolging, maar het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiser gelegen om de bevindingen van de ABC te weerleggen. Weliswaar benoemt eiser in de zienswijze dat een van zijn zoons mogelijk het bedrijf overneemt of dat hij anders het bedrijf kan verkopen aan een agrarische ondernemer, maar een concrete onderbouwing van deze mogelijkheden ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder daarom bij gebreke van concrete andersluidende informatie, afgaan op wat hierover in het advies van de ABC staat. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Is rekening gehouden met de uitbreidingsmogelijkheden?

8. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf. Als dit wel was gebeurd, was verweerder tot de conclusie gekomen dat eiser bezig is met het uitbreiden van zijn bedrijf en dat daarom de arbeidsbehoefte alleen maar toeneemt. In het advies van DLV Advies worden de uitbreidingsmogelijkheden wel meegenomen.

9. De rechtbank overweegt dat in het advies van de ABC is geconcludeerd dat het aantal stuks vee dalende is. Zoals vermeld waren er ten tijde van het bedrijfsbezoek van de ABC 23 stuks vee, terwijl dit er in 2013 nog 72 waren. Daarnaast stelt de ABC vast dat eiser ongeveer 15 hectare grond in eigen gebruik heeft. Het deskundigenadvies van DLV Advies stelt hier tegenover dat eiser ruimte heeft voor 62 zoogkoeien en 38 stuks jongvee. DLV Advies gaat uit van 40 hectare grond. Zoals eerder al vastgesteld, gaat DLV Advies uit van de maximaal te realiseren mogelijkheden binnen het bedrijf van eiser. In het rapport van DLV wordt geen informatie gegeven over zijn concrete toekomstplannen. Deze toekomstplannen zijn dan ook terecht niet meegenomen in de bestuurlijke procedure. Weliswaar heeft de ABC niet expliciet gevraagd naar de toekomstplannen aan eiser, maar hij heeft voldoende kans gehad om dit uit eigen beweging aan verweerder kenbaar te maken. Tijdens de zitting heeft eiser bijvoorbeeld laten weten dat de afname van het aantal stuks vee te verklaren is omdat hij met een nieuwe bloedlijn verder wil. Verweerder bleek nog niet over deze informatie te beschikken, terwijl het op weg van eiser had gelegen om dit eerder in de procedure kenbaar te maken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Tussenconclusie

10. Nu er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onvoldoende werk beschikbaar was voor een halve arbeidskracht en de continuïteit onvoldoende verzekerd was, heeft verweerder terecht mogen concluderen dat er geen sprake was van een reëel agrarisch bedrijf in de zin van artikel 1.79 van de planregels.

Worden de activiteiten van eiser ten onrechte geduid als hobbymatig?

11. Eiser vindt dat de ABC zijn bedrijfsactiviteiten ten onrechte als hobbymatig heeft geduid. Hij is voor zijn levensonderhoud namelijk mede afhankelijk van dit bedrijf. Daarnaast is volgens hem de bouw van een werktuigenberging waarvan de geschatte bouwkosten 105.000 euro zijn een onbegrijpelijke beslissing als er sprake zou zijn van een hobbymatig karakter. Bovendien heeft hij de machines die hij in de werktuigenberging wil stallen niet als hobby aangekocht, ondanks zijn passie voor techniek, maar omdat deze noodzakelijk zijn voor zijn bedrijfsvoering.

12. In het advies van de ABC staat dat de machines voor in de werktuigenberging gebruikt worden bij wijze van terreinbeheer en vanuit hobby. Daarnaast voert de deskundige aan dat uit het gesprek met eiser ten tijde van het bedrijfsbezoek blijkt dat er geen sprake is van een hoofdberoep wat betreft de bedrijfsvoering en dat er evenmin sprake is van streven naar inkomen hieruit. Verweerder heeft toegelicht dat voor de term hobbymatig is gekozen omdat er ten tijde van het bedrijfsbezoek geen sprake was van een reëel agrarisch bedrijf en dat er toen geen documenten of ander bewijsstukken beschikbaar waren waarmee de uitbreidingsplannen van eiser aangetoond konden worden.

13. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling of de benaming hobbymatig terecht is of niet. Verweerde heeft bij het weigeren van de vergunning het juiste toetsingscriterium toegepast. Het wel of niet hobbymatig zijn van de activiteiten van eiser is daarvan geen onderdeel geweest. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Maakt de noodzakelijkheid van de werktuigenberging onderdeel uit van de beoordelingscriteria?

14. Eiser voert aan dat de bouw van de werktuigenberging noodzakelijk is voor de opslag van werktuigen zoals tractoren en graslandmaaiers, om deze te beschermen tegen weersomstandigheden, diefstal en vandalisme.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er niet toe wordt gekomen aan de vraag of de loods noodzakelijk is, omdat alleen gebouwd mag worden ten behoeve van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf dan wel een bedrijf dat naar verwachting binnen redelijke termijn hiertoe uit zal groeien. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Heeft verweerder zijn oordeel terecht mogen baseren op het deskundigenadvies van ABC?

16. Volgens eiser had verweerder zich niet op het ABC-advies mogen baseren, omdat het onjuistheden bevat en niet actueel is. De ABC heeft tijdens het bedrijfsbezoek niet genoeg doorgevraagd en duidelijk gemaakt dat het om een bedrijfsbezoek ging. Daardoor doet het advies van ABC volgens eiser geen recht aan de actuele situatie.

17. De rechtbank stelt vast dat in het advies van de ABC op alle relevante aspecten van het toetsingskader uit het bestemmingsplan is ingegaan. Eiser heeft voldoende gelegenheid gehad om de bevindingen van de ABC te weerleggen of nader aan te vullen door verweerder extra informatie te verschaffen over de actuele situatie. Hoewel de bevindingen van ABC op bepaalde punten uitvoeriger onderbouwd hadden kunnen worden en tijdens het bedrijfsbezoek meer doorgevraagd had kunnen worden, is de rechtbank van oordeel dat het advies niet zodanig gebrekkig is of onjuistheden vertoont dat verweerder zich hierop niet heeft mogen baseren. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

18. Gebaseerd op de beoordeling van bovenstaande beroepsgronden mocht verweerder er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op basis van de beschikbare gegevens van uitgaan dat er geen sprake was van een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf. Daarmee werd niet voldaan aan de vereisten die het bestemmingsplan Vinkenburg stelt aan het verlenen van de vereiste omgevingsvergunning. Daarnaast heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 5 augustus 2020 gedaan door mr. E.M. van der Linde , rechter, in aanwezigheid van E. Sloots, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.